7 Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus



Dovnload 85.49 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte85.49 Kb.
Efeze 4:7-16
7 Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.

8 Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gege­ven.

9 Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is neergedaald in de nederste delen der aarde?

10 Die neergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.

11 En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommi­gen tot herders en leraars;

12 Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bedie­ning, tot opbouwing van het lichaam van Christus;

13 Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van de Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de maat van de grootte der volheid van Christus;

14 Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met alle wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listig tot dwaling te brengen;

15 Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus;

16 Uit Wie het gehele lichaam, bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van een ieder deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot opbouwing van zichzelf in de liefde.
2.

8. 'Gaven, tot der mensen troost'

Efeze 4:7-16


Over de eenheid van de gemeente, een gemeente als één samen­han­gend geheel heeft de apostel geschreven in het voorgaande (Efeze 4:3vv). In de verzen 7 en volgende gaat hij daarop door, maar op een manier die wij wellicht niet direct zouden verwachten.
Als wij opgeroepen worden om één te zijn met elkaar, denken wij maar al te vaak, dat wij identiek moeten zijn aan elkaar. In Efeze 4 wordt ons evenwel niet geleerd, dat wij een kopie van de ander moeten zien te worden. Integendeel, elke gelovige heeft iets eigens, iets dat God hem gaf. En het is juist dat unieke dat hij inbrengt en dat zijn bijdrage mag zijn aan de eenheid van de gemeen­te.
Eenheid is niet het­zelfde als kleurlo­ze uniformi­teit. Chris­tus' ge­meente is geen grauwe massa van bleekneuzen die in alle opzichten verwisselbaar zijn met elkaar, maar een gemeen­schap van mensen die stuk voor stuk uniek zijn, een veelvor­mig ge-heel, rijk gescha­keerd en divers.
Deze eigenheid van elke gelovige is meer dan dat hij een eigen persoon­lijkheid is, met een eigen karakter, met eigen talenten en een specifieke aanleg. Het houdt in, dat hij uit de volheid van Gods genadegaven in Christus het nodige gekregen heeft,dat speciaal voor hem is en waarmee hij dienen mag in Gods gemeen­te.
'De kerker werd Uw buit, o Heer'
Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus (vs.7).

Het is een wonder, als iemand tot geloof komt en door Gods reddende genade aan het verderf wordt ont­rukt (vgl.­Ef.2:­5, 8). Dat is de grootste genade. Het is genade om genade te mogen ontvan­gen.


Maar met deze genade ontvangt iedere gelovige voor zich ook altijd gena­degaven, bekwaamheden of 'charis­mata', gaven van de Geest waardoor hij in staat gesteld wordt tot het vervullen van één of meer­dere taken. Het zijn niet alleen leidinggeven­den in de gemeente van wie dit gezegd mag worden. Het geldt van ieder lidmaat die een band van geloof aan Chris­tus heeft.

Soms zijn deze gaven er in het verborgene. Niet altijd zien wij de dingen die ons van God geschonken zijn. Maar juist dan komt het erop aan, dat wij die biddend proberen te ontdek­ken. 'Hee­re, laat ook mij zien, wat ik van U heb gekregen om er U mee te dienen en om mijn naaste daarmee tot zegen te zijn.'


Een gemeente is - als het goed is - een 'charismatische' ge­meente. Aan ieder van ons - aldus vers 7 van Efeze 4 - is de genade geschonken overeenkomstig de maat waarmee Christus hem

3.
op soe­vereine wijze daar­mee wil bedelen: gaven van de Geest in al hun ver­schei­denheid. Paulus sluit zichzelf in: elkeen van óns. Ook hij heeft immers een bijzondere genade gekre­gen, de genade van het apostel­schap. 1.


En waar komen dan nu al die gaven vandaan? Gaat het hier over eigenschappen van de mens die opwellen uit zijn natuur of aanleg? Of zijn het gaven die aangereikt worden door gemeente-op­bouw­werkers die een gemeente actief maken? Nee, het zijn ten diepste gaven van omhoog, ge­schenken van de ver­hoog­de Chris­tus. Ze worden ons door Gods Geest geschonken samen met de genade van het geloof. Houdt uw handen maar op.
Als de apostel Paulus ons naar die bron van hemelse zegeningen verwijst, gaat er een psalm in hem zingen. Daarom zegt Hij 2.: Als Hij opge­varen is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis ge- van­gen geno­men, en heeft de mensen gaven gege­ven (vs.8). 3. Dit is een mach­tig woord uit Psalm 68:19. Daarin bezingt de dich­ter de tri­omftocht van Isrels God, opgaande naar Sion na het verslaan van de vijan­den van Israël. Hij heeft gevangenen buitgemaakt. En Zijn volk is er goed mee. Want uit wat Hij Zich verworven heeft, deelt Hij uit aan Zijn volk. 4. Onwille­keurig denken we een ogenblik ook aan David die de ark naar Jeruzalem opvoerde en aan het volk gaven uitdeelde: brood, vlees en wijn.
Van het heilrijke handelen nu van de God van Psalm 68 stapt Paulus over op Christus en op wat Hij gedaan heeft. 'De voor­naam­ste triomf die God ooit gehouden heeft' (J.Calvijn, a.w., blz.55). De ten hemel gevaren Chris­tus heeft immers ook al Zijn vijanden achter Zijn zegewagen gekregen. En uit Zijn buit deelt Hij uit aan al Zijn volk: Zijn Geest en de gaven van Zijn Geest.

Pinksterzegen

In de Joodse liturgie is oudtijds reeds Psalm 68 gelezen met het oog op het Pinksterfeest. God deelt geschenken uit aan Zijn volk. God gaf uit Zijn volheid aan Israël de Thora. 5.


Ook Paulus hoort Pinkster­klanken in Psalm 68: Christus Die bij Zijn verho­ging de Geest in ont­vangst neemt en uit Zijn vol­heid aan Zijn ge­meente de gaven van die Geest uitdeelt.
Krijgsgevang'nen meegenomen,

In Zijn hemelvaart: een feest.

Naar ons toe is Hij gekomen

Met de gaven van Zijn Geest.


Alles wat zich in de gemeente aan gaven openbaart, komt dus weg uit de handen van de grote Overwinnaar Jezus Christus. Hij heeft geen lege handen. Hij heeft heel wat weg te geven.

4.
Maar wat Hij uitdeelt, heeft Hij eerst veroverd. Het is vrucht van Zijn strijd en overwinning op de aarde. Hij is immers eerst naar het strijd­toneel van deze aarde afgeda­ald, toen Hij vlees werd. En in deze verne­dering heeft Hij alle machten van zonde, dood, satan en hel overwonnen. Christus' hemelvaart kan niet los worden gezien van Zijn nederdaling naar onze laag­vlakten waardoor Hij Zich een buit heeft verworven, die een hemel­se bron van zegenin­gen voor al de Zijnen is.


Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst 6. is neergedaald in de nederste delen der aarde? (vs.9). Die neergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou (vs.10). 7.

Hij is opgevaren, hoog boven al de heme­len, boven wolken- en sterrenhemelen. Maar niet dan nadat Hij eerst is neergedaald naar de aarde in zijn diepste diepten. Hij is dus niet maar in ruimte­lijke zin naar beneden gekomen. Hij is vooral 'verne­derd tot in de aller­diepste ver­smaad­heid en angst der hel naar lichaam en ziel aan het hout van het kruis' (Avond­maals­formu­lier). Dat is dieper dan zich laat inden­ken. Hij is ingedaald in al onze zonden en ellen­den en heeft Zich vernederd tot in de Godver­latenheid. Dat heet incarna­tie als totale zelfont­le­diging.


Maar - en daar gaat het ons nu vooral om - dat alles heeft heel wat opgeleverd. Christus heeft in die weg Zijn overwin­ning op alle machten in het stri­jd­perk van ons leven behaald. En zo kan Hij ons dan ook uit Zijn buit in over­vloed toedelen wat wij nodig heb­ben. Houdt uw handen maar op! Hij is opper­best bekend met al uw angsten en noden, met al uw behoeften.8.
Want de Nedergedaalde is Dezelfde ook als de Opgevarene, opge­varen als Hij is ver boven al de hemelen. Hij zit thans aan de rechterhand van Zijn hemel­se Vader,in volle glorie en vervult als de Heere van de ganse kosmos alle dingen. Opdat Hij alle dingen vervul­len zou (vers 10). 9.
Het is deze Heere aan Wie alle dingen onderworpen zijn, Die 'alles zegenrijk doordringt met zijn heerschappij.' (A.van Roon, a.w. blz.105), Die Zich in alles wat bestaat Heer' en Mees­ter toont, tegen Wie in princi­pe niemand is opgewassen, zelfs de meest wederspannigen niet. Als zulk een Machtheb­ber begif­tigt Hij dan in het bijzon­der Zijn ge­meente met Zijn Geest en maakt haar met Zijn gees­te­lijke zegeningen vol.
Wat dit alles inhoudt, gaat de apostel dan vervolgens uitleg­gen in de volgen­de verzen. Daarin somt hij een reeks gaven op, die uit de handen van deze hemelse Christus aan de gemeente gegeven zijn: apostelen, profe­ten, evangelisten, herders en leraars.'Hij' staat met nadruk voorop. Paulus noemt hier in het bijzonder die gaven die uit de buit van de hemelse Chris­

5.
tus aan de gemeen­te geschonken zijn en waardoor die gemeente funda­men­teel en structu­reel wordt ge­bouwd.

Er zijn veel meer gaven dan die. Maar deze mogen toch wel als eerste genoemd worden. 10.
Zij worden uit het geheel van gaven naar voren ge­haald, omdat zij niet in te wisselen zijn voor andere. Ze vervullen in het lichaam van de gemeente ook een functie als die van het hart en van de lon­gen in het menselijk lichaam.
Tot toerusting der heiligen
En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars (vs.11). Uit de verhoogde Christus ont­vangt de gemeente dus een verscheidenheid aan dienstverleners, te weten (letterijk): zowel de apostelen, alsook de profeten, alsook de evan­gelis­ten, alsook de herders en leraars. 11. Deze verschei­denheid is voor de opbouw van de gemeente onmisbaar zoals een verscheidenheid van tonen voor een symfonie onmis­baar is.
Letten we er vooral ook op, dat de apostel hier spreekt over gaven van de verhoogde Christus. Hij geeft geen privé mening over een mogelijke kerkordestructuur. Hij noemt apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars ook niet een prach­tige uitvinding van de gemeente. Met andere woorden: niet al- leen hun functioneren, maar ook hun in- en aanstelling door Christus krijgt alle aandacht. Daarom mogen we zeggen, dat met dit alles een gemeentestructuur is gegeven die voor het gebin­te van de kerk der eeuwen van fundamen­teel belang is geble­ken.

Op deze wijze wordt kennelijk de gemeente van Christus op aar-de bediend. Wij hebben ons in deze gelederen te voegen. J.Cal­vijn vindt het hoogmoed te menen, dat het genoeg is om thuis de Schrift te lezen en dat men dus 'de gemene dienst der ge- meente niet behoeft.' Hij vindt het ook razernij te denken, dat 'deze dienst ons onnut is, zodra wij tot Christus zijn ge­bracht' (a.w., blz.61, 62). Ze is blijvend voor ons nodig. De gemeente van Christus op de aarde is geen zelfbedie­ningszaak waarin ieder zichzelf en de ander bedient, zoals dat hem of haar uitkomt.

Christus' gemeente behoeft leidingge­venden waardoor Chris­tus van bovenaf wordt gerepresen­teerd. Zij zijn de richting­wij­zers van de kerk.
Allereerst dan de apostelen. 12. Zij gaan voorop in al de opsommingen van gaven in Paulus' brieven. Het zijn de fundament­leggers van de kerk. Bedoeld zijn de direct door Christus gezondenen, wier boodschap hun door Chris­tus Zelf is opgedra­gen. Zij vormen de basis van de ge­meente. De kerk des Heeren kan niet zonder een stevige basis, de 'pura doctrina' (rechte leer).

6.
Als zodanig zijn de apostelen unieke verschij­ningen en hebben zij geen opvolgers. In die zin is er geen aposto­lische succes­sie. Want van niemand kan na het wegvallen van de apos­telen gezegd worden, dat zij de opgestane Christus hebben gezien en dat hun woord gelijk­staat aan het Woord van de leven­de Chris­tus Zelf.


Dan de profeten. Zij worden direct na en in één adem met de aposte­len genoemd. Hier en ook wel elders in het Nieuwe Testa­ment. Ook zij zijn voor het bestaan en voortbestaan van de gemeente van fundamenteel belang. Want zij hebben een speciaal gehoor voor en een bijzonder inzicht in de uitleg van het Woord van God en dat toegespitst op actuele situa­ties in het heilsplan van God met deze wereld. Als zodanig zijn ze onder­scheiden van de oudtesta­mentische profeten die uit direc­te openbaring spraken. Ze zijn echter steeds van vitaal belang geweest voor de christelijke gemeente die in het duiste­re leven van alledag haar weg moest zoeken.
Onze vraag mag wel zijn, waarom zulke profeten als bijzondere Geest-begaafden in de latere kerkgeschiedenis zo weinig meer zijn opgetreden? Hebben wij in onze matte en godloze tijd niet juist zulke mannen hard nodig? Zeker, zij dienen niet op te treden als mensen die een directe verbinding met de hemel heb- ben (aldus spreekt de Heere:...). Maar ook zonder dat is er vanuit het Woord van God nog wel heel wat uit te leggen van wat het Woord van God ons ook voor onze tijd voorhoudt. Laten we bidden om profeten die ons tot wegwij­zers dienen. Anders weten wij binnen de kort­ste keren de rechte weg door het leven niet meer. 13.
De gemeente moet het Woord van God, met apostolisch gezag ver-kondigd en neergelegd in de Schriften, waarderen als haar ba-sis en daarop constant terugvallen. Maar haar moet ook altijd weer concreet en praktisch worden uitgelegd, wat dit hier en nu voor haar betekent. Daarom kunnen wij niet geloven, dat er in onze dagen geen profeten meer kunnen zijn. We hebben er veeleer dringend be­hoefte aan. We kunnen ze niet missen en missen ze helaas maar al te zeer.
Vervolgens worden genoemd: de evangelisten. Zij komen spora­disch in het Nieuwe Testament voor. 14. Rondtrekkende missionarissen van het eerste uur die de banier van het Evangelie plantten en daarna weer voorttrokken. Gemeente-stichters, pioniers als Filippus en Timotheüs. Van de laatste lezen wij, dat hij onder handoplegging tot het werk is gekozen. Waaruit wij bemerken, dat ook dit soort medewerkers in het Evangelie niet op particulier initiatief werkten. Zij werden gevormd, gese­lecteerd en geordend vanuit de gemeente. Deze (h)erkende in hen de door Gods Geest hun geschonken gaven.

7.
Ook de evangelisten zijn niet weg te denken uit de geschiede­nis van de kerk. Want het Evangelie moet voort naar de einden der aarde. Het is een boodschap voor gelovigen en ongelovigen, voor hen die nabij en voor hen die verre zijn. Laat ons metho­den bedenken en (ook via de media) middelen zoeken om de massa te bereiken. Het kan zijn, dat God op de puinhopen van het leven toch nog doorgaat, wellicht vooral met kinderen en jonge­ren. En is het dan geen zegen, als in onze dagen ook vele jonge mensen zich laten inschakelen om te 'folde­ren', om in gesprek te komen met mensen op de cam­pings. Als massacommu­nica­tie geen uitkomst lijkt te bieden, dan is daar altijd nog de mogelijk­heid van een 'one to one religion' (een religie van persoon tot persoon).


Tenslotte de herders en leraars. Zij maakten er werk van de (plaatselijke) kudde te wijden (herders-pastores) en te onder­wijzen in de apostolische aan haar overgeleverde leer (lera­ren). 15. Vermoedelijk waren deze taken in één hand en waren de herders tege­lijk ook de leraars. En naar het zich laat aan­zien, waren het vooral de ouderlingen aan wie deze pastora­le en didacti­sche taken waren toevertrouwd. Terecht zegt een ver­klaar­der van deze tekst (John R.W.Sto­tt,a.w. p.163f), dat elke pastor ook een onder­wijzer moet zijn, al is niet elke christe­lijke onderwij­zer ook een pastor.
J.Calvijn haalt in zijn commentaar op Efeze 4:11 de herders en leraars enigszins uiteen. Daar is niet direct aanleiding voor in de tekst, omdat zij hier niet los van elkaar voorkomen. 16.

Maar wel is er volop reden om naast het pastoraat sterke nadruk te leggen op het onderwijs, zowel in de gemeenten als op de scholen. Daarvoor hebben wij leraars nodig, doctoren, do-centen, hoogleraren : ook 'om de herders te vormen en te on- der­wij­zen alsook om de gemeente te leren' (J.Calvijn).


Godsdienstonderwijs in bijbelse zin is zeker ook in onze mul-tireligieuze samenleving een eerste vereiste. Laten wij er ons niet voor schamen om te betuigen, dat Chris­tus Jezus de enige Zaligmaker ter wereld is en dat Hij Zijn eer niet deelt, noch met de Boeddh­a, noch met Mohammed.
Eén ding is tenslotte duidelijk uit wat Paulus in vers 12 schrijft. Al deze gegevenen van Christus (van vers 11) zijn er allen tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bedie­ning, tot opbouwing van het lichaam van Christus (vs.12). Zij zijn er goed voor om de heili­gen toe te rusten. 17. Dat bete­kent zoveel als dat zij de gelovigen, dat zijn de door en voor God afgezonder­den, fit maken ofte wel stevig­heid geven. Zij zijn als het gipsverband om een arm of been. Zij trainen de 'militia Christi'. Dat is de taak van de mannen van 'het eer-ste uur', van hen die de gemeente leiding moeten geven in de

8.
overdracht van de leer, in het nemen van ethische be­slis­sin­gen, in de evangeli­satie, in het pastoraat en in het onder­wijs Het is er alles op gericht, dat de gelovigen (heiligen) in het gelid komen te staan, geactiveerd worden.


Het is bepaald niet de bedoeling van de apostel om deze lei­ding­gevenden aan te sporen om toch vooral al het werk in eigen hand te houden. Helaas lijden vandaag vele leiders in de ge-meente aan deze kwaal. Zij wensen niets liever dan dat hun gemeente slechts horende gemeente is, en het liefst ook een zwij­gende en passieve gemeente. Zij moeten - naar ze menen - alles alleen voor het zeggen hebben als ware solisten.
De gemeente als een bezige bij
In Efeze 4 echter worden de leiders der gemeente opgeroepen om de gelovi­gen te trainen, tot activiteit te brengen en aan het werk te zetten. En dat in twee richtingen: 18.
a) tot het werk der bediening. 'Dia­koniawerk' staat er letter­lijk. Daarin gaat het om een geestelijke cultus van de gemeen­te, het vervullen van verscheiden taken waarmee het tijde­lijke en eeuwige heil van de naaste wordt gediend: dienstwerk of 'equipment' in de breed­ste zin van het woord.
Het is de taak van de heiligen, van ieder gemeente­lid dat een levende band aan Christus kreeg, om de ander priesterlijk te dienen, om een brug te slaan tussen God en een zondaar, zoals de priesters onder het oude verbond in de tempel dat deden. Een goed woord met de moede spreken ter rech­ter tijd, de arm slaan om de schouder van de eenzame, een beker koud water aanreiken aan de dorsti­ge. In pries­ter­lijke bewogenheid. Dat is het dienst­werk van het 'algemeen priester­schap der gelovi­gen', nu niet meer slechts van een bepaalde priesterstand.
b) tot de opbouw, de stichting van het li­chaam van Chr­is­tus. 19. Ook dat is de opdracht van alle heiligen. Pastorale zorg aan en voor elkaar, geeste­lijke bijstand van aan lager wal ge-raak­ten, versterking van wat geestelijk sterven zou, verkon­di­ging van het goede Woord van God aan hen die van het Evange­lie zijn vervreemd. Zo zijn gelovigen niet alleen ontvangers van het grote heil, maar ook uitdelers ervan.
Kortom: oog en hart hebben voor elkaar. Een vuilnisemmer aan de straatkant zetten voor de buurvrouw die de deur niet meer uit kan. Zieken bezoeken. Een klaagvrouw willen zijn ten dienste van hen die lijden onder de psychische gevolgen van in­cest. Maar ook: mensen die als een blind paard naar het ver­derf hollen, een halt toeroepen. En vooral ook: de kinderen niet voor galg en rad laten opgroeien, maar hen vertellen wat waarden en normen zijn vanuit een hartelijke verbondenheid met de Schepper van het leven.

9.
William Hendrik­sen zegt heel tref­fend in zijn commentaar op Efeze (a.w. p.199): 'Er is geen plaats in Chris­tus' kerk voor hom­mels (nietsdoe­ners), alleen voor bezige bijen.'


Eenheid, mondigheid en weerbaarheid
Iemand zou - dit alles lezende - kunnen denken, dat de bakens hier behoorlijk verzet worden. Is het niet veel veiliger om al deze taken in handen te laten van ambtsdragers? Dreigt hier niet het gevaar, dat we elkaar voor de voeten gaan lopen en dat de één van de ander niet meer weet, waar de grenzen van zijn roeping liggen?
Met het oog daarop is het wellicht nuttig erop te wijzen, dat er in Efeze 4 geen pleidooien worden gevoerd voor een demo- cratiseringsproces zonder meer. Het is zeker niet de bedoeling van de apostel om de gemeente van Christus open te breken in die zin, dat ieder­een, van welke instelling ook, zijn zegje kan doen en evenveel in de melk te brokkelen krijgt. Iemand die tot de gemeente van Christus mag behoren, draagt verant-woordelijkheden en krijgt taken te vervullen. Maar de absolute norm voor iedereen die (mede)werkt in Christus' gemeen­te, blijft te allen tijde: wat God zegt in Zijn Woord. En het is dan ook alleen met dat gezag van Gods Woord, dat de lei­dingge­venden van de gemeente in goede samenhang en samengang met de leden der gemeente opbouwend bezig kunnen zijn.
Alleen als iedereen zich daaraan gelegen laat liggen, zal een gemeen­te een echt en hecht samen­werkingsverband kunnen vormen en zullen alle activi­teiten hun bestemming vinden in een vol­groeide geloofsgemeen­schap.
En om dat laatste gaat het. Wat ons in Efeze 4 wordt voorge­houden is niet een (te) hoog gegre­pen ideaal. Dit gemeente-beeld is wel degelijk reëel. Wanneer wij er ons maar diep van bewust zijn, dat het gezag van Gods Woord boven alles gaat, zullen wij ook tot de rechte mondigheid komen. Daar mogen we naar toegroeien.
Hier dus geen democratiseringsproces, maar een groeiproces waarin het ene geloof in de Zoon van God en de priesterlijke dienst aan de naaste de boventoon voeren. Daarom schrijft Paulus: tot­dat wij allen zullen komen tot de enig­heid des geloofs en der kennis van de Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de maat van de grootte der volheid van Christus (vs.13). 20.

Doel van alles is: de enigheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God. Paulus sluit zichzelf weer in. 21. Daar­naar hebben wij allen te staan: één zichtbare en volledige ge- loofsgemeenschap; een gezamenlijk meer en meer komen tot de volle geloofskennis van Gods Zoon. Geen ware eenheid van de kerk zonder deze ware geloofskennis. Ook hier weer (net als in vers 5), is geloofskennis een exis­tentiële kennis, een kennen

10.
van de Zoon van God met het hart en met heel het leven. Geen geloof als een puur historisch geloof, geen kennis als puur verstan­de­lijke kennis (vgl. Ef.1:­17; Fil.3:10).
Kennis van de Zoon van God, schrijft Paulus. Daarmee duidt hij Christus aan als het aanbiddelijke voorwerp van het geloof.Hij is 'de Eniggebore­ne van de Vader, vol van genade en waar­heid'.
Zo worden dan de gelederen in Christus' gemeente aaneengeslo­ten: eenheid in het geloof in Hem. Zo wordt zij als gemeente een volkomen man, volwassen en mon­dig­ 22. Zo groeit zij toe tot de maat van de grootte, de hoogtemaat van de volheid van Christus, dat is tot het volledig bezit van de gaven van de Geest, de volheid van God in Chris­tus. 23.
Nogmaals, dit alles is een groeiproces. Het is hier als met de heiligmaking. Een gelovige en een gemeente zullen daarin groeien en daar naartoe groeien.

Van een kind een volkomen man worden, geeft op zijn tijd de nodige spannin­gen. Denk aan Simon Pe­trus, de discipel van Jezus, van wie de Bijbel ons het één en ander vertelt over zijn 'Sturm und Drang'- perioden. Ergens wil een mens, ergens wil ook een gelovige altijd wel kind blijven: onwetend, onsta­biel. En misschien houden wij elkaar in de gemeente op dit punt ook wel constant een beetje klein.


Maar het kan niet lijden, dat wij in die kindse staat blijven: onrijp en onvolwassen. Want dan vallen we vroeg of laat ten prooi aan de verleiding. De apostel schrijft: opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omge­voerd worden met alle wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistig­heid, om listig tot dwaling te brengen (vs.14).
Alstublieft geen instabiliteit als van een kind! Maar beslis- te volwassenheid waardoor wij weten te onderschei­den tussen waar en vals. Geen draaitol, geen schip dat in de storm heen en weer ge­slin­gerd wordt, dat stuurloos rond­tolt en uit de koers wordt geslagen. 24.
Alleen wie gegroeid is in het geloof laat zich zo niet één- twee-drie meesleuren en verleiden. Onvolwas­senen in het geloof worden vroeg of laat gegre­pen door alle wind van leer; zij lopen gevaar om op sleeptouw genomen te worden door het bedrog (2 Tim.3:13). Zij onder­scheiden niet uit welke hoek de wind waait, als zij in gesprek komen met andersdenkenden.
John R.W. Stott (a.w. p.170) schri­jft, dat hun meningen gaan in de richting van de spre­ker die zij het laatst hoorden of van het laatste boek dat zij lazen. Het zijn modieuze christe­

11.
nen die geen weerstand hebben tegen de kette­rij, niet tegen die van het wetticisme, niet tegen die van de wetteloos­heid. Waarom niet? Omdat zij geen bevindelijke ge­loofskennis hebben en die ook liever niet willen hebben, omdat zij zich dan zo vastge­klonken voelen aan de waarheid. En zo vallen zij dan ten prooi aan de dwaal­leer. 25.


Dwaalleer is er altijd geweest. Ook in onze tijd zijn daar de vele verleidende geesten die de mensen als kuddedieren achter zich aanslepen. Mensen gaan al gauw mee met wat aan­trek­ke­lijk lijkt. Als een kind dat met een snoepje te ontvoe­ren is. De apostel noemt het: het valse dob­belspel der men­sen, een ver­kwanselen der zielen, elkaar bedot­ten met kunst­grepen der dwaling. 26.
Ja, in de dwaalleer wordt er vaak metho­disch gewerkt. Met psycho­lo­gisch knappe en weldoordachte spelre­gels, met prima PR-reclame's die afgestemd zijn op onbewuste gevoelens in de mens, op seks en geld vooral. Dat is de methode van de dui­vel. Hij werkt als de rattenvanger van Hameln. Hij betovert de zinnen, vooral van kinderen. Maar het is alles pure verval­sing van het Woord van God.
Naar Hem toegroeien
Geen wonder, dat wij daartegen gewaarschuwd worden in Efeze 4. Laat u geen zand in de ogen strooien. Wees volwassen in het geloof door betrachting van de waarheid in liefde: Maar de waarheid be­trachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus (vs.15). 27. Gods Geest maakt van mensen oprechten, mensen met waarheid op de lippen en met liefde in het hart, onafscheidelijk aan elkaar verbon­den. Geen vechtersbazen dus die als ware rechercheurs overal tegenstan­ders zien, die zij liefdeloos en onbarmhartig van zich afsto­ten. Ook geen toleranten die aan de lieve vrede de meest centrale waarheden van het Evangelie opofferen. Geen mensen achter zoveel scher­men. Maar onzelfzuchtige lief­hebbers die anderen niet ten val brengen, maar hen juist ten zegen zijn. Kortom ware en liefdevolle mensen.
In die weg, dat beoefenen­de, kan er sprake zijn van groei, een naar Hem opgroeien, Die het Hoofd is in elk opzicht. Dat wil zeggen, dat Hij steeds meer het centrum en het doel van ons denken en leven wordt. Wasdom naar Hem toe, het Hoofd, Chris­tus en daarmee groei van het li­chaam (de gemeente) onder leiding van dit Hoofd, Christus. Het schip van de kerk is dan niet meer als een stuurloos notendopje in de storm. Het mag een lichaam zijn, een vanuit Christus goed geco­ördineerd en samen­hangend geheel.
Dat lezen we tenslotte in vers 16: uit Wie het gehele li­chaam, bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door al-

12.
le voegselen der toebrenging, naar de werking van een ieder deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot opbouwing van zichzelf in de liefde.


Vanuit het leidinggevende Hoofd Christus wordt het gehele lichaam samen­gevoegd en onderling in al zijn leden goed aan elkaar verbon­den, zodat het een goed geschar­nierd, een orga­nisch geheel wordt. Onenigheid, twist, tweedracht en wrok ontwrich­ten de zaak. Want 'waar de liefde niet regeert, daar is geen stich­ting der gemeente, maar enkel verwoesting' (J. Calvijn, a.w., blz.65). 28.

Maar als alle gewrichten in een lichaam goed functioneren en een goede verbinding met elkaar aangaan, wordt het gehele lichaam daardoor in stand gehouden. Het loopt gesmeerd als in een motor. 29.


Laat iedereen zijn gaven zo besteden, naar de mate die hem of haar is toebedeeld uit kracht van de energievoorziening van God uit. 30. Zo mag het komen tot de opbouw van het lichaam van Christus. Of om het nog eenmaal met een woord van J.Cal­vijn te zeggen: 'Dat Christus alleen uitnemend is onder ons, en dat wij niet anders dan in Hem sterk en groot zijn' (a.w., blz. 6­4).

13.
noten


1. Gr. 'edothè' = is aor.pass. van 'didoomi'. Dit van God ge-geven zijn komt her­haaldelijk voor in onze perikoop (vss.7, 8, ­11). Het lidwoord voor 'genade' wordt in een groot aantal hss. ge­mist, maar dit behoeft de betekenis niet anders te maken. Ter vergelijking kan verwezen worden naar de ge­dachte in het Jodendom, dat God het hemelwater, de Heilige Geest en ook de woorden van de Thora met mate (d.i. naar de door God be­paalde maat) geeft (zie H.L. Str­ack-P.Billerbeck, a.w. Bnd.II­I, S.595f).
2. Dit is bij Paulus een gebruikelijke inleidingsformule, waar- mee hij een citaat van een Schriftwoord inleidt (vgl. Rom.9: 2­5; Gal.3:16; Hebr.1:5vv). Het woor­d uit Ps.68:19 waar­aan hij hier herinnert, is geen letterlijk citaat te noemen. Zowel de Hebreeuw­se tekst als ook de Griek­se vertaling (LXX), althans in de versie die wij thans bezit­ten, verschillen in enkele op-zichten van Ef.4:8. Aan het slot van dit vers lijkt Paulus het woord 'genomen' uit Ps.68:19 te veranderen in 'gegeven'. Zie

verder noot 4 en 5.

In de brief aan Efeze komen trouwens verder ook geen letter­lijke cita­ten uit de LXX en/ of uit het Hebreeuwse OT voor. Zie hiervoor: Ef.4:25 (Zach.8:16); Ef.4:26 (Ps.4:5); Ef.5:­31 (Gen.­2:­24) en Ef.6:­2, 3 (Ex.20­:12/ Deut.­5:­16). In Kolos­senzen tref­fen we niet één citaat uit of toe­speling op een oudtesta­menti­sche tekst aan. Het kan zijn, dat Paulus bij het schrij­ven van deze brieven zijn 'Bijbel' niet direct bij de hand had.
3. Letterlijk schrijft Paulus: Hij heeft de krijgsgevangen­schap in krijgsgevangenschap gevoerd. Gr.'aichmalooteuoo' = in krijgs­gevangenschap voeren en Gr.'aichmaloosia' = krijgsge­van­gen­schap of het geheel van de buit aan krijgsgevangenen. Een aantal hss. heeft het voorzetsel 'in' (Gr.'en') voor: de men-sen. Dan is te vertalen: onder de mensen.
4. De Hebreeuwse tekst van Ps.68:19 laat toe te lezen: Hij heeft gaven genomen (in ontvangst genomen), nl. om die uit te delen (aan of onder de mensen; en niet om die voor Zichzelf te houden). Dit is ook een oud-Joodse uitleg waarvan Paulus op de hoogte kan zijn geweest. Vgl. H.L.Strack-P.Billerbeck, a.w. S. 596f. 'De verande­ring van 'nemen' naar 'geven' lezen we reeds in Syri­sche en Aramese verta­lingen van het Oude Testa­ment (Tay­lor)', aldus L.Floor, a.w. blz.149.De Joodse exeg­eet Rasji verklaart de tekst ook in die zin: 'neem, opdat Gij geeft.'

J.Calvijn, a.w. blz.56 neemt aan, dat Paulus het woord 'geno­men' uit Ps.68 zelf veranderd heeft in 'gege­ven', omdat hij wilde zeggen, dat 'het uitnemen­der is dat de overwinnaar mil-delijk aan allen alles geeft dan dat hij van de overwonnen roof verza­melt'. ­Vg­l. Gen.­14:18vv; Richt­.5:30; 1 Sam.3­0:26v­v; Jes.5­3:­12.

14.
5. Zie de Joodse Targum op Psal­m 68:19, waar het opvaren in de hoogte op Mozes' opgang op de Sinai betrokken wordt om daar de Thora in ontvangst te nemen: 'Gij zijt naar de hemel opgeste-gen, dat is Mozes de profeet. Gij naamt gevange­nschap gevan­gen, gij hebt de woorden van de Thora geleerd. Gij hebt die als gaven gegeven aan de mensenkin­deren...' Hier ook een ver­kla­ring van 'ontvangen' in de zin van: voor de mensen ontvan­gen om aan hen uit te delen.
6. Het Griekse woord 'prooton' = eerst komt in de meerderheid van de hss. niet voor. Als dit woord later is toegevoegd, kan het als een nadere en terechte uitleg worden gezien.
7. Letterlijk: wat betreft 'het opgevaren zijn' (Gr.'a­nebè'), wat houdt dit anders in dan dat Hij ook is nederge­daald naar de lagere (gedeelten der) aarde (Gr. 'ta katoot­era [mer­è])'. Het Griekse woord 'merè' is onzeker. Het is - gelet op de hss. die dit woord wel en die het niet hebben, ter keuze gelaten in de Griekse uitgave van het NT van Nestle-Aland. De betekenis verandert er niet door.
8. Zo zouden wij de bedoeling van vs.9 en 10 kunnen omschrij­ven. Francis Foulkes, a.w. p.124, oppert de mogelijkheid, dat met de nederdaling bedoeld is de nederdaling door de Geest na Pink­ste­ren, maar zegt er terecht bij, dat het verband daarte­gen pleit (de Geest wordt verbonden met de hemelvaart, niet met de nederdaling; vs.8).

In de woorden 'de nederste delen der aarde' hebben sommige exegeten een aanduiding gezien van de hel; Christus zou na Zijn dood daarin zijn binnengetreden om Zijn overwinning op Zijn vijanden te predi­ken. O.i. echter is deze uitleg niet te verdedigen. Deze gedachte is de Schrift vreemd en komt ook niet voor in de in dit verband vaak geciteerde teksten uit 1 Petr­.3­:19; 4:6.


9. Hier een herinnering aan het woord 'plèrooma' (zie o.a. Ef.1:23; 3:19).
10. Wil Paulus in vs. 11 herinnerd hebben aan Ps.68:12 (aldus A.van Roon, a.w. blz.106)? De lijst van gaven, hier opgesomd, is niet pre­cies gelijk aan andere opsommingen elders in Pau­lus' brieven (vgl. Rom.12­:7, 8; 1 Kor.1­2:2­8vv). Kennelijk zijn er naast de hier ge­noemde ook andere gaven van de Geest werk­zaam geweest in de eerste christenge­meenten, in goede samen­hang en samengang met de in Ef.4:11 genoemde. En dit alles tot opbouw van de ge­meen­te. Steeds waren daar overigens ook de ouder­lingen en diakenen die aan de gemeente leiding gaven (Fil.1:1; 1 Tim.3:­1, 12). De 'charis­matische' geleding van de gemeente is van meet af nauw verbon­den geweest met 'instituti­o­nele' vormen van leidinggeven.

15.
11. De apostelen worden niet alleen eerst genoemd, maar ze zijn ook een aparte categorie; aan de ene zijde de apostelen (Gr.' ­ho men'). En dan, aan de andere zijde de reeks van alle ande­ren (Gr. 'ho de' steeds). Zij allen zijn 'gege­ven', dat is ook: in- en aange­steld.


12. Het woord 'apostel' komt in het NT in de volgende beteke­nissen voor: a) één van de twaalven (vgl. o.a. 1 Kor.15:5); b) een gevolmachtigd boodschapper of missionaris vanwege een gemeente (Fil.2­:25); c) een ver­kondiger van het Evange­lie, do­or Christus Zelf geroepen en geautoriseerd, getuige der opstanding, hoewel niet direct tot de kring der twaal­ven be-horend (Hand.1:2­1v; 2:42; 10:40v; 1 Kor.9:1v; 15:8v), b.v. Paulus zelf, Barnabas (Hand.14:­14), Jakobus, de broeder van Jezus (Gal.1:­19), Silas (1 Thess.­2:6). Ten onrechte neemt Francis Foulkes voet­stoots aan, dat de in Rom.16:7 genoemden Andro­nicus en Júnias ook apostelen waren (zo ook L.Floor, a.w. blz.1­52).
13. Er is geen reden voor om aan te nemen, dat de hier genoem­de profeten met de eerste generatie van de christenen wegvie­len, omdat zij spraken uit de directe inspiratie van de Geest. Zo Francis Foulkes, a.w. p.127. Zo ook John R.W.Stott, a.w. p. 161f; hij rekent de (canonische) profeten onder degenen die als tolken van God directe openbaringen van God ontvingen en zo ook op één lijn met de apostelen stonden. Zo gezien, is er geen verschil met de oudtestamentische profe­ten. Aldus John R.W. Stott. Hij vergeet ech­ter, dat ook de nieuwtestamen­tische profeten geen openba­ringen kregen die gelijkgesteld kunnen worden met exacte Godsspraken en dat Paulus uitdrukkelijk be- paalt, dat hun profetieën getoetst moes­ten worden door de gemeente (vgl. o.a. 1 Kor.14:29vv). Hiermee is een duidelijk onderscheid aangegeven met de apos­telen en hun directe openba­ringen.
14. Zie: Hand.21:8 (Filippus); 2 Tim.4:5 (Timotheüs). J.Cal­vijn zegt, dat van de in vs.11 genoemde ambten alleen de twee laatste altijd blijven. 'Uitgenomen waar de religie vervallen is, daar verwekt God evangelisten buiten orde, om de zuivere leer wederom te voorschijn te brengen (a.w. blz.60).
15. Vgl. Hand.2:42; Rom.6:17; 2 Tim.4:2 over het Griekse woord 'didachè'. Vgl. verder: Joh.10­:11, 14; 21:15vv; Hand.13:1; 20:28; Rom.­12­:7; 1 Kor.12:28; 1 Tim.3:2; Tit.1:9; Hebr.13­:20; 1 Petr.2­:2­5; 5:2-4. Zie ook 1 Thess.5:12.
16. Er staat hier niet: en sommigen tot herders en sommigen tot leraars. Overigens stemmen we in met William Hendriksen, a.w. p.196f, wanneer hij wijst op de flexibiliteit van de vroege kerk in het vervullen van verschillende taken door één en dezelfde persoon. Vgl. 1 Tim.5:17b.

16.
17. Gr. 'katartismos' (alleen hier in het NT als zelfstandig naam­woord) = toerusting. Het woord wordt gebruikt voor de uitrus­ting van schepen, voor de oefening van het leger, voor het zetten van gebroken lede­maten. Voor het werkwoord 'katar-tid­zoo' zie Matth.4:21 (repa­reren); Hebr.11:3 (toeberei­den); Gal.6:1 (terechtbren­gen); 1 Thess.3:10; Hebr.1­3:21; 1 Petr.5: ­10 (het aan het geloof ont­brekende aanvullen, volma­ken).


18. De toerusting van de heiligen tot... (Gr.'pr­os') werkt in de richting van (Gr.'eis') a) het werk der bediening en b) de stich­ting van de gemeente. a en b geven de activiteit van die heili­gen aan. Terecht zegt L.Floor, a.w. blz.153, dat uit vs. 16 blijkt, dat de opbouw van het lichaam van Christus gezien wordt als roeping en taak van álle gelovigen en niet alleen van de ambtsdragers.
19. Gr.'o­iko­domè'; zie o.a. Ef.2:21.
20. Gr. 'katantaoo' (9 x in Hand.) = op de plaats van bestem­ming komen van een reiziger (vgl. Hand.26:7; Fil.3:11). Deze bestemming is niet: een ontmoeting met de hemelse Bruidegom, zoals een aantal exegeten aanneemt, maar een zaak, nl. de enigheid van het geloof. Uit dit vers blijkt tevens, dat het Paulus in deze perikoop niet slechts gaat om gemeentegroei in extensieve vorm, maar daarmee nauw verbonden ook om groei in persoonlijke zin (aldus L.Flo­or, a.w. blz.154). Individuele groei in het geloof en geloofsactiviteiten en gemeen­tegroei kunnen niet tegen elkaar worden uitgespeeld (anti H.P.Medema, a.w. blz.192).
21. Eenheid (Gr.'henotès'; zie vs.3) van geloof en kennis (Gr. 'e­pignoosis' = erkentenis) = éénheid in geloofskennis. De woorden 'van de Zoon' worden in een aantal hss. gemist.
22. Gr.'teleios andèr' = een volgroeid man (vgl.1 Kor.2:6; 14: 20; Hebr.5:14). Gr.'teleios' = volmaakt (Hebr.'tamim') staat i.t.t. de dubbelhartige van Jak.1:8 en i.t.t. het onwetende en onstabiele kind (Gr. 'nèpios') van Ef.4:14.
23. Gr.'hèl­ikia' = (hoge) (volwassen) leeftijd, lichaamsgroot­te, pos­tuur of statuur, hoog­te; nl. van het 'plèrooma' van Chris­tus. Dus: tot de hoogtemaat van de volheid van Christus. Vgl. o.a. Luk.19:3 (statuur); Joh.9: ­21, 23 (ouderdom).
24. Gr.'nèpios' = onmondig, onnozel, kinderlijk. Gr.'kludoo- n­idzomai' (part.) = door de baren heen en weer ge­slingerden; vgl. Luk.8:24 (een schip); Jak.1:6 (de golven); Gr.'kludoon' = golfslag. Gr.'perife­roo'(part.pass) = heen en weer gedre­ve­nen; als in een maalstroom rondtollend, zodat men duizelig wordt.

17.
25. Paulus omschrijft in de brief aan Efeze de dwaalleer niet exact. Wellicht kunnen we denken aan de dwaalleraars die in de brief aan Kolosse genoemd worden (vgl. Kol.2:8, 20v). De apos­tel heeft in elk geval de ouderlingen van Efeze bij zijn afscheid wel nadruk­kelijk gewaar­schuwd tegen het binnendrin­gen van wol­ven (zie Hand.20:29v­v).


26. Gr.'kubeia' = dob­bel­spel, bedrog. Gr.'panoe­rgia' = be­drog, listigheid (vgl. o.a. Luk.20:23; 2 Kor.11:3). Gr.'metho­deia tès planès' = kunst­greep van de dwaling (vgl. 2 Sam.19:28 LXX). De codex Alexan­drinus heeft aan het slot van vs.14: de dwali­ng van de duivel. Zie ook onder Ef.6:11.
27. Gr.'alètheuoo' (part.) = waar zijnden...(enkele hss. heb-ben: waarheid doenden). Bedoeld kan zijn: oprecht zijnde en de waar­heid sprekende. En dat niet los van liefde. Gr.'ta panta' = alleszins, in elk opzicht. Zo kan er groei zijn naar Hem toe Die het Hoofd is, Christus.
28. Gr.'sunharmo­lo­geoo' = samenvoegen. Gr.'sum­bi­bad­zoo' = verenigen, samen­houden, -brengen (b.v. van ruzi­ënde mensen). Voor het beeld van het lichaam als aandui­ding van de gemeente zie ook: Rom.12:4vv; 1 Kor.6:15; 12:12-31.
29. Gr.'hafè' = contactpunt, band, gewricht; voor het besef van de mens in de Griekse oudheid de verbindende schakels tussen de onderdelen in het menselijk lichaam, ook voor de voedsel­voorziening. Gr.'e­pi­chorègi­a' = leverantie, voorzie­ning, dienst­verle­ning, handrei­king. Zie ook 2 Kor.9:10; Gal. 3­:5; Fil.1:19; Kol.2:19 en 2 Petr.1:5, 11. We kunnen de moei­lijke zin van vs.16 aldus weergeven: samen­gevoegd en samenge­bonden door iedere verbinding die voor de constitue­ring (= een goed samenstel) zorgt in dat lichaam. Denkt Paulus hier vooral aan de in vers 11 genoem­den?
30. Gr.'ener­geia' = energieke wer­kings­wij­ze. Het woord komt vaker voor in de brief aan Efeze (Ef.1:19; 3:7). Gr.'meros' = het deel dat iemand ontvangt (een aantal hss. heeft i.p.v. 'mero­es': 'mel­oes' - ledemaat).

18.
TEKSTEN


bladzijde 2

a. Rom.12:6

b. Rom.12­:3vv; 1 Kor.12:­4; Ef.3:2, 7v
bladzijde 3

a. 2 Sam.6:19; Ps.68:19

b. Hand.2­:3­3; 2 Kor.2­:1­4; Ef.1:2­0vv; Kol.2­:15
bladzijde 4

a. Ps.6­9:­15; Matth.12:40; Joh.3:13; Rom.10:7; Fil.2:5vv

b. Ef.1:1­0, 20v; Fil.2:­9vv; Kol.1:19; Hebr.4:14; 7:26
bladzijde 5

a. Ef.2­:20; 3:7vv


bladzijde 6

a. Hand.1­1:27v; 13:1; 15:32; 21:10; 1 Kor.12:5, 28v;

1 Kor.1­4:3
bladzijde 7

a. Hand.20:28

b. 1 Kor.14:26; Ef.2:21v; 1 Petr.2:5
bladzijde 8

a. 2 Tim.3:17

b. Jud.:20
bladzijde 9

a. Ef.1:23; Fil.3:8


bladzijde 10

a. Joh.1:14; Rom.1:4; Gal.2­:20; 1 Thess.­1:10

b. Ef.1:23; Kol.1:19, 28; 2:9; Hebr.5:14

c. 1 Kor.14:20; Hebr.5:13

d. Jes.57:20 LXX; Jak.1:6

e. Hebr.13:9


bladzijde 11

a. 2 Kor.4:2; 11:3; Ef.6:11

b. Gal.4:16

c. 1 Kor.11:3; Ef.1:22; 5:23; Kol.1:18; 2:10, 19


bladzijde 12

a. Ef.2:21; Kol.2:19


19.
GESPREKSVRAGEN

1. In vs.7 van de perikoop lezen we van 'de genade, aan elk van ons gege­ven, naar de maat van de gave van Christus':

- wat is hier de betekenis van het woord 'genade'?

- horen iemand bekwaamheden uit aanleg (zijn z.g. talen­- ten) ook tot die genade?
2. Paulus citeert in vs.8 Psalm 68:19. Hoe past hij dit vers toe op Christus en op de gaven die aan de gemeente geschonken zijn?
3. Over de 'gaven'- lijst van vs.11 (apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars):

- als u deze lijst vergelijkt met die van Rom.12:7, 8 en met die van 1 Kor.12:28-31, wat valt u dan op?

- probeer van elke in Ef.4:11 genoemde gave een mogelijke taakomschrijving te geven.

- welke is volgens u de taak van de godsdienstleraar nu?


4. Vs.12v van onze perikoop gaat over de toerusting en opbouw van de gemeente:

- ziet u mogelijkheden voor uzelf om daaraan mee te doen?

- hoe ziet u de verhouding tussen ambt (kerkenraad) en ge- meente (andere werkers in de gemeente)?

- de begrippen democratisering en mondigheid (medezeggen-­ schap en inspraak) zijn aan de orde van de dag in de moderne maatschappij; zoudt u daarvoor ook binnen de kerk en gemeente waartoe u behoort, willen pleiten?


5. Over groeien 'in de kennis van de Zoon van God' (vs.13):

- wanneer is iemand een 'kleingelovige'?

- hoe kan ik groeien in het geloof? Zijn er middelen voor? Welke beletselen zijn er?

- is een 'man in Christus' iemand wiens geloof volgroeid is?


6. De waarheid van Gods Woord moet worden verbreid en verde­digd (tegen dwalingen). Welke mogelijkheden ziet u voor uzelf voor het eerste (evangelisatie), welke voor het tweede (apolo- getiek)?

(Vooral bij vraag 4 is het belangrijk de Bijbelstudie nog eens aandachtig door te lezen).




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina