Zorgplan: deelschool Praktijkonderwijs, dr Aletta Jacobs College, Hoogezand



Dovnload 229.75 Kb.
Pagina1/3
Datum22.07.2016
Grootte229.75 Kb.
  1   2   3



Zorgplan: deelschool Praktijkonderwijs, dr Aletta Jacobs College, Hoogezand





November, 2009

Inhoudsopgave zorgplan deelschool Praktijkonderwijs


  1. Inleiding 3




  1. Visie en uitgangspunten leerlingenzorg Praktijkonderwijs 4




    1. Leerlingenzorg 4

    1. Praktijkonderwijs 4

    2. Kenmerken van het praktijkonderwijs 5

    3. Nazorg 5




  1. Toelatingsprocedure 7




    1. Aanmeldingsprocedure 7

    2. Aanvraag beschikking praktijkonderwijs 7

    3. Indicatiecriteria RVC-VO toelaatbaarheid Pro 2008 – 2009 7

    4. Plaatsingsbeslissing 8




  1. De interne leerlingenzorg 9




    1. Mentoraat 9

    2. Zorgcoördinatie 9

    3. Startdocument 9

    4. Coachingsgesprekken 10

    5. Individueel Ontwikkelingsplan (IOP) en ITP 10

    6. Geen diploma, wel certificaten 11

    7. Portfolio 11

    8. Leerling-dossier 12

    9. Leerlingvolgsysteem 12

    10. Het Interne Zorgteam (IZT) 12

    11. Leerling-besprekingen als teamoverleg 13

    12. Specifiek deelhandelingsplan + logboekfunctie 13

    13. Stageplan 13

    14. Rapporten 14




  1. De zorgvarianten 14




    1. Interne zorgvarianten 14



  1. De externe leerlingenzorg 14




    1. Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL) 14

    2. Zorg Advies Team (ZAT) 15

    3. Rebound/Schakelopvang “Time Out” 15




  1. Grenzen aan de zorg en passend onderwijs 15




  1. Beleid ten aanzien van leerlingen met een REC indicatie 16




  1. Beleid ten aanzien van verzuim en verwijdering 16




  1. Scholingsbeleid 16




  1. In- en doorstroomgegevens 17




    1. Instroom en uitstroom van leerlingen 17



  1. Overzicht beleidsvoornemens 17

  2. Bronnen en bijlagen 21




  1. Inleiding

De brede scholengemeenschap dr Aletta Jacobs College heeft een algemeen schoolplan en een algemeen zorgplan (laatste versie november 2009; bijlage 6). Het schoolplan kent een bijstellingscyclus van 4 jaar.

De deelschool voor Praktijkonderwijs kent een “Teamplan PrO” *. Het teamplan PrO is opgesteld voor de periode 2010-2014 en bevat ook beleidsvoornemens voor die periode.

Het zorgplan kan beschouwd worden als een bijlage bij het schoolplan en beschrijft specifiek de diverse aspecten van de zorgstructuur/de leerlingenzorg. Het zorgplan zou derhalve ook een looptijd van 4 jaar kunnen hebben, maar gezien de voortdurende ontwikkelingen juist op het terrein van de leerlingenzorg wordt het plan 1x per jaar geactualiseerd (=verplichting vanuit SWV RSNOWG).

Het algemeen zorgplan geeft algemene informatie over de leerlingenzorg AJC, maar gaat niet in op de specifieke situatie van het praktijkonderwijs. Het biedt een goede opmaat, maar vraagt wel om een deelschoolspecifieke uitwerking.
Het schoolplan en dus ook het zorgplan is een verantwoordings- en planningsdocument voor intern en extern gebruik. Het bevat een beschrijving van de huidige situatie en de beleidsvoornemens, die weer in jaarplannen uitgewerkt kunnen worden. Het plan verwijst naar bijlagen. Voor het schoolplan is het zorgplan zelf een bijlage; voor het zorgplan zijn bv formulieren en documenten als model IOP, inhoudsopgave leerling-dossier; startdocument, formulieren leerling-besprekingen de bijlagen.
De beleidsvoornemens worden zo SMART mogelijk beschreven om na te kunnen gaan of gestelde doelen na verloop van tijd bereikt zijn.
Het zorgplan van de deelschool voor PrO volgt, als onderdeel van het zorgplan schoolbreed, voor wat betreft de vaststelling een identieke route. Het concept van dit deelschool zorgplan wordt voorgelegd aan het team en het zorgteam. Vervolgens wordt het deelzorgplan, als onderdeel van het zorgplan breed voorgelegd aan de Directie. Vervolgens wordt instemming gevraagd van de MR en vastgesteld door het Bestuur.

Dit deelschool-zorgplan wordt verspreid onder de teamleden van het PrO, de Deelraad PrO, de Directie, het ZAT, de Inspectie en op verzoek aan ouders, stagiairs en externe instanties.

(Zie ook: Zorgplan dr. Aletta Jacobs College, november 2009; bijlage 6).

November 2009

* “Teamplan PrO” is de benaming voor het deelschool plan Praktijkonderwijs

dr. Aletta Jacobs College

Drs. Henk Blik, teamleider deelschool Praktijkonderwijs

Locatie Van Heemskerckstraat

Postbus 452

9600 AL HOOGEZAND

telefoon:     0598 - 361 461

mail   :         hblik@aletta.nl

website:     www.aletta.nl/pro


  1. Visie en uitgangspunten ten aanzien van leerlingenzorg Praktijkonderwijs




    1. Leerlingenzorg

De leerlingenzorg in de deelschool voor praktijkonderwijs richt zich op de zorg voor de gehele leerling. In de eerste plaats gaat het om het sociale en emotionele functioneren (persoonlijkheidsontwikkeling). Daarnaast en daarmee samenhangend gaat het om de gerichte begeleiding van de leerling naar een zo zelfstandig mogelijk functioneren in de maatschappij (redzaamheid), naar een plaats op de arbeidsmarkt (arbeidstoeleiding) en op een eventuele doorstroming naar vervolgonderwijs.


2.2 Praktijkonderwijs
De deelschool voor Praktijkonderwijs heeft de taak leerlingen toe te leiden naar een plaats op de arbeidsmarkt. De deelschool biedt hiervoor praktijk- en theorielessen, trainingen in sociale en communicatieve vaardigheden en stages.

Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen van wie vaststaat dat zij vanwege een integrale achterstand of structurele problematiek veel extra hulp nodig hebben en dat het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, al dan niet in combinatie met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs, niet leidt tot het halen van een diploma of een getuigschrift VMBO.

(Zie: informatiebrochure voor toelatingsprocedure van BO naar VO, bijlage 11).
Er zijn drie fasen voor het toeleiden van leerlingen naar de arbeidsmarkt:


  1. een brede oriëntatie op algemene vaardigheden, persoonlijke loopbaan en stagegeschiktheid (intern),

  2. een verdere oriëntatie op interesses en capaciteiten, het vergroten van praktische vaardigheden en het scheppen van mogelijkheden voor arbeidsvoorbereidende externe stage en

  3. toeleiding naar een plaats op de arbeidsmarkt door gerichtheid op specifieke praktische, sociale en communicatieve vaardigheden voor stage en arbeidscontract.

Veel van de Pro leerlingen hebben belemmeringen bij uitvoering van algemeen dagelijkse zaken

en zijn weinig zelfstandig. Ze hebben beperkingen op het gebied van cognitieve vaardigheden,

concentratie en werkhouding. Menig Pro leerling heeft ook ernstige belemmeringen op sociaal en

emotioneel gebied. Ze hebben vaak gebrekkige sociale competenties en zijn sociaal kwetsbaar.

Sinds 2002 is het Praktijkonderwijs geïntegreerd in het regulier voortgezet onderwijs van het dr. Aletta Jacobs College. Het ‘reguliere’ Praktijkonderwijs vraagt echter nog steeds speciale onderwijszorg en bijzondere docentcompetenties. De kerntaak van de deelschool voor Praktijkonderwijs kan worden omschreven als: afstemming op de individuele hulpvragen van de leerlingen in het perspectief van competentieontwikkeling. De primaire onderwijstaak is leerlingen te stimuleren voor een vak met in achtneming van de tekorten van de leerlingen. Aan de voorwaarden om op deze wijze tot leren te komen wordt bij leerlingen in het Pro niet vanzelf voldaan, om meerdere redenen:

- Leerlingen dienen voor het leerproces gecompenseerd te worden in relatie tot specifieke

leer- en/of ontwikkelingsproblemen (orthodidactische aanpassingen);

- Pro leerlingen hebben emotionele zorgbehoeften waaraan tegemoetgekomen moet

worden alvorens ze met het leren beginnen (veilig pedagogisch klimaat en in sommige

gevallen het ‘reguleren’ van gedrag door medicatie);

- Om in de toekomst zichzelf te kunnen redden kan het van belang zijn dat de leerlingen

geactiveerd worden om zelf aan hun zorgbehoeften tegemoet te komen (zelfstandig hulp

verwerven).

De specifieke behoeften van de Pro leerlingen vragen om een continue afweging van de Pro

docent, waaraan hij aandacht wil besteden: bieden van zorg versus laten leren.

Dit vraagt van de leraar Praktijkonderwijs een breed handelingsrepertoire gericht op het zo zelfstandig mogelijk laten functioneren van leerlingen.

2.3 Kenmerken van het praktijkonderwijs
Het Praktijkonderwijs aan de van Heemskerckstraat kenmerkt zich door:



  • Les in kleine groepen (10 á 14 leerlingen);

  • Uitdagend onderwijs;

  • Leren door zelf te doen;

  • Actief en zelfstandig bezig zijn;

  • Ontwikkeling zelfredzaamheid;

  • Arbeidsoriëntatie en uitgebreide stagebegeleiding;

  • Uitbouwen van en rekening houden met de mogelijkheden van de leerling (niet uitgaan van de tekorten);

  • Vergroting van welzijn van de leerlingen op school en in de maatschappij;

  • Veilig pedagogisch klimaat;

  • Pedagogische en didactische handelingsplanning in het Individueel Ontwikkelingsplan (IOP);

  • Leerling-besprekingen in IZT;

  • Logopedie en mondelinge taalvaardigheid;

  • Inzet van speciale deskundigen zoals schoolmaatschappelijk werker, orthopedagoog/psycholoog en schoolarts;

  • Regelmatig overleg met externen zoals leerplichtambtenaar, Lentis-Jonx / GGZ-jeugd (Geestelijke Gezondheidszorg) ; REC (Regionale Expertise Centra); ROC; Jeugdarts GGD (Gemeentelijke Gezondheids Dienst); Bureau Jeugdzorg Groningen; Regiopolitie (jeugdagenten); bureau HALT en bedrijfsleven;



2.4 Nazorg
Scholen voor praktijkonderwijs zijn middels de Regeling doorontwikkeling praktijkonderwijs in de gelegenheid gesteld om in netwerken de samenwerking met arbeidsmarktinstanties te verbeteren. De huidige regeling doorontwikkeling praktijkonderwijs voorziet erin dat scholen kunnen werken aan de opstelling van een transitieplan dat tot doel heeft de toeleiding van leerlingen naar de arbeidsmarkt te verbeteren.

(Zie: http://www.minocw.nl/documenten/6421a.pdf)

De school volgt de leerlingen 2 jaar nadat hij/zij de school heeft verlaten. Deze monitoring wordt overlegd aan de inspectie. (Het gaat hier om een wettelijke verplichting zonder extra facilitering vanuit de overheid.
De deelschool voor praktijkonderwijs wordt geconfronteerd met het feit dat het overgrote deel van de leerlingen dankzij extra inspanningen een plaats op de arbeidsmarkt veroveren. Ook een succesvolle doorstroming naar een (branchegerichte cursus in het) ROC vraagt heel veel aandacht en zorg.

Het is een gegeven dat een groot gedeelte van de leerlingen gedurende hun opleiding en de daarbij behorende stages, goede resultaten boeken waar het betreft het verwerven van voldoende kennis en vaardigheden die nodig zijn om als een volwaardig, sociaal burger en werknemer binnen de maatschappij te kunnen functioneren.


Deze resultaten worden voornamelijk behaald als gevolg van de manier waarop de deelschool de leerling gedurende de gehele opleiding (inclusief de interne en externe stages) benadert, behandelt en begeleidt.

Een van de belangrijkste zaken hierbij is dat de leerling tijdens de opleiding, jaarlijks wordt begeleid door een mentor c.q. persoonlijke coach. De mentor/coach en de school enerzijds en de leerling anderzijds, bouwen gedurende de jaren dat de leerling het onderwijs in de deelschool volgt een persoonlijke band op. Op basis van deze band en begeleiding wordt door de begeleider en de leerling een IOP, gebaseerd en gericht op de competenties van de leerling, vastgesteld en arbeidsmarktgericht uitgevoerd (In samenspraak wordt een IOP opgesteld, zodat de leerling gericht kan werken de gestelde doelen).


De ervaring leert dat de meeste leerlingen tijdens de stages naar tevredenheid functioneren. De leerlingen worden tijdens hun opleiding, en dus ook tijdens de stageperiodes, intensief door de school begeleid. De leerlingen hebben een specifieke aanpak nodig door de docenten en via de lesmethodiek en begeleiding. De deelschool heeft hierin door de jaren heen een specifieke expertise en ervaring opgebouwd. Het zijn deze expertise en ervaring in combinatie met de persoonlijke band die docenten en begeleiders met de leerlingen hebben die voor de doorgaans goede resultaten gedurende de schoolloopbaan zorgen. Uiteraard spelen kennis en inzicht, van de stagedocent, in de toekomstige stagewerkzaamheden en het stagebedrijf hier ook een grote rol bij.

Deze expertise en ervaringen zijn echter, om een aantal plausibele redenen, bij de toekomstige werkgevers niet (voldoende) aanwezig. Ook dient vermeld te worden dat de stagebieder om economische en bedrijfskundige redenen vaak niet in staat is de leerling/werknemer voldoende te begeleiden.

Onze zorg is dat een deel van onze ex-leerlingen binnen afzienbare tijd na uitstroom uit het praktijkonderwijs, van de arbeidsmarkt zullen verdwijnen. Dit tot frustratie van de uitgestroomde leerling/werknemer als ook van de werkgever en de school. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de kans van slagen van een leerling van het praktijkonderwijs op de arbeidsmarkt zeer wordt vergroot als hij/zij en de werkgever intensief, op de juiste manier en met de juiste expertise en kennis, wordt begeleid.


  1. Toelatingsprocedure


3.1 Aanmeldingsprocedure
Leerlingen met een advies van het (S)Bao voor Praktijkonderwijs kunnen door deze scholen vroegtijdig worden aangemeld bij het dr Aletta Jacobscollege (in november/december). De ouders worden door de (speciale) basisschool op de hoogte gebracht van de procedure.

Op de (s)basisscholen vindt onderzoek plaats van de leerlingen die door de (s)basisschool zijn geselecteerd. Deze leerlingen worden getest door de zorgadviseur of door de orthopedagoog van het dr Aletta Jacobs College. Als een indicatie voor Praktijkonderwijs is afgegeven, dan moeten de ouders een keuze maken voor een VO-school.

Om deze keuze te ondersteunen geeft het dr Aletta Jacobs College een speciale voorlichtingsavond voor deze ouders in het speciaal basisonderwijs (door de teamleiders van het Praktijkonderwijs en het LWOO). De school van herkomst vult een onderwijskundig rapport in. Het model van dit onderwijskundig rapport wordt jaarlijks vastgesteld door het RSNOG.

Hierna volgt aanmelding door de ouders door middel van het aanmeldingsformulier ouders.

Na de aanmelding volgt voor deze leerlingen een intelligentie onderzoek en een onderzoek naar prestatie en motivatie.
Voor alle potentiële (ouders van) leerlingen is het mogelijk een afspraak te maken om de deelschool voor Praktijkonderwijs te bezoeken. Aanvragen voor (individuele) bezoeken lopen via de teamleider.
(Zie ook Zorgplan dr. Aletta Jacobs College, november 2009, H 2.1 Beleid t.a.v. aanmelding van leerlingen; bijlage 6)

3.2 Aanvraag beschikking praktijkonderwijs
Leerlingen met een advies voor Praktijkonderwijs worden in principe individueel onderzocht omdat er geen valide testen zijn voor groepsonderzoek.

De ouders worden in kennis gesteld van de uitslagen en op grond van de uitslagen wordt besloten of er een aanvraag voor een beschikking Leerwegondersteuning dan wel Praktijkonderwijs wordt aangevraagd bij de Regionale Verwijzings Commissie. De ouders vullen het formulier “Zienswijze Ouders” in. De deelschool voor Praktijkonderwijs vult een aanvraagformulier in, voor de RVC-VO, dat een integraal beeld van de leerling schetst. Voor de definitieve aanvraag wordt ingeleverd beoordeelt de subregionale Permanente Commissie voor Leerlingenzorg of de aanvraag volledig is.



3.3. Indicatiecritera RVC-VO voor de toelaatbaarheid tot Pro 2008 – 2009

Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen van wie vaststaat dat zij vanwege een integrale achterstand of structurele problematiek veel extra hulp nodig hebben en dat het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, al dan niet in combinatie met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs, niet leidt tot het halen van een diploma of een getuigschrift VMBO. Bij de beslissing van de regionale verwijzingscommissie om een leerling voor te dragen voor toelating tot het Praktijkonderwijs worden de ouders van de leerling nadrukkelijk betrokken.


Voor de toelaatbaarheid voor het Praktijkonderwijs geldt:



  • Het intelligentieniveau is minimaal 55 en maximaal 75 t/m 80.

  • Uit het didactisch profiel blijkt dat er leerachterstanden zijn van 50% t.o.v. de Didactische Leeftijd of meer op twee of meer domeinen van schoolse vaardigheden (technisch lezen, begrijpend lezen, spelling en inzichtelijk rekenen / wiskunde)

  • Eén van de twee domeinen moet in ieder geval begrijpend lezen of inzichtelijk rekenen / wiskunde zijn.


3.4 Plaatsingsbeslissing
Op basis van de beschikking van de RVC wordt de plaatsingsbeslissing genomen. Dit is een taak van de teamleider. In incidentele gevallen vindt, omtrent de plaatsing van een leerling, nader overleg plaats tussen de zorgadviseur, orthopedagoog, teamleider en zorgcoördinator, waarbij rekening wordt gehouden met onderstaande criteria:
Overwegingen die een rol spelen bij de beslissing om een leerling al dan niet toe te laten in het PrO:

    • Werkhouding

    • Sociaal emotionele problematiek

    • Intelligentie Quotiënt

    • Gedrag van de leerling

    • Aard van de ontwikkelingsstoornis en de compenserende factoren

    • Hulpvraag van de leerling in relatie tot het aanbod van de deelschool voor Praktijkonderwijs.

  • Cito score

  • Opvatting van de ouders

  • Leeftijd van de leerling

  • Motivatie van de leerling

  • Allochtone afkomst (de verblijfsduur in Nederland voor moment van plaatsing)

(Beheersing van de Nederlandse Taal, hoeveelheid onderwijs in land van herkomst).
Het toelatingsbeleid van de deelschool voor Praktijkonderwijs is maar voor een zeer beperkt deel autonoom. De leerlingen die op school komen voldoen aan landelijk vastgestelde criteria die als zodanig worden gehanteerd door de RVC. De teamleider is betrokken bij de informatievoorziening aan de (speciale) basisscholen en de ouders van toekomstige leerlingen en voert de gesprekken met de leerlingen en de ouders aan het einde van de toelatingsprocedure.
Groepsplaatsing:

Na indicering praktijkonderwijs door de RVC en op grond van het onderwijskundig rapport van de basisschool, het didactisch onderzoek van de zorgadviseur en het psychologisch rapport volgt plaatsing in één van de (eerste) groepen. Bij de groepsindeling wordt rekening gehouden met de ontwikkelingsperspectieven van de leerling.




  1. De interne leerlingenzorg


4.1 Mentoraat
Doel: de veiligheid en zorg voor de leerling ligt in eerste instantie bij de mentor.
De mentor is voor de leerling de contactpersoon. De mentor is de eerst aangewezene die de leerling begeleidt, ook op sociaal-emotioneel gebied. De mentoren werken nauw samen met de teamleider en hebben regelmatig overleg, waarin de dagelijkse gang van zaken wordt besproken en aandacht wordt besteed aan nieuw te voeren beleid.
De dagelijkse problemen rond leerlingen worden normaal gesproken opgelost door de mentor. Op het moment dat de mentor in handelingsverlegenheid komt meldt hij/ zij dit in een leerlingenbespreking. Om meer zicht te krijgen op de problemen kan de leerling geobserveerd worden door de mentor en/ of vakdocenten. (In de praktijk wordt bij eerder genoemde handelingsverlegenheid onmiddellijk een beroep gedaan op de teamleider. In gezamenlijkheid wordt naar een adequate handelingsplanning gezocht.)

4.2 Zorgcoördinatie
De coördinatie van de zorg in de deelschool voor Praktijkonderwijs past binnen de structuur van de zorg van het Aletta Jacobs College. De zorgcoördinator heeft schoolbreed een verantwoordelijkheid in het kader van de zorg op de deelschool voor Praktijkonderwijs.

Vanwege de specifieke populatie van leerlingen in het Praktijkonderwijs is de zorg voor de leerlingen hier intensiever dan voor het merendeel van de andere deelscholen van

‘t Aletta. De leerlingen zitten over het algemeen langer op deze deelschool en in een aantal gevallen is de complexiteit van de problematiek van de leerlingen groter. De afhankelijkheid van de leerlingen van begeleiding en ook sturing is groot. Vaak zijn er niet alleen de mentor, maar ook andere specialisten binnen de school en daarbuiten betrokken bij het scheppen van ontwikkelingskansen.

De coördinatie van de zorg berust in eerste en laatste instantie bij de mentor. Het is de mentor die in principe bij alle gesprekken over de leerling aanwezig is en die de gesprekken over de ontwikkeling van de leerling met de leerling zelf en zijn/haar ouders voert. De mentor is ook als eerste verantwoordelijk voor de registratie en de rapportage over de leerling en het leerling-dossier.

Binnen het geheel van de zorg en de zorgprocedures hebben anderen binnen het team hun eigen verantwoordelijkheid voor het volgen van procedures en de inhoud van de zorg. Dat geldt specifiek voor de logopediste, orthopedagoog, maatschappelijk werkster en schoolarts. Zij hebben echter geen coördinerende functie, tenzij zij in het Zorgteam of ZAT vanuit hun functie in dat team een coördinerende rol hebben.
(Zie ook: Zorgplan dr. Aletta Jacobs College, november 2009; bijlage 6).
4.3 Startdocument
Het startdocument is op te vatten als de beschrijving van de leerling bij de binnenkomst in de deelschool voor PrO. Het startdocument wordt door de mentor gemaakt op basis van :

- gegevens van toelatingsonderzoek zoals weergegeven in het digitaal dossier RSNOWG-RVC (intelligentie, didactisch, sociaal-emotioneel),

- aanvullende gegevens uit gesprekken met leerling en ouder(s) / verzorger(s);

- aanvullende informatie van de school waar de leerling vandaan komt.

- het onderwijskundig rapport van de school van herkomst

- het aanmeldingsformulier VO t.b.v. RVC VO.


In het startdocument zijn de globale doelen omschreven die voor de leerling gelden op het terrein van de persoonlijkheidontwikkeling, de redzaamheid, de arbeidstoeleiding en het eventuele vervolgonderwijs. Dit is een digitaal document en wordt tevens opgeslagen in het fysieke leerlingendossier. Het startdocument is de basis voor het opstellen van het Individueel OntwikkelingsPlan.
(Zie ook bijlage 1. Startdocument en IOP, dr Aletta Jacobs College deelschool praktijkonderwijs)
4.4 Coachingsgesprekken
De halfjaarlijkse coachingsgesprekken zijn de ‘formele’ gesprekken die een leerling met zijn mentor heeft over de voortgang van de ontwikkeling zoals vastgelegd in het IOP. De gesprekken vinden in principe 2 keer per jaar plaats. Zonodig wordt er nog een extra mentorgesprek ingelast. Bespreking van rapporten, stageverslagen e.d. kunnen desgewenst en indien haalbaar gecombineerd worden met de coachingsgesprekken. Een mentor voert het gesprek met de leerling mede op basis van informatie over het functioneren van de leerling bij collega’s / vakdocenten en op basis van informatie van andere bij de leerling betrokken teamleden. Voor het gesprek wordt er door de leerling een vragenlijst ingevuld. De antwoorden op de vragenlijst schetsen een beeld van zijn/haar eigen competenties. Uit de coachingsgesprekken kan blijken, dat er extra actie moet worden ondernomen waarbij deskundigheid van anderen binnen de school (logopedie, maatschappelijk werk, orthopedagoog, schoolarts, zorgcoördinator) of buiten de school (bijvoorbeeld GGZ, MEE) moet worden ingeschakeld. In eerste instantie vindt er dan een aanmelding bij het Interne Zorgteam plaats, in tweede instantie bij het Zorg Advies Team (ZAT).

De leerling, c.q. de ouders krijgen een schriftelijk verslag van het mentorgesprek en indien van toepassing een nieuwe versie van het IOP. Het verslag komt ook in het portfolio van de leerling.

Gedurende de onderwijsloopbaan in het PrO gaat het IOP over in een Individueel Transitie Plan (ITP), waarin meer de nadruk komt te liggen op de uitstroomperspectieven van de leerling en de voorbereiding daarop.
(Zie ook bijlagen 1. en 2.Startdocument en IOP, dr Aletta Jacobs College deelschool Praktijkonderwijs)

4.5 Individueel Ontwikkelingsplan (IOP) en Individueel Transitie Plan (ITP)
Het Individueel OntwikkelingsPlan is het handelingsplan waarin de specifieke doelen voor een leerling staan opgesteld voor de komende periode.

Het IOP wordt door de mentor opgesteld in overleg met de leerling en eventueel zijn ouders. Er wordt rekening gehouden met de wensen en verantwoordelijkheden van de leerling zelf. Bij de doelen die in het plan staan beschreven wordt aangegeven welk leertraject de school aanbiedt om verwezenlijking van de doelen voor de leerling mogelijk te maken.

Het Ontwikkelingsplan wordt minimaal halfjaarlijks vastgesteld, als vervolg op en resultaat van de coachingsgesprekken. Tijdens de mentorgesprekken wordt het IOP met de leerling en desgewenst de ouders geëvalueerd en bijgesteld. Het IOP wordt opgeslagen in het leerlingdossier.

Gedurende de onderwijsloopbaan in het PrO gaat het IOP over in een Individueel Transitie Plan (ITP), waarin meer de nadruk komt te liggen op de uitstroomperspectieven van de leerling en de voorbereiding daarop.


(Zie ook bijlage 2. Individueel OntwikkelingsPlan, dr Aletta Jacobs College deelschool Praktijkonderwijs)
De deelschool heeft deelgenomen aan het traject “Work@work 4”. Binnen het traject wordt een opzet gemaakt voor een Individueel Transitie Plan (ITP).

Het ITP is een instrument om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt voor leerlingen in het Praktijkonderwijs te organiseren. Door het “European Agency for Development in Special Needs Education” is een goed bruikbare definitie en eerste uitwerking van het ITP gegeven. Deze verdienen een uitwerking in het Nederlands gericht op het Praktijkonderwijs. Het gaat er hierbij om dat:


o    het uit te werken instrument praktisch bruikbaar moet zijn en,
o    mensen in de praktijk (docenten, leerlingen, ouders en werkgevers) het instrument ook feitelijk gaan gebruiken.

De ervaring heeft geleerd dat voor een optimaal resultaat (het gebruik van het instrument in de praktijk) die twee zaken aan elkaar gekoppeld moeten worden. Dat betekent dat de mensen die het instrument gaan gebruiken bij de ontwikkeling van het instrument zijn betrokken, bij voorkeur zelfs het instrument mee moeten ontwikkelen. Vandaar de deelname van de teamleider van de deelschool aan dit traject. (Beleidsvoornemen 6; Uitwerking van het ITP)




    1. Geen diploma, wel certificaten

Het praktijkonderwijs is een richting in het voortgezet onderwijs. De leerlingen krijgen een groot aantal praktische vakken, waaronder verzorging, koken, metaal, hout, textiele werkvormen, winkelpraktijk, EHBO, werken in de tuin en branche gerichte cursussen. De bij deze vakken aangeleerde vaardigheden worden getraind in diverse didactische werkvormen en arbeidstrainingen. Verder krijgen de leerlingen aangepaste basisvorming d.m.v. de vakken Nederlandse taal, rekenen/wiskunde, praktische arbeids- en loopbaanoriëntatie, maatschappelijke en culturele oriëntatie, informatiekunde en lichamelijke opvoeding. Als de leerling een praktijkonderdeel heeft afgerond ontvangt hij/zij hiervoor een (deel) certificaat.


Vanaf het midden van de schoolloopbaan gaat een leerling zich oriënteren op de stage.
Vanaf de klas 3 kunnen de leerlingen één van de volgende richtingen kiezen:


  1. Techniek / Groen

  • Houtbewerken

  • Metaalbewerken

  • Groen/agrarisch




  1. Zorg & Welzijn / Dienstverlening

  • Grootkeuken

  • Schoonmaak

  • Winkelpraktijk

Is er voor de leerling (nog) niet duidelijk voor welke richting hij/zij zal kiezen, dan bestaat de mogelijkheid tot het afnemen van een assessment/onderzoek.

Vanaf de klassen 4 kunnen de leerlingen onder meer het trekkerrijbewijs, het heftruckrijbewijs, het bromfietscertificaat, certificaat bosmaaier en het VCA certificaat halen. Verder zijn er certificeringmogelijkheden voor het lassen, schoonmaak in de groothuishouding (keuken) en EHBO.


Praktijkonderwijs is voor de meeste leerlingen eindonderwijs. De leerlingen worden daarom voorbereid op het uitoefenen van eenvoudige werkzaamheden op de arbeidsmarkt en krijgen de mogelijkheid om via stages in de praktijk te leren. Daarnaast wordt veel aandacht besteed aan zelfstandig werken, wonen en een zinvolle vrijetijdsbesteding. Het praktijkonderwijs eindigt in het schooljaar waarin de leerling 18 jaar wordt.

    1. Portfolio

De ontwikkeling van de leerling op vooral de terreinen redzaamheid en arbeidstoeleiding is terug te vinden in het portfolio van de leerling. Dat is de verzameling van de voor de ontwikkeling van de leerling belangrijke documenten. De samenstelling van het portfolio gebeurt in overleg met de leerling en kan een rol spelen bij de evaluatie van de voortgang in het bereiken van de doelen die in het individueel ontwikkelingsplan zijn vastgelegd.


Zelfstandig wonen, zinvolle vrijetijdsbesteding, maatschappelijk functioneren en een plaats

op de arbeidsmarkt. Het zijn de doelen die het Praktijkonderwijs zich stelt voor de leerlingen

en die hun impact hebben op de hele verdere levensloopbaan van die leerlingen. Na zijn schooltijd moet de jongere in staat zijn zich - grotendeels - zelf te redden. Hij moet weten

wie hij is, wat hij kan en hoe hij verder wil. Competentiegericht onderwijs speelt een grote

rol bij het ontwikkelen van dit bewustzijn. Competentiegericht werken betekent in het Praktijkonderwijs, dat leerlingen levensechte, betekenisvolle taken uitvoeren, waarbij de theorie de praktijk ondersteunt. De leerling leert immers alleen als hij de zin daarvan inziet.

Voor het aanleren van de competenties volgt de leerling geen lessen, maar hij doet klussen

en ontwikkelt zo vaardigheden en persoonlijke kwaliteiten. In de reflectie op zijn werk (coachingsgesprekken) ontdekt hij, samen met de mentor, wat hij kan en waaraan hij nog moet werken.
De leerling legt al de bewijzen van verworven competent gedrag vast in zijn portfolio.

(Zie ook bijlage 3: Portfolio’s in de deelschool praktijkonderwijs, 2007)





    1. Leerling-dossier

De mentor is de beheerder van het leerlingendossier. De dossiers zijn in een ordner per klas en alfabetisch opgeborgen in de kluis/ het magazijn. Het dossier kent een gestandaardiseerde inhoudsopgave.

Het is de wens van de deelschool het dossier een (digitaal) onderdeel te laten worden van “Magister”. Magister is een compleet administratiepakket dat door het Aletta Jacobscollege schoolbreed wordt gebruikt.
(Zie: bijlage 8, inhoud leerling-dossier, beleidsvoornemen 4 )



    1. Leerlingvolgsysteem

Het volgen van (de ontwikkeling) van de leerling is (1) persoonsgebonden,

(2) leerplangebonden en (3) methodegebonden.

Het volgen van de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de leerling is minder in cijfers en woorden te vangen dan dit voor de andere twee gebieden van het leerlingvolgsysteem geldt. De grote verschillen tussen leerlingen wat betreft hun aanleg en mogelijkheden maakt het niet mogelijk een duidelijke en doorgaande lijn uit te zetten. Voor het team van het Praktijkonderwijs zijn de ijkpunten:




  • zelfbeeld/identiteit ik ben iemand

  • competentie ik kan iets

  • relatie ik hoor erbij

Het is zeker bij leerlingen in de deelschool voor Praktijkonderwijs belangrijk in de gaten te houden hoe de ontwikkeling van de leerling als persoonlijkheid is, rekening houdend met de aanleg van de leerling en de ontwikkelingsmogelijkheden die er vanuit de persoonlijkheid van de leerling lijken te zijn. Vanwege de relatief beperkte cognitieve mogelijkheden van onze leerlingen komen bij velen de grenzen van het theoretisch en algemeen vormend leren vrij snel in zicht. Bij een groot deel van de leerlingen is behalve van een verstandelijk beperkte aanleg ook sprake van een ontwikkelingsstoornis als ADHD of een stoornis in het autistische spectrum. Van daaruit zijn er bijvoorbeeld grenzen aan de sociale redzaamheid. Zeker dan is het belangrijk in de gaten te houden of een kind zich veilig voelt, competent is en zich erbij voelt horen. Het volgsysteem van de persoonlijkheid van de leerling is opgenomen in het IOP. Dit geldt ook voor het beeld van de leerling dat de mentor heeft vastgesteld in het kader van de coachingsgesprekken.

Het is van belang steeds in gesprek te zijn met de leerling over de mate waarin het lukt de doelen te bereiken en welke bevorderende en belemmerende factoren er zijn. De eigen verantwoordelijkheid van de leerling (en eventueel zijn/haar ouders) zijn daarbij als te bespreken factor van belang.

Het volgen van de ontwikkeling van de leerling bij de verschillende vakken en vakgebieden is in principe nog het meest planmatig te doen. In een aantal gevallen is er sprake van deelvaardigheden en volgt een leerplan/methode een duidelijke opbouw. In die gevallen kan het toch nog lastig zijn de ontwikkeling systematisch vast te leggen. De ontwikkeling van communicatie, sociale vaardigheid en zelfstandigheid zijn hiervan voorbeelden.
(Zie ook bijlage 3. : Portfolio’s in de deelschool voor praktijkonderwijs, 2007)



    1. Het Interne Zorgteam (IZT)

De vaste leden van het interne zorgteam zijn de orthopedagoog, de schoolmaatschappelijk werkster, de zorgadviseur en de teamleider van het PrO. Wanneer het om een bepaalde leerling gaat neemt de mentor van de leerling eveneens deel aan de zorgteambespreking. Desgewenst en zonodig zijn ook de logopediste, de schoolarts en/of een andere deskundigen van buiten de school aanwezig.

De bespreking van de leerling in het zorgteam gebeurt op basis van schriftelijke informatie , waarin de vragen van de mentor aan het gehele zorgteam of een of meerdere leden van het zorgteam zijn vermeld. De basis van de informatie vooraf aan het zorgteam is het formulier ‘Informatieformulier leerlingbespreking Zorgteam’. (Zie Zorgplan dr. Aletta Jacobscollege, november 2009).

Het Interne Zorgteam komt in principe maandelijks bij elkaar. De leden van het zorgteam krijgen door de zorgadviseur van tevoren een agenda gestuurd en een overzicht van het functioneren van de leerling en van de hulpvraag / -vragen van de mentor ten aanzien van de leerling.


Van de bespreking in het zorgteam en de voorgestelde acties wordt een verslag gemaakt, waarin opgenomen de te nemen maatregelen om te komen tot vermindering/oplossing van de problemen.



    1. Leerling-besprekingen in onderbouw- en bovenbouwteam

Bij de uitvoering van hun dagelijkse werk worden de PrO docenten regelmatig geconfronteerd met leerlingen die extra aandacht nodig hebben. Vaak hebben docenten al van alles geprobeerd. Oplossingen werken echter niet altijd of slechts tijdelijk. Het inschakelen van derden en het gebruik maken van elkaars expertise en ervaring kan een oplossing bieden.

De tweewekelijkse leerling-besprekingen in onder- en bovenbouwteam hebben het volgende doel:


  • door samen te praten en na te denken wordt geprobeerd om concrete oplossingen te zoeken voor bestaande werkproblemen;

  • door gezamenlijk te praten en na te denken over een werkprobleem, ondersteunen de docenten elkaar; 

  • veel oplossingssuggesties die tijdens de leerlingbespreking naar voren komen, kunnen door iedere docent in de eigen situatie worden gebruikt; 

  • door met elkaar te praten over elkaars werkproblemen wordt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het werk binnen de school vergroot.

Docenten worden zich er meer van bewust dat leerlingbegeleiding geen taak is van alleen mentor en/of zorgadviseur, maar een gezamenlijke verantwoordelijkheid van iedere al dan niet aan een leerling lesgevende docent.

Tijdens de wekelijkse teamvergaderingen kunnen problemen met leerlingen voor de agenda van de tweewekelijkse besprekingen worden ingebracht. Voor een goed functioneren en afronden van de gesprekken zijn van belang:



  • een schriftelijk voorbereidingsformulier

  • een agenda (wie is er verantwoordelijk)

  • een voorzitter van de vergadering

  • een verslag (wie maakt de rapportage)

  • een lijst van aanwezigen




    1. Specifiek deelhandelingsplan + logboekfunctie

De mentor houdt in het (digitale) logboek de voornaamste ontwikkelingen bij van de leerling. In bepaalde gevallen (specifieke probleemsituaties) bieden het IOP en het daaraan gekoppelde logboek te beperkte mogelijkheden voor adequate aanpak en oplossingen. Besloten wordt dan het Interne zorgteam en/of het Zorg Advies Team in te schakelen. Dit kan leiden tot het werken met een specifiek handelingsplan. (Zie bijlage 4. Deelhandelingsplan deelschool Praktijkonderwijs).




    1. Stageplan

In het Teamplan PrO wordt de stage als volgt omschreven: “Werkend leren” is gericht op ontwikkeling van competenties bij leerlingen. Het werkend leren vindt plaats in een functionele context. Stage kan dan gezien worden als een zeer krachtig leermiddel. Van belang daarbij zijn de factoren: kennis, attitude, vaardigheden en ervaring. De ontwikkeling van adequate competenties verloopt gezien de kenmerken van de leerlingenpopulatie van het Praktijkonderwijs van attitude naar vaardigheid en de benodigde kennis en ervaring worden gaandeweg vanzelfsprekend opgedaan.



Om de stage binnen de deelschoolorganisatie goed te laten verlopen moet er planmatig gewerkt worden. Dit betekent dat het stagebeleid jaarlijks geëvalueerd wordt. Om te kunnen evalueren zal voor de afdeling PrO een checklist moeten worden opgesteld om stand van zaken en de aandachtspunten goed in beeld te krijgen. (Zie beleidsvoornemen ….)




  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina