123. De Ark des Verbonds Aron haB’rit tyrbh9]vra pagina



Dovnload 47.57 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte47.57 Kb.

123. De Ark des Verbonds - Aron haB’rit - tyrbh9]vra - pagina


123. Bijbelstudie over

DE ARK DES VERBONDS - ARON HAB’RIT

tyrbh9]vra


Deel 6: De Ark in de schuilplaats

Door de eeuwen heen heeft de Ark der Getuigenis als geen ander voorwerp uit de Bijbel tot de verbeelding gesproken van gelovigen en sinds Steven Spielberg’s “Indiana Jones” films ook wel wereldse mensen. Talloze bijbelwetenschappers, historici en archeologen raakten gefascineerd door het feit, dat deze heilige gouden schrijn, die in ,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 4:16 “troon der genade” genoemd wordt, ruim 2500 jaar geleden van het toneel verdwenen en sindsdien nooit meer boven water gekomen is. De meest vreemde en fantastische theorieën doen al sinds mensen heugen de ronde over de verblijfplaats van de Ark des Verbonds. Wij zullen ze één voor één in deze studiereeks nader onder de loep nemen, maar vooral gaan kijken wat de Bijbel over de gouden verbondskist te zeggen heeft. In het eerste deel behandelden wij de vragen hoe de Ark er uit zag, hoe groot zij is geweest en tot welk doel zij is gebouwd en door wie. In het tweede deel hebben wij aandacht besteed aan de wonderen en tekenen die met de Ark in verband gebracht worden bij de intocht in het Beloofde Land, waarbij de Ark der Getuigenis door haShem gebruikt werd als een kanaal waardoor Hij ongekende krachten kon laten zien aan Zijn volk, maar ook aan de vijanden van Zijn volk. Vooral dat laatste was het geval in deel 3 waarin de Ark zich in de handen van de Filistijnen bevond. In deel 4 lieten wij de dramatische omstandigheden de revue passeren, waaronder de Ark uiteindelijk door David vanuit Qir’yat Ye’arim werd overgebracht naar de heilige stad Jeruzalem. Deel 5 stond helemaal in het teken van de centrale plaats die de Ark des Verbonds ingenomen heeft in het nieuwe heiligdom en in deel 6 onderzoeken wij diverse theorieën over het tijdstip waarop de Ark daarna verdwenen is en waar zij gebleven kan zijn, want b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 35:1-5 was de laatste tekst in de TeNaCH, waarin de aanwezigheid van de Ark des Verbonds in de tempel genoemd werd. Ergens tussen 622 vóór de gewone jaartelling, het jaar waarin de Ark nog een centrale plaats in de tempel ingenomen heeft bij de viering van Pesach door koning Yoshiyahu [Josia], en 587, het jaar waarin de tempel verwoest werd toen Nebukadnezar Jeruzalem veroverde, is de Ark op een geheimzinnige wijze verdwenen. Werd het heiligste voorwerp uit de tempel verborgen, meegevoerd of vernietigd?


De Ark in Egypte?
Steven Spielbergs film ‘Indiana Jones and the Raiders of the Lost Ark’ is gebaseerd op de bekende hypothese dat de Ark zich in Egypte zou bevinden in een nog onontdekte tombe. Men beroept zich hiervoor op de historische verovering van Jeruzalem en de meevoering van de tempelschatten door de Faro Shishaq [Sisak]. In de film legt de archeoloog Indiana Jones uit, dat de Farao die Jeruzalem binnenviel de Ark kan hebben meegenomen naar Egypte en hem in Tanis kan hebben verborgen in een geheime kamer, de ‘Put der Zielen’. Ongeveer een jaar na de Farao’s terugkeer in Egypte werd Tanis verzwolgen door de woestijn in een zandstorm die een jaar duurde, weggevaagd door G’ds gramschap! Vervolgens ging Indiana Jones op zoek en vond daadwerkelijk de bedolven stad Tanis en met behulp van de ‘staf van Ra’ uiteindelijk ook de geheime kamer waarin de Ark zich bevond. Tot zover de fictie, maar wat zegt de Bijbel over deze theorie? Het verslag in a ,yklm Melachim alef [1 Koningen] 14:25-26 is vrij beknopt: “Het geschiedde echter in het vijfde jaar van koning Rechav’am [Rechabeam], dat Shishaq [Sisak], de koning van Egypte, optrok tegen Jeruzalem. Hij nam de schatten van het huis van de Eeuwige en van het huis des konings, ja alles nam hij. Ook nam hij al de gouden schilden die Sh’lomo [Salomo] gemaakt had.” In b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 12:1-9 staat de beschrijving van deze gebeurtenis iets uitgebreider: “Toen Rechav’am zijn koninklijke macht stevig gevestigd had en sterk geworden was, verliet hij de Tora van de Eeuwige, en geheel Israël met hem. Daarom geschiedde het in het vijfde jaar van koning Rechav’am, dat Shishaq, de koning van Egypte, optrok tegen Jeruzalem want zij waren ontrouw geworden jegens de Eeuwige. Met twaalfhonderd wagens en zestigduizend ruiters, terwijl het volk, dat met hem uit Egypte kwam, Libiërs, Sukkieten en Ethiopiërs, niet te tellen was. Hij nam de vestingsteden in, die tot Juda behoorden, en drong door tot Jeruzalem. Toen kwam de profeet Sh’maya [Semaja] tot Rechav’am en de oversten van Juda, die wegens de komst van Shishaq te Jeruzalem bijeen waren, en zeide tot hen: Zo zegt de Eeuwige: gij hebt Mij verlaten, nu heb Ik ook u verlaten en gegeven in de macht van Shishaq. Hierop verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: De Eeuwige is rechtvaardig. Toen de Eeuwige zag, dat zij zich verootmoedigd hadden, kwam het woord van de Eeuwige tot Sh’maya: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verdelgen, maar hun spoedig uitredding geven, zodat Mijn toorn zich niet over Jeruzalem zal uitstorten door de hand van Shishaq. Zij zullen hem echter tot knechten zijn, zodat zij Mijn dienst en de dienst van de koninkrijken der landen leren kennen. Shishaq dan, de koning van Egypte, trok op tegen Jeruzalem en nam de schatten van het huis van de Eeuwige en van het huis des konings, alles nam hij. Ook nam hij de gouden schilden die Sh’lomo [Salomo] gemaakt had.” Heeft hij daadwerkelijk alle schatten uit de tempel meegenomen inclusief de Ark? Wie was deze Farao Shishaq eigenlijk? Is het u opgevallen dat de naam Shishaq [Sisak] niet echt Egyptisch klinkt? Dat klopt! Zijn officiële Egyptische naam was immers Sheshonq, maar ook die is niet echt Egyptisch. Deze Farao was namelijk etnisch gezien helemaal geen Egyptenaar. Sheshonq I was een zoon van Berberse immigranten die uit Libië afkomstig waren en zich in Herakleopolis Magna gevestigd hadden. Zijn vader was Nimlot, de hoofdman van de Ma ofwel Meshwesh en zijn moeder was Tentshepeh. Sheshonq I, die ook bekend is onder de Griekse naam Sesonchis, was de stichter van de 22e Egyptische dynastie en kwam als leider van de Libische huurlingen door het uitsterven van de 21e dynastie van Tanis op de troon. Hij was na zijn oom Osochor de tweede Libische heerser op de troon van de Farao’s en regeerde van 945 tot 924 voor de gewone jaartelling. Voordat hij de troon besteeg was hij zowel de opperste bevelhebber van het Egyptische leger alsook de persoonlijke adviseur van zijn voorganger, Psusennes II. De reden van zijn veldtocht tegen het koninkrijk Juda was waarschijnlijk tweeledig: enerzijds kan het een gunstbewijs aan Yerov’am [Jerobeam] geweest zijn, aan wie hij volgens a ,yklm Melachim alef [1 Koningen] 11:40 asiel verleende toen deze voor Sh’lomo moest vluchten en kan anderzijds ook wel tegen de nakomelingen van de 21e dynastie in het huis van Sh’lomo gericht zijn geweest. In a ,yklm Melachim alef [1 Koningen] 3:1 lezen wij immers, dat Sh’lomo zich met de koning van Egypte verzwagerde; hij nam Farao’s dochter tot echtgenote en bracht haar naar Jeruzalem. Hoe dan ook, Shishaq ofwel Sheshonq veroverde Jeruzalem en een groot aantal Judeese vestingsteden en plunderde zowel het koninklijke paleis alsook de tempel. De hiërogliefen op een stèle die hij in Israël bij Tel Megido liet oprichten, bevestigen zijn overwinningen. Ook de vele afbeeldingen van gevangen Judeeërs op de overwinningsstèle van Sheshonq I, een bas-reliëf in de Amon-tempel in Karnak getuigen van deze historische gebeurtenis. Elke geboeide gevangene vertegenwoordigt een veroverde stad, waarvan de naam vermeld staat op een schild. Zowel het bijbelse verslag van de verovering van Jeruzalem en de plundering van de tempel alsook de afbeeldingen op de overwinningsstèle vormen op het eerste gezicht een sluitend bewijs dat ook de gouden verbondskist samen met de overige tempelschatten tot de buit van deze Farao behoord moet hebben. Toch denk ik dat deze theorie niet kan kloppen. Ten eerste zou de Ark toch zeer zeker in dat verhaal vermeld zijn bij de opsomming van de schatten die Sheshonq I naar Egypte meevoerde, zoals destijds ook het geval was toen de Filistijnen de Ark naar Ashdod brachten. Ten tweede zou men zich moeten afvragen hoe de Ark dan ten tijde van Yoshiyahu [Josia] weer in Jeruzalem aanwezig kon zijn als hij naar Egypte was weggevoerd. Oké, er staat weliswaar dat Yoshiyahu [Josia] de Ark weer netjes terug liet zetten in de tempel waaruit we kunnen concluderen dat zij inderdaad een tijdlang weggeweest moet zijn. Maar Egypte? Ik kan mij niet voorstellen dat een Judeese koning het aangedurfd zou hebben om de Ark uit Egypte terug te halen. Daar staat ook nergens iets over vermeld. En ook al zou dat inderdaad het geval geweest zijn, dan nog is de Ark daarna sowieso opnieuw verdwenen. In de daaropvolgende boeken wordt de Verbondskist namelijk niet meer genoemd. Dus blijft de vraag nog steeds overeind: Waar is de Ark gebleven? Wat is ermee gebeurd?
De Ark in Ethiopië?
Volgens de heersende opvattingen zou de Ark zich in Ethiopië bevinden en reeds vele eeuwen in de Kerk ‘Onze Lieve Vrouwe Maria van Zion’ in Axum verblijven. Over de vraag hoe en wanneer de Verbondskist daar terecht gekomen zou zijn bestaan er twee theorieën. In 1992 gaf de voormalige journalist Graham Hancock een boek uit onder de naam ‘The Sign and the Seal: The Quest for the Lost Ark of the Covenant’ over een theorie uit 1963 van professor Menachem Haran, een gerespecteerde Bijbelgeleerde van de Hebreeuwse Universiteit. Deze professor is is van mening dat koning M’nashe [Manasse] van Juda in de zevende eeuw vóór de gewone jaartelling de Ark uit de tempel zou hebben verwijderd en door een beeld van de heidense godin Ashera [Astarte] zou hebben vervangen. Hij baseert zijn theorie op b ,yklm Melachim bet [2 Koningen] 21:4-7. In vers 7 lezen wij inderdaad dat deze slechte koning dit afgodsbeeld in het huis liet plaatsen waarvan de Eeuwige gezegd heeft dat Zijn naam daar zal wonen, maar de Ark wordt daarin niet genoemd en ook niet dat koning M’nashe de Ark zelf liet verwijderen. Toch zijn professor Haran en Graham Hancock ervan overtuigd dat de Ark tijdens de regering van koning M’nashe uit de Tempel verwijderd en daarna weggevoerd zou zijn naar Egypte, waar hij via het eiland Elephantine ten slotte in Axum belandde. Volgens deze theorie zou de Ark des Verbonds namelijk juist vanwege de heidense praktijken van de koning reeds van tevoren door priesters uit de tempel weggehaald en in veiligheid gebracht zijn, eerst naar het Egyptische eiland Elephantine, het huidige Jeb tegenover de stad Aswan, waar een tempel van Joodse ballingen stond, en van daar verder naar Ethiopië. Maar dit blijft alleen een speculatie, want elk bewijs hiervoor ontbreekt. Het probleem met deze theorie is namelijk, dat de Verbondskist in al die Bijbelgedeelten over koning M’nashe nergens wordt genoemd. Deze koning toonde immers na zijn terugkeer uit de ballingschap te Babylon berouw en gooide het afgodsbeeld samen met alle heidense altaren volgens 2 Kron. 33:15 de stad uit. Natuurlijk zou hij als gevolg daarvan onmiddellijk de Ark teruggeplaatst hebben, maar hier wordt geen enkele melding van gemaakt. Graham Hancock beschrijft in zijn boek dus wel een aardige theorie, waarmee echter niets bewezen wordt. Daarom kijken we nu verder naar de tweede hypothese over het verblijf van de Ark in Ethiopië die misschien zelfs nog fascinerender is dan de eerste. Volgens een oude Ethiopische overlevering hadden koning Sh’lomo [Salomo] en de koningin van Sheva [Saba] een gemeenschappelijke zoon, Menelik, die de Ark des Verbonds rond het jaar 1000 vóór de gewone jaartelling gestolen en door een vervalsing zou hebben vervangen. Het geloof dat het Ethiopische Koningshuis afstamt van Sh’lomo wordt in artikel 2 van hun grondwet uit 1955 bevestigt. Daarin staat geschreven: “De Koninklijke waardigheid zal voor alle eeuwigheden afstammen van dezelfde geslachtslijn als die zonder onderbreking van de dynastie van Koning Menelik de Eerste, de zoon van de koningin van Saba [Sheva] en koning Salomo [Sh’lomo] van Jeruzalem afkomstig is.” De Hamburgse emeritus archeologieprofessor Helmut Ziegert is al geruime tijd bezig met het onderzoeken van zowel de historische en legendarische overlevering omtrent de Ark des Verbonds alsook met de opgraving van oude paleisruïnes, die hij toekent aan de koningin van Sheva en haar door Sh’lomo verwekte zoon Melenik, die ook wel Baina Lekhem of Ibna Hakim genoemd wordt. De traditie dat deze vorst de Ark naar Ethiopië gebracht zou hebben, is gebaseerd op een uitvoerig verslag in de Ethiopische ‘Kebra Negest’, het befaamde boek van de ‘Glorie der Koningen’, waarvan men vermoedt dat de oudste versie uit omstreeks 850 vóór de gewone jaartelling moet dateren. In de Kebra Negest vinden een beschrijving van de bouw van de Ark beschreven, die vrijwel geheel overeen komt met die in de Tora. Ook het bezoek van de Ethiopische koningin Makeda, in de TeNaCH ‘koningin van Sheva’ genaamd, aan de Israëlische koning Shl’omo wordt uitvoerig beschreven. Ook dat komt aardig met b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 9:1-12 overeen, maar daar houdt het dan ook mee op. Het bijbelse verslag eindigt met de woorden: “Koning Sh’lomo gaf aan de koningin van Sheva al wat zij begeerde en vroeg, meer dan zij de koning gebracht had. Daarop keerde zij met haar dienaren terug naar haar land.” In de Kebra Negest gaat het verhaal echter verder. Daarin lezen wij, dat koningin Makeda zwanger was toen zij terugkeerde en negen maanden en vijf dagen na haar thuiskomst een zoon ter wereld bracht die zij Baina Lekhem noemde. Toen hij 22 jaar oud was bezocht hij zijn beroemde vader in Jeruzalem. Over dit bezoek vertelt de Kebra Negest in hoofdstuk 32 het volgende: “En Baina Lekhem, de zoon, was knap van uiterlijk. Zijn hele lichaamsbouw en de houding van zijn nek leken op die van koning Salomo.” Volgens dit verslag zou Sh’lomo zo blij geweest zijn met het bezoek van zijn zoon dat hij hem met vorstelijke geschenken overlaadde. Omdat Baina Lekhem echter alleen maar in de Ark geïnteresseerd was, waarvan hij van zijn moeder had gehoord dat de G’d van de Israëlieten zich daarin zou bevinden, gaf hij aan zijn vader de wens te kennen de Ark des Verbonds naar zijn moeder te mogen meenemen. Natuurlijk kon Sh’lomo dit verzoek niet zomaar inwilligen, maar na lang aandringen gaf hij zijn zoon uiteindelijk toch toestemming om de heilige Verbondskist tegen een perfecte replica in te wisselen, die hij dan op de plaats van de originele Ark neer moest zetten in het Heilige der Heiligen. Uiteraard diende dit allemaal in het diepste geheim en zonder zijn officiële medeweten plaats te vinden zodat de priesters in de tempel niets van de verwisseling zouden merken. Volgens hoofdstuk 50 werd de Ark’s nachts uit de tempel gehaald en met oude lappen bedekt op een wagen naar het Ethiopische kamp buiten de stadsmuren van Jeruzalem gebracht. Een week vertrokken zij met de Ark naar huis zonder dat er ook maar iemand in de stad iets door had wat er in het heiligdom met de Ark gebeurd was. Zo zou de Ethiopische vorst Melenik I er volgens de Kebra Negest in geslaagd zijn de Ark uit de tempel in Jeruzalem te verwijderen en over te brengen naar Ethiopië. De Ark zou uiteindelijk in het kerkje van de heilige stad Axum terecht zijn gekomen. Sindsdien wordt een keer per jaar deze met zijdedoeken omhulde kist in een plechtige processie door de stad gedragen. Eerlijk gezegd lijkt deze legende mij weinig geloofwaardig, sterker nog: zij is mijns inziens zelfs volstrekt ondenkbaar! Ten eerste valt te betwijfelen of een replica de Levietische priesters had kunnen misleiden. Ik denk van niet. Ten tweede zou een dergelijke heiligschennis Sh’lomo zeer zeker de troon gekost hebben, want de roof zou zeer zeker op de ene of andere manier opgemerkt zijn. Ten derde zouden de Ethiopiërs het aanraken van de Ark sowieso niet overleefd hebben. Kijk maar wat er met Uza gebeurde. Maar als het niet de Ark des Verbonds is, wat staat er dan in het kerkje van Axum, wat alleen de wachter mag zien, die aangesteld is voor het leven? Wel, in het jaar 1868 was een Armeniër met de naam Dimotheus erin geslaagd een​​ blik op de Ethiopische kist te werpen, maar volgens zijn beschrijving heeft deze weinig gemeen met de bijbelse Ark des Verbonds. Ook professor Edward Ullendorff van de Universiteit van Londen, die gespecialiseerd was in de bestudering van Ethiopië, had het in 1941 gezien, maar het bleek gewoon een lege houten kist te zijn uit de late Middeleeuwen. Vergelijkbare verhalen zijn ​​er overigens ook uit Zimbabwe en Zuid-Afrika. Denk aan King Solomons Mines. Dus ook Ethiopië kunnen we van de lijst schrappen.
De Ark in Rome?
Volgens een andere theorie zou de Ark destijds door de Romeinen naar Rome gebracht zijn en zich nu samen met de andere tempelschatten in de kelders van het Vaticaan bevinden. Na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 na Christus werd ter ere van de veldheer en keizer Titus in Rome een triomfboog gebouwd, waarvan reliëfs de prooi tonen: heel indrukwekkend is de Menora te herkennen, de zevenarmige kandelaar van de tempel. Daarnaast de tafel der toonbroden en twee zilveren trompetten. Geen Ark. Waar is die gebleven? Het reliëf op de Titusboog bij de ingang van het Forum Romanum toont weliswaar de overwinningsoptocht na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, maar de Ark des Verbonds hebben de Romeinen blijkbaar niet veroverd. Er is echter nog een tweede theorie hoe de Ark in Rome terecht zou zijn gekomen, die aansluit bij de vorige theorie over Ethiopië. Dat land stond namelijk een tijd lang onder Italiaans bestuur en men beweert dat de Ark zich niet meer in Axum zou bevinden omdat zij tijdens de Italiaans-Abessijnse oorlog van 1935-1936 door de Italianen geroofd vervolgens en naar Rome zou zijn meegenomen. Tot nu toe heeft echter nog niemand deze theorie kunnen bevestigen en ook de vertegenwoordigers van het Vaticaan zwijgen als een graf.
De Ark in Babylon?
Sommigen zijn van mening, dat de Ark door Nebukadnessar naar Babylon meegevoerd zou zijn na de verovering van Jeruzalem. Deze theorie is gebaseerd op de volgende bijbelse verslagen: “Y’hoyachin [Jojakin] was achttien jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. Zijn moeder heette N’chush’ta [Nechusta]; zij was een dochter van El’natan uit Jeruzalem. Hij deed wat kwaad is in de ogen van de Eeuwige, geheel zoals zijn vader gedaan had. Te dien tijde trokken de knechten van N’vuchad’netzar [Nebukadnessar], de koning van Bavel, tegen Jeruzalem op; en de stad werd belegerd. N’vuchad’netzar, de koning van Bavel, kwam zelf voor de stad, terwijl zijn knechten haar belegerden. Toen ging Y’hoyachin, de koning van Y’huda [Juda], uit tot de koning van Bavel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. En de koning van Bavel nam hem gevangen, in het achtste jaar van zijn regering. Hij voerde vandaar weg al de schatten van het huis des Heren en die van het koninklijk paleis; en van alles wat Sh’lomo, de koning van Israël, gemaakt had in de tempel van de Eeuwige, haalde hij het goud af, zoals de Eeuwige gesproken had.” (b ,yklm Melachim bet [2 Koningen] 24:8-13) en: “Y’hoyachin was achttien jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem. Hij deed wat kwaad is in de ogen van de Eeuwige. In het daarop volgende jaar liet koning N’vuchad’netzar hem naar Bavel brengen met het kostbare gerei van het huis van de Eeuwige.” (b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 36:9-10). Hieruit zou men kunnen opmaken, dat de gouden Verbondskist inderdaad tot de schatten en het kostbare gerei uit het huis van de Eeuwige behoord zou hebben, die naar Bavel werden meegevoerd, maar dat hoeft niet zo te zijn, want niet alles werd toen meegenomen. Een deel daarvan bleef namelijk nog in de tempel tot de heilige stad nogmaals veroverd en deze keer definitief verwoest werd. Dat lezen wij in de volgende twee verslagen: “En de koning van Bavel maakte Y’hoyachin’s oom Matan’ya [Mattanja] koning in zijn plaats en veranderde diens naam in Tzid’qiyahu [Sedekia]. Tzid’qiyahu was eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde elf jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal; zij was een dochter van Yir’m’yahu [Jirmeja] uit Liv’na. Hij deed wat kwaad is in de ogen van de Eeuwige, geheel zoals Y’hoyaqim [Jojakim] gedaan had. Zo kwam het door de toorn van de Eeuwige zover met Jeruzalem en Juda, dat Hij hen van zijn aangezicht verwierp. Tzid’qiyahu nu kwam in opstand tegen de koning van Bavel. In het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, rukte N’vuchad’netzar, de koning van Bavel, zelf met zijn gehele leger tegen Jeruzalem op en sloeg het beleg erom, en zij bouwden er een belegeringswal omheen. Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Tzid’qiyahu. Op de negende van de vierde maand, toen de hongersnood in de stad zwaar geworden was en er geen brood meer was voor het volk des lands, werd een bres in de stadsmuur geslagen; en al de krijgslieden vluchtten des nachts door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin (de Chaldeeën nu lagen rondom tegen de stad), en sloegen de weg in naar de Vlakte. Maar het leger der Chaldeeën zette de koning na en achterhaalde hem in de vlakte van Yericho; zijn gehele leger werd van hem gescheiden en verstrooid. Zij grepen de koning, brachten hem naar de koning van Bavel te Riv’la, en men velde vonnis over hem: de zonen van Tzid’qiyahu bracht men voor diens ogen ter dood; en hij liet de ogen van Tzid’qiyahu verblinden en hem met twee koperen ketenen binden; en men bracht hem naar Bavel. Daarna, in de vijfde maand, op de zevende van de maand (dat was het negentiende jaar van koning N’vuchad’netzar, de koning van Bavel) kwam N’vuzadaran, de bevelhebber van de lijfwacht, de dienaar van de koning van Bavel, te Jeruzalem, en verbrandde het huis van de Eeuwige en het koninklijk paleis; alle huizen in Jeruzalem, althans alle huizen der aanzienlijken, verbrandde hij met vuur. En het leger der Chaldeeën, dat met de bevelhebber van de lijfwacht was, haalde gezamenlijk de muren rondom Jeruzalem neer. De rest van het volk, die in de stad nog was overgebleven, en de overlopers die naar de koning van Bavel overgelopen waren, de rest van de menigte voerde N’vuzadaran, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap. Slechts enige van de armen van het land liet de bevelhebber van de lijfwacht achterblijven als wijngaardeniers en als landbouwers. Voorts braken de Chaldeeën de koperen zuilen die in het huis van de Eeuwige waren, aan stukken, alsmede de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de Eeuwige waren; en zij voerden het koper daarvan naar Bavel. Ook de potten, de scheppen, de messen, de schalen en al het koperen gereedschap, waarmede men de dienst verrichtte, namen zij mee. En de vuurpannen, de sprengbekkens, al wat van goud en van zilver was, nam de bevelhebber van de lijfwacht mee.” (b ,yklm Melachim bet [2 Koningen] 24:17-25:15). “En hij maakte zijn bloedverwant Tzid’qiyahu koning over Juda en Jeruzalem. Tzid’qiyahu was eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Hij deed wat kwaad is in de ogen van de Eeuwige, zijn G’d. Hij verootmoedigde zich niet voor de profeet Yir’m’yahu [Jeremia], die in opdracht van de Eeuwige sprak. Ook kwam hij in opstand tegen koning N’vuchad’netzar, die hem bij G’d een eed had doen afleggen; hij verhardde zijn nek en verstokte zijn hart, zodat hij zich niet bekeerde tot de Eeuwige, de G’d van Israël. Eveneens maakten al de oversten van de priesters en het volk zich voortdurend aan ontrouw schuldig, naar al de gruwelen der volken; zij maakten het huis van de Eeuwige onrein, dat Hij in Jeruzalem geheiligd had. De Eeuwige, de G’d hunner vaderen, zond wel Zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over Zijn volk en Zijn woning, Maar zij bespotten de boden G’ds, verachtten Zijn woorden en hoonden Zijn profeten, totdat de gramschap van de Eeuwige zich zozeer tegen Zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was. Hij deed de koning der Chaldeeën tegen hen optrekken, deze doodde hun jongelingen met het zwaard in hun heiligdom, en hij spaarde jongeling noch maagd, oude noch grijsaard; alles gaf Hij in zijn macht. Al het gerei van het huis G’ds, het grote en het kleine, de schatten van het huis van de Eeuwige en de schatten van de koning en van zijn vorsten, alles bracht hij naar Bavel. Zij verbrandden het huis G’ds en braken de muur van Jeruzalem af; al zijn paleizen verbrandden zij met vuur en alle kostbaarheden vernietigden zij.” (b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 36:10-19). Is de Ark dus toch bij de Babyloniërs? In 598, 597 en 587-586 v. Chr. werd Jeruzalem door N’vuchad’netzar ingenomen, de tempel verwoest en niet nader genoemde heilige voorwerpen uit het Huis van de Eeuwige meegevoerd. Bevond de Ark des Verbonds zich ook onder de schatten? Daarover is niets bekend. De beide geciteerde verslagen maken in elk geval geen melding van de Ark. Ook in de nauwkeurige opsomming van de tempelinventaris bij de terugkeer uit de Babylonische ballingschap staat de Ark niet vermeld. Toen Cyrus de Grote, in het Hebreeuws Koresh genaamd, de Israëlieten toestond dat ze naar hun eigen land terugkeerden, liet hij de heilige tempelvoorwerpen inventariseren voordat ze teruggegeven werden aan Shesh’batzar [Sesbazzar], de prins van Juda, zoals wij in arzi Ezra 1:7-11 kunnen lezen: “Ook liet koning Koresh het gerei van het huis van de Eeuwige, dat N’vuchad’netzar uit Jeruzalem had weggevoerd en in de tempels van zijn goden had geplaatst, te voorschijn brengen. Kores, de koning van Perzië, liet het tevoorschijn brengen onder toezicht van Mitredat, de schatmeester, en deze telde het uit voor Shesh’batzar, de vorst van Yehuda [Juda]. Dit was hun aantal: dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen, dertig gouden bekers, verder vierhonderd en tien zilveren bekers, duizend andere voorwerpen. Alle voorwerpen van goud en zilver waren vijfduizend vierhonderd. Dit alles voerde Shesh’batzar mede, toen de ballingen uit Bavel naar Jeruzalem werden gebracht.” Dit is een weliswaar een nauwkeurige opsomming, maar toch ook hier: ijzige stilte over de Ark. Nergens in deze lange inventarislijst zien we de vermelding van de Ark. Dat roept twee vragen op: werd zij samen met de tempel vernietigd, of was zij daarvoor al niet meer op haar plek? Wij mogen er wel van uit gaan, dat het tweede het geval is en daarom gaan we verder in onze speurtocht.
De Ark in Jeruzalem?
Speciale aandacht is er bij alle speculatie natuurlijk voor de Tempelberg, de bijbelse berg Moria. Werd de Ark in een ondergronds grottenstelsel verborgen? Volgens diverse Talmudische en Midrashbronnen werd het heilige voorwerp, voordat de Babylonische plunderaars het heilige der heiligen binnendrongen, in een geheime ruimte onder de tempelberg verborgen. In amvy Yoma 53b-54a staat, dat Yoshiyahu [Josia] de Ark verborgen heeft ‘op zijn plaats’. Waar dat is staat er niet bij vermeld. De bekende middeleeuwse Joodse schriftgeleerde Maimonides, die met alle rabbijnse bronnen over de Ark vertrouwd was, schreef over dit onderwerp in zijn monumentale werk, de Mishnei Tora, het volgende: “Toen Sh’lomo de tempel bouwde, hield hij er rekening mee dat deze eens vernietigd zou worden. Daarom liet hij een kamer in de diepe doolhofachtige gewelven onder het tempelcomplex bouwen, waarin de Ark verborgen kon worden. Yoshiyahu haMelech [koning Josia] heeft de Ark in de kamer laten neerzetten die door Sh’lomo was gebouwd, zoals in 2 Kronieken 35:3 staat geschreven: ‘Ook zeide hij tot de Levieten, die aan geheel Israël onderwijs gaven en de Eeuwige heilig waren: Zet de heilige Ark in de kamer die Sh’lomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft.’ Toen de Ark daar werd verborgen, werden de staf van Aharon, het kruikje manna en de zalfolie mede verborgen. Al deze heilige voorwerpen keerden niet meer teug in de tweede Tempel.” (Yad Hilchot Beit haB’hira 4:1). Maimonides gaf hier een eigen interpretatie van de bijbeltekst, want hij verving het oorspronkelijke woord ‘huis’ door ‘kamer’. Desondanks zijn velen ervan overtuigd, dat de Ark zich ergens onder de tempelberg moet bevinden en gingen daar op zoek. Een van hen was de Engelse edelman Montagu Brownlow Parker, graaf van Morley, die in 1911 een tunnel wilde graven in het binnenste van de tempelberg. Dit moest natuurlijk in het diepste geheim plaatsvinden, want de islamitische beheerders van de Rotskoepel maakten uiteraard officiële opgravingen onmogelijk. Daarom ging Parker op gewaagde wijze aan het werk om zijn doel te bereiken: Hij kocht een van de Arabische bewakers om en ging met een aantal helpers in de Rotskoepel aan het werk om in het ondergrondse tunnelsysteem te komen. Maar al snel werd de aandacht van een andere Arabier getrokken door de vreemde geluiden die uit het binnenste van het heiligdom kwamen. Omdat hij de indringers voor boze geesten hield, liep hij eerst hals over kop weg voordat hij alarm sloeg. Dit stelde Parker en zijn team in de gelegenheid om op een haar na de Rotskoepel te verlaten en via de haven van Yafo [Jaffa] ook razendsnel het land! Er werd erover gespeculeerd of de mannen de Ark gevonden en meegenomen hadden. Dit is echter, gezien de razendsnelle vlucht, onwaarschijnlijk. Een andere Engelse onderzoeker van de tempelberg was Charles Warren, de Londense politie-inspecteur die de seriemoordenaar ‘Jack the Ripper’ op het spoor was. In 1867 bracht hij de tunnels onder de tempelberg in kaart. Toen hij zich met de verwijdering van een stenen plaat bezighield om de binnenkant van de Rotskoepel te kunnen verkennen was ook hij zich zeer bewust van het enorme risico dat hij daarbij liep. Daarom deden twee met hem bevriende Engelse dames ondertussen hun uiterste best, de wachter af te leiden. Ook Charles Warren heeft de verborgen Ark niet gevonden, maar zijn kaarten van de tunnelsysteem vormen vandaag nog steeds de basis van al het onderzoek op de Tempelberg. Een Amerikaanse amateur-archeoloog beweerde vele jaren later de Ark des Verbonds met eigen ogen gezien te hebben: Ron Wyatt. Hij beweerde een geheime tunnel ontdekt te hebben, die hem voerde naar de Ark in een verborgen grot precies onder de door hem ‘gevonden’ plek waar het kruis gestaan zou hebben, waaraan Yeshua gestorven is. Onder de grond zou een holle steen geweest zijn waarin het kruis rechtop gezet was. Volgens hem liep er dwars door de grot een enorme spleet omdat de aarde beefde nadat Yeshua aan het kruis stierf. Ook beweerde Ron Wyatt, het bloed van Yeshua dwars door een rotsspleet naar beneden droop en precies op het verzoendeksel terecht zou zijn gekomen. De meeste erkende archeologen, waaronder de Israëlische archeoloog Joe Zias alsook de IAA (Israel Antiquities Authority) verwerpen echter deze bewering van Ron Wyatt. Op de vragen naar bewijzen van zijn opzienbarende ontdekkingen gaf hij het antwoord, dat G’d hem daarvoor geen toestemming gegeven zou hebben omdat de tijd daarvoor nog niet aangebroken is. Dus ook daarmee zijn we op onze speurtocht naar de Ark nog niet veel verder gekomen. Er bestaat ook nog een ander bezwaar tegen de stelling dat de Ark ooit in een geheime gangenstelsel onder de tempelberg in veiligheid gebracht zou zijn, namelijk omdat daar juist altijd al grondig werd gezocht, zeker als men bedenkt welke grote renovaties koning Herodes heeft voltrokken op de tempelberg. Toen de oppervlakte van het plateau meer dan verdubbeld werd, zouden uitgebreide grondwerken toch zeer zeker aan het licht gebracht hebben wat er daarin verborgen was. Dan was er ook nog de verwoesting door de Romeinen en de bouw van de islamitische heiligdommen in de 7e eeuw. Hij lijkt mij moeilijk te geloven dat de Ark dan nog ergens in een geheime tunnel verborgen gebleven zou zijn. Op z’n laatst zouden de kruisvaarders de Ark dan toch gevonden moeten hebben en juist dat wordt door sommigen inderdaad gesuggereerd.
De Ark in Frankrijk?
Het is bekend dat de Tempeliers tijdens de kruistochten ongeveer 1000 jaar geleden naar de Ark des Verbonds hadden gezocht, want ook zij geloofden dat deze diep onder de tempelberg verborgen zou zijn. Tobias Daniel Wabbel schreef in zijn boek “De schat van de Tempeliers”, dat de Tempeliers in het geheim opgravingen onder de tempelberg deden en de schuilplaats van de Ark daar ook daadwerkelijk gevonden zouden hebben. Deze zouden ze dan mee naar Europa hebben genomen en uiteindelijk verborgen in de kathedraal van Laon in Noord-Frankrijk waar ze tot op heden begraven zou zijn. Een bewijs daarvoor kan hij echter niet leveren.
De Ark in Jordanië?
Waar zou de Ark verder nog kunnen zijn? Het antwoord op deze vraag vinden wij in één van de deuterokanonieke bijbelboeken. Volgens het tweede boek van de Makkabeeën ligt de verloren Ark des Verbonds ergens diep in de grotten die zich onder de berg Nebo in Jordanië bevinden: “Zoals hierboven is beschreven, namen de ballingen vuur mee. Volgens de annalen was het de profeet Yir’m’yahu [Jeremia] die hun dat opdroeg. Daar staat ook dat hij hun de wet van Moshe [Mozes] meegaf en hun voorhield dat ze de geboden van de Eeuwige niet mochten vergeten en zich niet tot andere gedachten moesten laten verleiden door de fraai opgetuigde gouden en zilveren beelden die ze te zien zouden krijgen. Met deze en andere waarschuwingen riep hij hen op de Tora niet uit hun hart te bannen. In datzelfde geschrift is te lezen hoe de profeet na een g’ddelijke ingeving opdracht gaf om de tent en de Ark achter hem aan te dragen en hoe hij de berg op ging waar Moshe G’ds land had zien liggen. Daar aangekomen ontdekte hij een grot. Hij liet de tent, de Ark en het reukofferaltaar naar binnen brengen en sloot de toegang af. Enkelen van hen die hem hadden vergezeld, gingen later terug om de weg met tekens te markeren, maar ze konden de grot niet meer vinden. Toen Yir’m’yahu [Jeremia] dit te horen kreeg, zei hij verwijtend: Die plek zal onbekend blijven totdat G’d Zijn volk weer samenbrengt en Zich erover ontfermt. Dan zal de Eeuwige deze voorwerpen weer tevoorschijn brengen, en Zijn majesteit zal verschijnen in de wolk die ook zichtbaar was in de tijd van Moshe, en ook later, toen Sh’lomo [Salomo] bad dat de Eeuwige de tempel op grootse wijze in bezit zou nemen.” (b ,ybkm Makabim bet [2 Makkabeeën] 2:1-8). Deze tekst zegt dus over de profeet Yir’m’yahu [Jeremia], dat hij na een g’dsspraak ontvangen te hebben beval, dat de tabernakel en de Ark met hem mee moesten gaan naar de berg die Moshe [Mozes] bestegen had en vanwaar hij het erfdeel van G’d had aanschouwd. Dat is dus de berg Nebo in Jordanië. Toen Jeremia daar kwam ontdekte hij een grotwoning. De tabernakel, de Ark en het reukofferaltaar bracht hij daar naar binnen en de toegang versperde hij. Toen enige van zijn metgezellen later daarheen gingen om de weg door herkenningstekens aan te geven konden zij de plaats niet meer vinden. Zodra Yir’m’yahu dit bemerkte, berispte hij hen met de woorden: “Deze plaats zal onbekend zijn totdat G’d Zijn volk weer bijeenvergadert en barmhartigheid geschiedt. Dan zal de Eeuwige deze dingen weer aan het licht brengen en de heerlijkheid van de Eeuwige zal verschijnen en ook de wolk, zoals hij zichtbaar was ten tijde van Moshe, en toen Sh’lomo bad dat de plaats bijzonder geheiligd zou worden.” Yir’m’yahu [Jeremia] had als profeet namens de Eeuwige de verwoesting van Jeruzalem al van tevoren voorspeld. Natuurlijk heeft hij met deze voorkennis alvast samen met enkele priesters en Levieten de Ark op tijd in veiligheid gebracht. De Bijbel geeft aan dat de Babylonische veroveraars de opperpriester S’raya [Seraja], de tweede priester Tzefan’yahu [Sefanja] en de drie dorpelwachters in eerste instantie gevangen genomen hadden en pas later ter dood gebracht hadden (b ,yklm Melachim bet [2 Koningen] 25:18-21). Wilden zij van hen te weten komen waar de schuilplaats van de Ark was? Hebben deze g’dvrezende priesters en Levieten hun geheim tot in de dood bewaard? Dat lijkt mij zeer aannemelijk. De eerste poging om de geheime schuilplaats te vinden werd gemaakt door de in Australië geboren ontdekkingsreiziger Antonia Frederick Futterer, die in de jaren ’20 van de vorige eeuw door het Heilige Land toerde en op de berg Nebo naar de Ark van het Verbond zocht. Het leven van Antonia Frederick Futterer is van het soort waarvan Hollywood-films vaak gemaakt zijn. Als onvermoeibare avonturier en vrome christen reisde hij de wereld rond om het evangelie te verkondigen en naar religieuze voorwerpen te zoeken. Hij bestudeerde de piramides in Egypte en deed opgravingen op zoek naar de verloren Ark des Verbonds in Jordanië. In 1924 richtte Futterer de Bible Knowledge Society op in Edendale, aan de oostelijke kant van Hollywood. Twee jaar later ging hij op zijn eerste pelgrimstocht naar het Heilige Land op zoek naar de Ark des Verbonds, de gouden kist die verondersteld wordt de originele tabletten van de Tien Geboden te bevatten. Op zijn zoektocht ontmoette Futterer Henry Ford en de sheik van Nebo en raakte met hen bevriend. Op een zekere dag beweerde Futterer een geheime doorgang naar de berg Nebo te hebben gevonden. Zoals Indiana Jones, werd Futterer door een touw neergelaten in een grot onder de berg Nebo in het huidige Jordanië, maar hij vond niet de Ark, maar een muur met voorchristelijke petroglieven. Op een stenen tablet zou hij het volgende opschrift gelezen hebben: “Hier ligt de Gouden Ark van het Verbond.” Echter, nadat hij werd gevraagd om zijn bewering te bewijzen en de inscriptie aan anderen te laten zien, kon Futterer ze niet meer vinden. Op de ene of andere manier verdween het verhaal in de lucht. Tientallen jaren later ging de Amerikaan Tom Crotser in de voetsporen van Futterer eveneens op zoektocht naar de Ark bij de berg Nebo en maakte daarvoor gebruik van Futterers beschrijvingen en tekeningen. In de nacht van 30 op 31 Oktober 1981 maakte Crotsers team na het verwijderen van een opstakel een ademberovende ontdekking: voor hen lag een ruim tweehonderd meter lange gang. Aan het einde daarvan sloopten ze een paar muren weg totdat ze een crypte ontdekten. Daarin stond een kist, die leek te passen bij de beschrijving van de Ark. Crotser ging de kist echter niet verder onderzoeken en raakte ze niet eens aan (misschien omdat hij bang was dat hij dan zou sterven net als Uzia), maar maakte slechts een paar onduidelijke foto's. De foto’s die Crotser en zijn team hebben gemaakt, kreeg sindsdien bijna niemand te zien. De archeoloog Siegfried H. Horn was één van de weinigen, maar volgens zijn opinie komt het gefotografeerde object niet helemaal overeen met de bijbelse beschrijving van de Ark. Of de Ark des Verbonds nu daadwerkelijk nog steeds bewaard is gebleven in de berg Nebo kon dus niet bevestigd worden en zou alleen door grondig onderzoek verduidelijkt worden. Sinds 1981 werden er echter geen verdere pogingen gedaan om in het gebied rond de berg Nebo naar de Ark te zoeken, want voor zover ik begrepen heb heeft Tom Crotser de door hem gevonden locatie om welke reden dan ook aan niemand doorgegeven. Dat is maar goed ook, want de profeet Yir’m’yahu [Jeremia] heeft immers gezegd dat deze plek onbekend moet blijven totdat G’d Zijn volk weer bijeenvergadert en Zich erover ontfermt. Over de tijd totdat het zover is profeteerde hij derhalve: “Als gij u dan vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land in die dagen, luidt het woord van de Eeuwige, dan zal men niet meer spreken over de Ark van het Verbond met de Eeuwige; zij zal niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet zoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden.” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 3:16). Waarom zal de Ark niet weder gemaakt worden? Omdat het niet nodig is een nieuwe Ark te bouwen als de oude nog steeds bestaat. Dus wat dat betreft spreekt deze profeet zichzelf niet tegen. Het Tempelinstituut in Jeruzalem, dat de voorwerpen voor de toekomstige tempel heeft vervaardigd, heeft om deze reden geen Ark des Verbonds gemaakt. Dat vinden zij niet nodig omdat zij ervan uitgaan dat de Ark inderdaad eens teruggevonden zal worden. Tot die tijd zal de Ark onder de berg Nebo verborgen blijven totdat de Eeuwige Zijn volk verzamelt en hem Zijn genade toont. Dan zal de Eeuwige deze dingen weer openbaren en de Glorie van de Eeuwige zal gezien worden en ook de wolk van Zijn heerlijkheid: “En de zevende engel blies de Shofar en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Adonai en aan Zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden. En de vierentwintig oudsten, die voor G’d op hun tronen gezeten waren, wierpen zich op hun aangezicht en aanbaden G’d, zeggende: Wij danken U, Eeuwige G’d, Almachtige, die is en die was, dat Gij Uw grote macht hebt opgenomen en het koningschap hebt aanvaard; en de volkeren waren toornig geworden, maar Uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan Uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die Uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven. En de tempel G’ds, die in de hemel is, ging open en de Ark van Zijn Verbond werd zichtbaar in Zijn tempel, en er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen en aardbeving en zware hagel!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 11:16-19). Amen!
Werner Stauder




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina