Zoonosen door vogels, konijnen en knaagdieren, reptielen en vissen



Dovnload 16.08 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte16.08 Kb.
Zoonosen door vogels, konijnen en knaagdieren, reptielen en vissen
Prof dr Gerry M. Dorrestein

Pathologie Laboratorium NOIVBD

Dorresteingm@noivbd.nl

www.noivbd.nl


Inleiding.

Naast honden en katten, zijn fretten, konijnen, knaagdieren, vogels, en vissen, dieren die veelvuldig als huisdier gehouden worden en dus in nauw contact leven met mensen. Reptielen, met name schildpadden, slangen en leguanen zijn nog steeds minder algemeen, maar lijken in populariteit toe te nemen. Al deze dieren kunnen vele verschillende ziekten overdragen, m.n.aan kinderen die vaker een intiem contact met huisdieren hebben. In de praktijk blijkt het oplopen van een zoonose rechtstreeks van een huisdier een relatief weinig voorkomende gebeurtenis te zijn, maar de dierenarts moet zich bewust zijn van de mogelijkheden, te meer omdat hij/zij vaak de eerste persoon is die met een dergelijk probleem geconfronteerd zal worden. Deze zorgvuldigheid is met name van belang bij mensen met een verminderde weerstand, oude mensen en kinderen.


Vogels

Het lijkt erop dat vogels m.n. meer ziekten verspreiden die het respiratieapparaat kunnen aantasten. Dit zou echter ook wel het gevolg kunnen zijn van het bezitten van vleugels en veren, waardoor er meer (al dan niet besmette) stofdeeltjes door de lucht vliegen.

Voor de bespreking zullen de ziekten door vogels overgebracht verdeeld worden in drie groepen.

1. Zoonosen die direct verbonden zijn met vogels. De belangrijkste zijn: chlamydiose of psittacosis (als luchtweg infectie), salmonellose en campylobacter-infecties (de laatste twee voornamelijk als voedselvergiftiging via pluimveevlees). Minder voorkomend als zoonose zijn aviaire tubercu­lose en newcastle disease. Een ander probleem direct gerelateerd aan vogels is de duivenmel­kerslong (allergische alveolitis). Dit is echter geen zoonose, maar een chronische contact allergie voor vogel antigenen.


2. Zelden voorkomende zoonosen die via vogels kunnen worden overgebracht zijn:

* virusinfecties zoals Influenza A, Aviare Influenze H5N1 en Borna Disease Virus (niet te verwarren met het recent ontdekte avian bornavirus bij papegaaien),

* bacteriële infecties zoals E. coli O157, Erysipelothrix, Listeria, Pasteurella, Pseu­domonas, Staphylococcus, Vibrio, and Yersinia,

* mycotische infecties zoals Aspergillus sp., Candida albicans, Cryptococcus neofor­mans, Histoplasma capsulatum, Trichophyton sp), en

* parasitaire infecties zoals Cryptosporidium, Caryospora, Giardia, en Toxoplasma; Syngamus en Philophthalmus; en zelfs vogelmijten.
3. Zoonosen waarbij vogels als transport vehikel kunnen fungeren voor met name tick-borne diseases zoals arboviruses en Lyme disease of door de ziekteverwekker mee te nemen in hun darmkanaal zoals bij tularemia and intestinale capillariasis.
Beide laatste situaties zullen zich echter zelden voordoen bij vogels die als huisdier gehouden worden, maar kunnen wel een rol spelen bij asielvogels die uit het wild afkomstig zijn.


Konijnen en knaagdieren

Met name door hun aaibaarheid en omdat deze diersoorten vaak aan kinderen als eerste huisdier gegeven wordt is het risico van overdragen van ziekten vooral naar kinderen van belang. Het blijkt echter in de dagelijkse praktijk reuze mee te vallen. Zoonosen die overgebracht worden door huiskonijnen en knaagdieren zijn zeer zeldzaam. Er zijn veel meer problemen op het vlak van de allergieën en bijtwonden. Voor dieren die direct uit het wild komen kan de situatie anders liggen.

In principe kunnen vrijwel alle bekende zoonosen direct of indirect via deze dieren overgebracht worden. Volgens de laatste berichten zijn er sporen van het beruchte ebolavirus in knaagdieren in Centraal Afrika.

Echter ook hier geldt, net als voor contacten met alle andere diersoorten, het leren, begrijpen en juist toepassen van hygiëne veel problemen kan voorkomen.


Enkele van de specifieke zoonosen zijn:

* voor het konijn: pasteurellose en salmonellose (beiden zeer zeldzaam voorkomend), cheyletiellose en dermatophytose (m.n. trichophytie en microsporium infectie)

* voor de knaagdieren: salmonellose (zelden), LCM virus, dermatophytose, door beten overgebracht o.a. pasteurellose, rat-bite fever (=Streptobacillus moniliformis), Yersinia sp., Campylobacter sp.

* Zeer zeldzame problemen zijn infecties zoals leptospirose, Q-fever en Hantaan virus.

* Bij immuun gecompromitteerde mensen zien we protozoaire aandoeningen zoals pneumoconiosis, Encephalitozoon cuniculi en Enc. helleri.

Reptielen en vissen
Reptielen en vissen hebben een vaste plaats verworven als huisdier. Net als bij vele andere diersoor­ten zijn het vooral immuun-gecompromiteerde personen, kleine kinderen, en ouderen die een hoger risico lopen.

Het is voldoende gedocumenteerd dat reptielen, amfibieën en vissen vele mogelijke ziekteverwek­kende organismen bij zich kunnen dragen, die onder bepaalde omstandigheden aanleiding kunnen geven tot problemen. Dit wil echter niet zeggen dat het aantonen van deze organismen voldoende is om er van uit te gaan dat deze ziekteverwekkers ook overgaan naar de mens en ziekteproblemen zullen veroorzaken. Veel hangt af van de huisvesting, begrip voor hygiëne en soort contact dat de mens heeft met de dieren. Een slang of hagedis in een terrarium levert minder “risico” dan een loslopende schildpad of leguaan.


Salmonellose

De meest bekende en ook meest beschreven zoonose in relatie tot reptielen is salmonellose. Met name waterschildpadden (Pseudemys scripta elegans) hebben in deze een slechte naam. Dit is mede te wijten aan de populariteit van deze schildpad, het gemak waarmee dit dier beschikbaar is/was in de dierenwinkel, kinderen intiem met deze dieren kunnen omgaan en de gewoonte om handen te wassen bij kinderen vaak slecht ontwikkeld is. Dit heeft er in 1975 in Amerika toe geleid dat schildpadden die kleiner waren dan 10 cm niet meer in de handel gebracht mochten worden. Dit leidde tot een afname met 77% van de gerapporteerde gevallen van salmonellose geassocieerd met schildpadden. In Amerika was er sprake van een epidemie met S. hartford (subtype I). Deze kiem is tussen 1984 en 1998 24 x geisoleerd in Nederland (RIVM); 2x uit de mens en 22x uit pluimvee. In ons materiaal (BD) wordt naast subtype I vooral subtype II geisoleerd, die niet primair pathogeen is voor zoogdie­ren, incl de mens.

De laatste jaren schijnen vooral in de VS ook leguanen meer problemen te geven met salmonellose. Dit, opnieuw, heeft te maken met de toegenomen populariteit van deze soort als huisdier. Echter de Salmonella sp die uit deze dieren geïsoleerd wordt lijkt wel pathogene kenmerken (invasiviteit) te bezitten die vergelijkbaar zijn met S. enteritidis (subtype I), ze behoren echter vooral tot subtype IV

Het is wel een feit dat veel reptielen drager zijn van salmonellas, maar de meeste behoren tot subtype III, die onder normale omstandigheden zeer zelden bij de mens gevonden wordt.

Ook bij amfibieën en vissen kunnen sporadisch salmonella’s gevonden worden.
Andere bacteriën bij ectotherme dieren die ook wel in verband gebracht worden met zoonosen, m.n. maagdarm klachten zijn Edwardsiella sp, Aeromonas sp., Plesiomonas shigelloides, Yersinia sp., etc.
Mycobacterium infecties zijn een van de belangrijkere zoonotische problemen die een rol spelen bij aquariumvissen. Met name M. marinum, M. fortuitum en M. platypolcitis worden in dit verband regelmatig genoemd in relatie met granulomen bij de mens.
Een andere zoonose die in relatie met vissen regelmatig in de literatuur voorkomt is meloidosis (Pseudomonas pseudomallei), met name via vissen geïmporteerd uit zuidoost Azië.

Erysipelotrix insidiosa (of rhusiopathiae) kan na het hanteren van vis huidlesies en een lymfadenitis veroorzaken.

Conclusies

Het aantal pathogenen bij vogels, konijnen en knaagdieren, en ectotherme dieren dat aanleiding zal geven tot persisterende infecties en daardoor zal leiden tot dragers bij deze dieren en ze tot permanente uitscheiders maakt, is relatief klein. Dit geldt met name voor de dieren die als huisdier gehouden worden en geen contact meer hebben met een wilde populatie. In de meeste beschreven zoonosen worden de dieren zelf ziek en zullen behandeld worden. De belangrijkste uitzondering in deze is misschien wel chlamydiose of papegaaieziekte. Hiervoor is aangetoond dat vogels, m.n. grasparkieten, vaak drager kunnen zijn en omdat de ziekte vooral via aerogeen verspreiding overgedragen wordt. Het is echter gebleken dat de parkietenchlamydiastam minder gevaarlijk voor de mens is dan bv de papegaaien- of kalkoenenstam.

Salmonellose en campylobacter-infecties moeten vooral als food-borne probleem beschouwd worden en daarbij spelen genoemde huisdieren zelden een primaire rol.

Kortom, het risico van overdracht van zoonosen van gezelschapsvogels en huiskonijnen en -knaagdieren sterk verkleind worden door oplettendheid van de dierenarts en een goede hygiëne in huis.

Bij ectotherme dieren speelt vooral een hygiene probleem dat bij de gevoelige personen (kinderen en salmonella) aanleiding kan geven to problemen.

Een veel belangrijker probleem is de diagnostic delay, d.w.z. het niet onderkennen van de problemen door de huisarts. Dit kan soms leiden tot onnodige vertraging van het stellen van de juiste diagnose en daarmee tot onnodige ernstige situaties. Met name bij chlamydiose is het opvallend hoe vaak het voorkomt dat de huisarts niet op de hoogte is van dit probleem, en daarom niet bereid is aan deze mogelijkheid te denken, zelfs niet als de patiënt deze mogelijkheid oppert.

Meer algemeen samengevat: er zijn zeer vele ziekten die door vogels, konijnen en knaagdieren overgedragen kunnen worden op de mens, maar de praktische betekenis voor de mens die deze dieren als huisdier houdt is zeer gering.

De functie van de dierenarts in deze is echter erg belangrijk door zijn eerste contact met de zieke dieren, zijn epidemiologische en laboratorium training.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina