Afdeling frans richtgraad 1 Modulair


Arabisch, Chinees, Japans



Dovnload 379.84 Kb.
Pagina2/10
Datum25.08.2016
Grootte379.84 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

Arabisch, Chinees, Japans





Module 1.1.1

60 Lt


Module 1.1.2

60 Lt


Module 1.3.1

60 Lt


Module 2.3.2

60 Lt


Module 2.4.1

60 Lt


Module 2.3.1

60 Lt


Module 2.2.2

60 Lt


Module 2.2.1

60 Lt


Module 1.4.2

60 Lt


Module 1.4.1

60 Lt


Module 1.3.2

60 Lt


Module 1.2.1

60 Lt


Module 1.2.2

60 Lt


Module 2.1.2

60 Lt


Module 2.1.1

60 Lt


Module 2.4.2

60 Lt



Grieks, Pools, Russisch, Turks





Module 1.1.1

60 Lt


Module 1.1.2

60 Lt


Module 1.3.1

60 Lt


Module 2.3.2

60 Lt


Module 2.4.1

60 Lt


Module 2.3.1

60 Lt


Module 2.2.2

60 Lt


Module 2.2.1

60 Lt


Module 1.3.2

60 Lt


Module 1.2.1

60 Lt


Module 1.2.2

60 Lt


Module 2.1.2

60 Lt


Module 2.1.1

60 Lt


Module 2.4.2

60 Lt




Andere talen


Module 3.1.2

60 Lt

Module 3.2.1

60 Lt


Module 3.1.1

60 Lt


Module 3.2.2

60 Lt






Module 1.1.1

60 Lt


Module 1.1.2

60 Lt


Module 2.3.1

60 Lt


Module 2.4.2

60 Lt


Module 2.4.1

60 Lt


Module 2.3.2

60 Lt


Module 1.2.1

60 Lt


Module 1.2.2

60 Lt


Module 2.1.2

60 Lt


Module 2.2.1

60 Lt


Module 2.2.2

60 Lt


Module 2.1.1

60 Lt

Module 4.2.2

60 Lt


Module 4.2.1

60 Lt


Module 4.1.2

60 Lt


Module 4.1.1

60 Lt


Aangezien de specifieke eindtermen voor alle talen dezelfde zijn, is het leertraject voor een aantal talen verlengd. Dat was onvermijdelijk, onder meer wegens de noodzakelijke alfabetisering in het schrift, de grote verschillen in grammaticale structuren en de complexiteit van de vervoegingen.


Het vastgelegde studievolume voor de taalopleidingen ziet er als volgt uit:


TALEN

AANTAL LESTIJDEN

RG 1

RG 2

RG 3

RG 4

Totaal

Arabisch, Chinees, Japans

480

480

--

--




960

Grieks, Pools, Russisch, Turks

360

480

--

--




840

Alle andere talen

240

480

240

240




1200

2 Beginsituatie


Kandidaten moeten voldoen aan de volgende instapvoorwaarde: zij moeten gealfabetiseerd zijn in het Westers schrift.

3 Doelstellingen


3.1 Algemene doelstellingen
‘Breakthrough’ of Richtgraad 1.1 is het absolute minimum. De taalgebruiker kan in een anderstalige omgeving met zeer beperkte talige middelen communiceren om tegemoet te komen aan concrete behoeften uit zijn onmiddellijke omgeving. Hij kan vertrouwde, alledaagse uitdrukkingen en zeer eenvoudige zinnen gebruiken, gericht op de bevrediging van concrete behoeften. Hij kan zichzelf of iemand anders voorstellen en kan vragen stellen en beantwoorden met betrekking tot persoonlijke gegevens zoals de woonplaats, mensen die hij kent en dingen die hij bezit. Hij is in staat op een eenvoudig niveau te communiceren, op voorwaarde dat de gesprekspartner langzaam en duidelijk spreekt en bereid is te helpen.

3.2 Leerplandoelstellingen


Hieronder volgen, genummerd voor elk van de vier vaardigheden, de leerplandoelstellingen die gerealiseerd moeten worden.
3.2.1. Spreken


Vaardigheden
De cursist kan in een gesprekssituatie en op beschrijvend niveau


  1. een instructie geven aan een bekende taalgebruiker.

  2. een uitnodiging, een voorstel en een oproep verwoorden en erop reageren.

  3. zijn beleving (d.i. zijn wensen, noden en gevoelens) verwoorden en vragen naar de beleving van zijn gesprekspartner.

  4. een afspraak maken en afzeggen.

  5. een probleem of klacht formuleren.

De cursist kan in een gesprekssituatie en op structurerend niveau:




  1. informatie vragen en geven.



Ondersteunende kennis
7. De cursist kan de ondersteunende kennis gebruiken die nodig is om de spreektaak uit te voeren:


  • woordenschat en grammatica/noties en functies;

  • uitspraak en intonatie;

  • taalregister (enkel formeel en informeel);

  • de socioculturele aspecten (sociale conventies en gebruiken).



Strategieën
8. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de spreektaak kan de cursist volgende (cognitieve en metacognitieve) leerstrategieën toepassen :


  • informatie verzamelen;

  • een beroep doen op eerdere leerervaringen.

9. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de spreektaak kan de cursist volgende communicatiestrategieën gebruiken :




  • gebruik maken van niet-verbaal gedrag;

  • compenserende strategieën gebruiken (o.m. vragen om iets te herhalen, vragen om trager te spreken en vragen om uitleg).

10. Bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie kan de cursist reflecteren over taal en taalgebruik.



Attitudes
11. Bij de uitvoering van de spreektaak geeft de cursist blijk van


  • spreekdurf;

  • communicatiebereidheid;

  • bereidheid om de standaardtaal te benaderen.



Tekstkenmerken
De te produceren teksten vertonen de volgende kenmerken :


  • ze hebben betrekking op concrete, eenvoudige, voorspelbare en vertrouwde inhouden;

  • ze zijn zeer kort en eenvoudig gestructureerd;

  • ze bevatten stereotiepe formuleringen en standaarduitdrukkingen;

  • ze worden aan een laag spreektempo uitgesproken;

  • ze kunnen worden geproduceerd met de medewerking van een gesprekspartner;

  • ze kunnen uitspraakfouten bevatten;

  • ze kunnen een zekere mate van foutief taalgebruik bevatten.


3.2.2. Schrijven


Vaardigheden
De cursist kan op beschrijvend niveau :


  1. een formulier en een document met betrekking tot personalia invullen.

  2. een korte informatieve tekst zoals een berichtje schrijven.

De cursist kan op structurerend niveau :




  1. uit mondelinge en schriftelijke informatie eenvoudige, concrete gegevens noteren.



Ondersteunende kennis
4. De cursist kan de ondersteunende kennis gebruiken die nodig is om de schrijftaak uit te voeren :


  • woordenschat en grammatica/noties en functies;

  • taalregister (enkel formeel en informeel);

  • de socioculturele aspecten (sociale conventies en gebruiken).



Strategieën
5. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de schrijftaak kan de cursist volgende leerstrategieën toepassen :


  • relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

  • een beroep doen op eerdere leerervaringen.

6. Bij de uitvoering van de schrijftaak kan de cursist compenserende strategieën gebruiken om zich in zeer eenvoudige taal uit de slag te trekken.



Attitudes
7. Bij de uitvoering van de schrijftaak geeft de cursist blijk van volgende attitudes :


  • bereidheid om enige correctheid in de formulering na te streven;

  • schrijfdurf.



Tekstkenmerken
De te schrijven teksten vertonen de volgende kenmerken :


  • ze behandelen onderwerpen die vertrouwd of van persoonlijk belang zijn;

  • ze zijn qua taalgebruik zeer eenvoudig en bestaan vooral uit zeer korte zinnen en met stereotiepe formuleringen en standaarduitdrukkingen;

  • ze kunnen fouten bevatten;

  • ze worden in een laag schrijftempo geproduceerd.



3.2.3. Lezen


Vaardigheden
De cursist kan op beschrijvend niveau :


  1. de informatie herkennen in teksten zoals belangrijke formulieren, documenten en alledaagse papieren (onder meer rijbewijs en identiteitskaart).

  2. relevante gegevens selecteren uit informatieve teksten zoals tabellen, advertenties, brochures, garantiebewijzen en schema’s die ten dienste van de bevolking geschreven zijn.

  3. alle gegevens in een eenvoudige instructie begrijpen.

De cursist kan op structurerend niveau :




  1. de informatie overzichtelijk ordenen in persuasieve teksten zoals een uitnodiging, een voorstel en een oproep.



Ondersteunende kennis
5. De cursist kan de ondersteunende kennis gebruiken die nodig is om de leestaak uit te voeren :


  • woordenschat en grammatica/noties en functies;

  • spelling/interpunctie;

  • taalregister (enkel formeel en informeel);

  • de socioculturele aspecten (sociale conventies en gebruiken).



Strategieën
6. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de leestaak kan de cursist volgende (cognitieve en metacognitieve) leerstrategieën toepassen :


  • relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

  • de tekstsoort herkennen;

  • het leesgedrag afstemmen op het leesdoel.

7. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de leestaak kan de cursist volgende communicatiestrategieën (o.m. compenserende strategieën) gebruiken :




  • gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal;

  • om hulp en verduidelijking vragen.


Attitudes
8. Bij de uitvoering van de leestaak is de cursist bereid om


  • zich te concentreren op de leestaak;

  • zich in te leven in de socioculturele wereld van de tekst;

  • zich niet te laten afleiden als hij in een tekst niet alles begrijpt (weerbaarheid).


Tekstkenmerken

De te lezen teksten vertonen volgende kenmerken :




  • ze zijn waar mogelijk authentiek of semi-authentiek;

  • de inhouden hebben meestal betrekking op de directe leefsituatie van de cursist;

  • ze zijn meestal concreet, eenvoudig, voorspelbaar en vertrouwd;

  • ze zijn zeer kort en eenvoudig gestructureerd;

  • ze kunnen visueel ondersteund zijn;

  • ze bevatten stereotiepe formuleringen en standaarduitdrukkingen;

  • ze worden in een traag tempo gelezen.


3.2.4 Luisteren


Vaardigheden
De cursist kan op beschrijvend niveau :


  1. het globale onderwerp bepalen in informatieve teksten zoals een mededeling, een gesprek en een advies.

  2. het globale onderwerp bepalen in de beleving (d.i. de wensen, noden en gevoelens) van een spreker.

  3. het globale onderwerp bepalen in een klacht.

  4. alle gegevens in een eenvoudige instructie begrijpen.

De cursist kan op structurerend niveau :




  1. de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze ordenen in een uitnodiging en een afspraak.



Ondersteunende kennis
6. De cursist kan de ondersteunende kennis gebruiken die nodig is om de luistertaak uit te voeren :


  • woordenschat en grammatica/noties en functies;

  • uitspraak en intonatie;

  • taalregister (enkel formeel en informeel);

  • de socioculturele aspecten (sociale conventies en gebruiken).



Strategieën
7. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de luistertaak kan de cursist volgende leerstrategieën (cognitief en metacognitief) toepassen :


  • het luisterdoel bepalen;

  • relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

  • zijn luistergedrag afstemmen op het luisterdoel (skimmen en scannen).

8. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de luistertaak kan de cursist volgende communicatiestrategieën (o.m. compenserende strategieën) gebruiken :




  • gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal en aandacht hebben voor niet-verbaal gedrag;

  • in een gesprekssituatie om uitleg vragen, vragen om te herhalen en trager te spreken.



Attitudes
9. Bij de uitvoering van de luistertaak is de cursist bereid om


  • grondig en onbevooroordeeld te luisteren naar wat de gesprekspartner zegt;

  • zich in te leven in de socioculturele wereld van de gesprekspartner;

  • zich niet te laten afleiden als hij in een tekst niet alles begrijpt (weerbaarheid).



Tekstkenmerken
De te beluisteren teksten vertonen de volgende kenmerken :


  • ze zijn waar mogelijk authentiek of semi-authentiek;

  • ze hebben betrekking concrete, eenvoudige, voorspelbare en vertrouwde inhouden;

  • ze zijn zeer kort en eenvoudig gestructureerd;

  • ze worden duidelijk geïntoneerd en gearticuleerd;

  • ze worden aan een laag tempo en in standaardtaal uitgesproken.

4 Leerinhouden


De explicitering van de ondersteunende kennis die nodig is om de volgende leerplandoelstellingen te realiseren, is:


  • Spreken: nummer 7

  • Schrijven: nummer 4

  • Lezen: nummer 5

  • Luisteren: nummer 6.

4.1 Contexten


Met ‘context’ wordt de situatie bedoeld waarin men de taal gebruikt. In het volledige leertraject zijn er vijftien contexten voorzien. Elke context dekt een ruim semantisch veld van woordfamilies, dat als vertrekpunt kan dienen voor het aanleren van de woordenschat in de vreemde taal.
Dezelfde contexten komen in verschillende richtgraden voor. In dat geval wordt er een stijgende complexiteit verondersteld.
Voor richtgraad 1 geldt dat de twaalf hieronder vermelde contexten aan het eind van de richtgraad aan bod gekomen zijn. Uiteraard ligt hierbij de nadruk op eenvoudig taalgebruik, dat betrekking heeft op de onmiddellijke leefwereld van de cursist. Voor deze richtgraad is de preferentiële - dus niet dwingende - volgorde van de contexten als volgt:
Module 1.1.1. = contexten 10, 1, 6, 3, 4

Module 1.1.2. = contexten 9, 11, 2, 8, 5, 7, 12.
Module 1.2.1. = contexten 10, 1, 6, 3, 4

Module 1.2.2. = contexten 9, 11, 2, 8, 5, 7, 12.




Richtgraad 1

Richtgraad 2

Richtgraad 3

Richtgraad 4


1. Contacten met

officiële instanties
2. Leefomstandigheden
3. Afspraken en regelingen
(logies en maaltijden)

4. Consumptie
5. Openbaar en privé-vervoer
6. Voorlichtingsdiensten
7. Vrije tijd
8. Nutsvoorzieningen
9. Ruimtelijke oriëntering
10. Onthaal
11. Gezondheids-voorzieningen
12. Klimaat




  1. Contacten met officiële instanties




  1. Leefomstandigheden




  1. Afspraken en regelingen
    (logies en maaltijden)




  1. Consumptie




  1. Openbaar en privé-vervoer




  1. Voorlichtingsdiensten




  1. Vrije tijd




  1. Nutsvoorzieningen




  1. Ruimtelijke oriëntering



  1. Onthaal




  1. Gezondheids-voorzieningen




  1. Klimaat




  1. Sociale communicatie op het werk







  1. Contacten met officiële instanties




  1. Leefomstandigheden




  1. Afspraken en regelingen
    (logies en maaltijden)




  1. Consumptie




  1. Openbaar en privé-vervoer




  1. Voorlichtingsdiensten




  1. Vrije tijd




  1. Nutsvoorzieningen




  1. Ruimtelijke oriëntering



  1. Onthaal




  1. Gezondheids-voorzieningen




  1. Klimaat




  1. Sociale communicatie op het werk




  1. Opleidings-voorzieningen




  1. Communicatie op het werk







  1. Contacten met officiële instanties




  1. Leefomstandigheden




  1. Afspraken en regelingen
    (logies en maaltijden)




  1. Consumptie




  1. Openbaar en privé-vervoer




  1. Voorlichtingsdiensten




  1. Vrije tijd




  1. Nutsvoorzieningen




  1. Ruimtelijke oriëntering



  1. Onthaal




  1. Gezondheids-voorzieningen




  1. Klimaat




  1. Sociale communicatie op het werk




  1. Opleidings-voorzieningen




  1. Communicatie op het werk



Wat het onderverdelen van contexten in subcontexten betreft, moet je voor ogen houden dat de opsomming van subcontexten per context steeds het woordje zoals vooronderstelt. De opsomming hieronder is dus limitatief noch dwingend. De volgorde van de subcontexten ligt niet vast en heeft dus ook geen nummering.

ONTHAAL’ (NR. 10)

- personalia

naam


adres

telefoonnummer

geboorteplaats

leeftijd


geslacht

- burgerlijke staat

- nationaliteit, herkomst en taal

- familie

- levensbeschouwing

- uiterlijk voorkomen

- karaktereigenschappen

- belangstelling

- beroep

CONTACTEN MET OFFICIËLE INSTANTIES’ (NR. 1)

- contacten met hulpdiensten (politie, ziekenhuis, brandweer)

- contacten met post, bank, OCMW, stadhuis, VDAB

VOORLICHTINGSDIENSTEN’ (NR. 6)

- telefoon, GSM

- audiovisuele pers (radio en televisie)

- geschreven pers (kranten en tijdschriften)

- Internet en elektronische post

AFSPRAKEN EN REGELINGEN



(LOGIES EN MAALTIJDEN)’ (NR. 3)

- de verschillende maaltijden

- uit eten en drinken (de verschillende eet- en drankgelegenheden)

- op hotel

- soorten vakanties

- uitnodiging, afspraak, reservatie

CONSUMPTIE’ (NR. 4)

- levensmiddelen

- huishoudartikelen

- boodschappen

- maten, gewicht, vorm, hoeveelheid, grootte

- prijs, geld

- betaalmogelijkheden (cash, elektronisch)

- kledij en mode

- kantoorbenodigdheden

- de wereld van de gevoelens (graag hebben, meer of minder, liever, …)

RUIMTELIJKE ORIËNTERING’ (NR. 9)

- oriëntatie, de weg

- beweging, richting, afstand

- hoeveelheid, afmetingen, snelheid

- tijdsindeling

dagen


maand

seizoenen …

- planning en intenties

- aspecten van land en volk (feesten,…)


GEZONDHEIDSVOORZIENINGEN’ (NR. 11)

- lichaamsdelen

- zintuigen

- gezondheidstoestand

- lichamelijke toestand (honger, dorst, vermoeidheid)

- hygiëne en lichaamsverzorging

- ziekte en ongeval

- medische hulp en verzorging

- apotheek en medicijnen

LEEFOMSTANDIGHEDEN’ (NR. 2)

- soorten huisvesting

- indeling van de woning

- meubilair

- huur

- dagelijkse activiteiten



- woonomgeving

- flora en fauna

- leefmilieu

NUTSVOORZIENINGEN’ (NR. 8)

- in de woning

gas


elektriciteit

water


verwarming

- in de garage (de auto, het benzinestation)

OPENBAAR EN PRIVÉ-VERVOER’ (NR. 5)

- types openbaar vervoer

- gebruik openbaar vervoer

tickets


bagage

dienstregelingen

berichten en aankondigingen

- privé-vervoer (transportmiddelen)

- het verkeer (verkeerstekens, wegcode)

VRIJE TIJD’ (NR. 7)

- vrijetijdsbesteding

- ontspanningsmogelijkheden

- vakantie

- sport
KLIMAAT’ (NR. 12)

- klimaat en weer

- de seizoenen

- het weerbericht

4.2 Taalhandelingen


De basis van dit leerplan is een communicatieve benadering van de taal. Vaardigheden hebben voorrang op kennis. De aandacht gaat in de eerste plaats naar wat de taalgebruiker moet kunnen doen met de taal. Dit wordt uitgedrukt in taalhandelingen, die algemeen of contextspecifiek zijn.


4.2.1. Algemene taalhandelingen






1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina