Afdeling frans richtgraad 1 Modulair



Dovnload 379.84 Kb.
Pagina3/10
Datum25.08.2016
Grootte379.84 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

Informatie uitwisselen





  • een mededeling doen

  • om een inlichting vragen

  • bevestigend en ontkennend antwoorden

  • uitdrukken dat men iets niet weet of begrijpt

  • bezit uitdrukken



Gevoelens en attitudes uitdrukken





  • basisgevoelens uitdrukken: tevredenheid, spijt, verbazing, hoop

  • bereidheid uitdrukken



Modaliteit uitdrukken





  • zekerheid uitdrukken

  • onzekerheid uitdrukken

  • waarschijnlijkheid uitdrukken



Actie uitlokken





  • iemand verzoeken iets (niet) te doen

  • om een herhaling vragen

  • om een herformulering vragen

  • om hulp vragen



Sociaal functioneren





  • iemand groeten

  • iemand aanspreken

  • zichzelf en anderen voorstellen

  • afscheid nemen

  • bedanken


4.2.2. Contextspecifieke taalhandelingen

Op basis van de 12 contexten kunnen de cursisten contextspecifieke taalhandelingen stellen zoals:


Onthaal (nr. 10)

  • Hun naam, adres en telefoonnummer meedelen

  • Hun geboorteplaats en –datum meedelen

  • Hun leeftijd, nationaliteit en land van herkomst meedelen en naar die van anderen vragen

  • Hun burgerlijke staat meedelen en naar die van anderen vragen

  • Informatie over hun opleiding meedelen

  • Fysieke basiskenmerken verwoorden

  • Algemene karaktereigenschappen verwoorden

  • De gezinsstructuur meedelen

  • Vragen hoe het met de gesprekspartner gaat



Contacten met officiële instanties (nr. 1)

  • Zichzelf en een ander kort voorstellen

  • Persoonlijke relaties meedelen en er bij anderen naar vragen

  • Een afspraak maken

  • De structuur van documenten en formulieren herkennen

  • Hulpdiensten contacteren



Voorlichtingsdiensten (nr. 6)

  • Eenvoudige boodschappen via telefoon en e-mail begrijpen

  • Eenvoudige instructies en waarschuwingen begrijpen en zelf formuleren

  • De essentie van een korte mededeling via de media begrijpen en doorvertellen

  • Persoonlijke gegevens op formulieren invullen



Afspraken en regelingen (logies en maaltijden) (nr. 3)

  • Een reservatie maken

  • De belangrijkste gegevens op een menukaart begrijpen

  • Om toelichtingen bij de menukaart vragen

  • Iets bestellen

  • Om de rekening vragen

  • Meedelen wat ze gewoonlijk eten en drinken



Consumptie (nr. 4)

  • Zeggen wat ze willen kopen

  • Naar hoeveelheden, kwaliteit en prijs vragen

  • Informeren naar kortingen en promoties

  • De munteenheden begrijpen en gebruiken



Ruimtelijke oriëntering (nr. 9)

  • Naar de weg vragen en de weg uitleggen

  • Meedelen waar ze zich bevinden

  • Tijd, afstand en snelheid meedelen

  • Afmetingen begrijpen en meedelen

  • Bewegingen begrijpen en uitdrukken

  • Feestdagen en festiviteiten meedelen en ernaar vragen



Gezondheidsvoorzieningen (nr. 11)

  • De dokter verwittigen

  • Een gezondheidsklacht verwoorden

  • Zeggen waar ze pijn hebben

  • Om toelichtingen over een ziekte vragen

  • Een geneesmiddel bestellen

  • Zeggen dat ze honger of dorst hebben



Leefomstandigheden (nr. 2)

  • Beschrijven waar en hoe ze wonen, en er bij anderen naar vragen

  • De indeling van een woning meedelen

  • Hun dagindeling beschrijven

  • Zeggen waar en bij wie ze werken

  • Basiskleuren gebruiken



Nutsvoorzieningen (nr. 8)

  • Elementaire nutsvoorzieningen in een woning vermelden

  • Aan een garagehouder een probleem met de auto meedelen



Openbaar en privé-vervoer (nr. 5)

  • Naar elementaire informatie over kostprijs, vertrek en aankomst vragen

  • Courante transportmiddelen benoemen

  • Zeggen hoe ze zich verplaatsen

  • De verkeersinfrastructuur begrijpen



Vrije tijd (nr. 7)

  • Courante ontspanningsmogelijkheden benoemen

  • Zeggen wanneer, waar en hoe ze met vakantie gaan

  • De belangrijkste hobby's verwoorden



Klimaat (nr. 12)

  • Elementaire zaken over het weer verwoorden

  • De verschillende seizoenen verwoorden

  • Basisgegevens i.v.m. het weer berichten en kort verwoorden

4.3 Taalsysteem


De aanpak van de grammatica heeft grondige wijzigingen ondergaan sinds de opkomst van het communicatief vaardigheidsonderwijs: grammatica wordt niet langer beschouwd als een doel op zich, maar als een middel om efficiënter te kunnen communiceren. Daaruit volgt dat je kennis en gebruik van de metataal tot het strikte minimum beperkt.
De lijst van grammaticale elementen die hierna wordt opgesomd, is minimaal maar zeker niet limitatief: een communicatieve aanpak vooronderstelt uiteraard dat je op de praktische noden van de cursist ingaat.


4.3.1. Woordsoorten, morfologie en spelling

Le verbe


la conjugaison des verbes réguliers, de quelques verbes irréguliers très fréquents (p. ex. les verbes modaux) et de quelques verbes pronominaux très fréquents

- à l’indicatif présent

- à l’indicatif futur proche

- à l’impératif


le conditionnel de politesse (uniquement à le deuxième personne)
L’article

- l’article indéfini (+ l’emploi de ‘de’ dans la phrase négative)

- l’article défini

- l’article contracté


Le substantif

- le genre

- le nombre: pluriels réguliers en -s et quelques pluriels irréguliers très fréquents
L’adjectif

- variation en genre

- variation en nombre

- l’adjectif possessif

- l’adjectif démonstratif

- l’adjectif interrogatif

- l’adjectif numéral cardinal
Le pronom

- le pronom personnel sujet (atone et tonique)

- le pronom réfléchi
L’adverbe

- les adverbes les plus courants

- les adverbes interrogatifs
La préposition

- les prépositions les plus fréquentes


La conjonction

- les conjonctions les plus fréquentes

spelling

In module 1.1 maak je de cursist op receptief niveau vertrouwd met de spelling van het Frans. Hierbij maak je hem onder meer duidelijk dat een geschreven accent verband houdt met de uitspraak van een letter en niet met de beklemtoning van een woord (zoals bijvoorbeeld in het Spaans).


Bovendien is het niet alleen nodig de aandacht te vestigen op de juiste schrijfwijze van de woorden of de ‘orthographe d’usage’, maar ook op de ‘orthographe grammaticale’ (bijvoorbeeld op het gebied van de vervoegingen, congruentie enz.).

4.3.2 Syntaxis

La phrase affirmative

- la phrase affirmative simple
La phrase négative

- la phrase négative simple


La phrase interrogative

- la phrase interrogative simple


La phrase impérative

- la phrase impérative affirmative

- la phrase impérative négative

4.4. Taalregisters
Richtgraad 1 beoogt een taalgebruik wat we 'neutraal' of 'algemeen' kunnen noemen. Maar aangezien Franstaligen, zowel hoogopgeleiden als leden van de hogere sociale klassen, bij mondeling taalgebruik zeer snel overschakelen op het informeel register van het 'français familier', lijkt het niet overbodig kort op de problematiek in te gaan -tenzij de omstandigheden iets anders zouden vereisen -, en op zijn minst de cursist te sensibiliseren voor dat type taalgebruik, zodat hij het toch kan herkennen.
De woordenschat lijkt daarbij het voor de hand liggende vertrekpunt. Zaken uit de onmiddellijke leefwereld van de cursist verdienen hierbij de voorkeur. Denken we maar aan zaken als 'mon fric', 'ma bagnole', 'mon boulot', … waarmee men zeer snel wordt geconfronteerd in een Franstalige omgeving en die vroeger kordaat als 'fout' zouden zijn bestempeld. Tegenwoordig zijn linguïsten het erover eens dat men niet kan praten over 'le' français maar over 'les' français.
Anderzijds kan het ook nuttig zijn de cursist te wijzen op het formele register voor wat het schriftelijk taalgebruik betreft, omdat hij in richtgraad 1 reeds korte briefjes moet kunnen schrijven. Het is daarbij van cruciaal belang dat de cursist inziet dat een mededeling in correct Frans toch haar doel voorbij kan schieten. Denken we maar aan het 'tutoyeren' van een onbekende taalgebruiker, bijvoorbeeld, dat wrevel opwekt en bijgevolg tot problemen met de communicatie kan leiden.
4.5 Uitspraak en intonatie
Je dient van bij het begin voldoende aandacht te besteden aan het uitspraakonderwijs, omdat er anders later onvermijdelijk fossilisatieproblemen zullen optreden. Met andere woorden: de basis voor een goede uitspraak wordt gelegd van bij het begin van het leerproces.
Je kunt niet verwachten van een cursist uit richtgraad 1 dat hij perfect de (standaard)uitspraak en intonatie van het Frans beheerst. Maar van meet af aan moet hij beseffen dat een foute uitspraak onvermijdelijk communicatieproblemen oplevert.
Ook de intonatie en het zinsritme verdienen je aandacht. Het is belangrijk de cursist diverse intonatiepatronen te leren interpreteren en ook te laten imiteren, omdat dat zijn communicatievaardigheid zal bevorderen.
Taal is in de eerste plaats klank. Een taal leren is dus aandachtig (leren) luisteren en zo nauwkeurig mogelijk de klanken trachten na te bootsen. Je taalgebruik en het gebruikte auditieve materiaal moeten dus van goede kwaliteit zijn, omdat de cursist ze zal imiteren. Probeer vooral een zo natuurlijk mogelijke spreekstijl te hanteren.

Alle fenomenen zijn niet even frequent en dus wellicht niet allemaal even belangrijk in het begin. De volgende aspecten kunnen aan bod komen:


- l'alphabet

- les sons

les voyelles (y compris les nasales)

les semi-consonnes

les consonnes (sourdes et sonores)

- les syllabes

- les phénomènes d’élision (p. ex. la chute du 'e muet' final)

- les phénomènes d’assimilation (p. ex. exact)

- les phénomènes de liaison (p. ex. adjectif + substantif, ‘h’ muet ou aspiré)

- l'accent (dans le mot, dans la phrase)

- la prosodie

l'accentuation dans la phrase

l'intonation (p. ex. l’expression d’un doute, d’une certitude, des sentiments)

- le rythme.

Een aantal aandachtspunten voor Nederlandstaligen zijn: 4
- les voyelles nasales (p. ex. -on ou -an)

- la prononciation du 'r'

- la différence entre certains sons (p. ex. oui et lui, peu et peur)

- les consonnes sonores finales (p. ex. belge, grande, gaz)

- le 's' dans certaines séquences (p. ex. société nationale, monsieur)

- la succession de consonnes (p.ex. la chemise jaune est assez sèche)

- 'h aspiré' versus 'h muet'

- les phénomènes de liaison (p.ex. ils ont et ils sont, les héros et les hélicoptères)

- la prononciation de ‘tout’ (p. ex. tout blanc, toute blanche, tout étonnée)

- la différence entre le ‘e’ fermé, le ‘e’ ouvert et le ‘e’ muet (p. ex. élève)

- les marques du féminin (p.ex. grand et grande)

- l’enchaînement des voyelles (p.ex. où est Hugo ?)

4.6 Socioculturele aspecten
Socioculturele vaardigheid is de vaardigheid om (non-)verbale communicatie af te stemmen op de socioculturele leefwereld van de gesprekspartner in de doeltaal. De cursist krijgt vanaf richtgraad 1 de kans zich geleidelijk aan bewust te worden van mogelijke verschillen tussen zijn eigen cultuur en die van de gesprekspartner en ontwikkelt de vaardigheid om met die verschillen om te gaan. Het spreekt voor zich dat vooroordelen daarbij uit de weg worden geruimd en plaats maken voor een meer genuanceerd beeld van het land of de regio in kwestie en zijn bewoners.
Het lijkt wenselijk de Nederlandstalige cursist er van meet af aan op te wijzen dat, hoe gelijkaardig de Franse cultuur lijkt te zijn aan de Belgische, en zelfs de Vlaamse aan de Waalse, er soms toch wezenlijke verschillen tussen de twee culturen lijken te bestaan. Voor moedertaalsprekers van bijvoorbeeld een niet-Europese taal daarentegen zal dat uitgangspunt meteen een evidentie zijn.
Wijs bijvoorbeeld reeds vanaf het begin op het belang dat Franstaligen hechten aan beleefdheidsconventies, zowel mondeling als schriftelijk. Taalfouten worden als minder hinderlijk ervaren in de omgang dan fouten tegen de sociale conventies, zoals bij voorbeeld het ‘tutoyeren’ van een onbekende taalgebruiker in een formele context.


4.6.1. Socioculturele conventies

Het lijkt niet nuttig in richtgraad 1 zeer diep op bepaalde socioculturele aspecten in te gaan, tenzij er goede redenen zouden bestaan om het wel te doen. Het volstaat dat je de dagelijkse gebruiken in Franstalig België en Frankrijk als praktisch uitgangspunt neemt, evenals de meest in het oog springende socioculturele kenmerken van de samenleving in kwestie om de belangstelling van de cursist op te wekken voor de wereld van de ‘Francophonie’. In de hogere richtgraden kan hierop dan verder gebouwd worden, met uitbreiding naar andere Franstalige gebieden indien wenselijk.


Het lijkt ook voor de hand te liggen dat je in richtgraad 1 Frankrijk en Franstalig België als een homogeen geheel beschouwt. In de hogere richtgraden kan men dan ingaan op regionale verschillen.
Op het einde van richtgraad 1.1 beschikt de cursist over voldoende kennis van een aantal elementaire zaken in verband met de cultuur en de gebruiken van de doeltaal, zij het niet op een productieve, dan toch op een receptieve manier.
4.6.2 Non-verbale communicatie

De non-verbale communicatie is een aspect dat je niet mag verwaarlozen. Een foutieve interpretatie van non-verbaal gedrag kan bij alle gesprekspartners tot misverstanden en wrijvingen leiden.


Het is aangewezen reeds in richtgraad 1 de cursist attent te maken op het gebruik van elementaire non-verbale communicatie eigen aan Franssprekenden.
De cursist moet zich bewust zijn van de conventies m.b.t. de volgende aspecten:

- elkaar de hand schudden

- iemand (niet) aanraken

- iemand (niet) omhelzen of (g)een zoen geven

- gebaren maken met de ledematen

- fysieke afstand tussen de sprekers respecteren

- al dan niet oogcontact onderhouden.
Als algemene regel geldt dat Franstaligen gemakkelijker gebruik maken van fysiek contact dan Vlamingen. Vlamingen worden om die reden dan ook vaak als koel en afstandelijk bestempeld. Franstaligen houden er een naar ons gevoel meer 'drukke' communicatiestijl op na. Het is bij voorbeeld niet ongebruikelijk de gesprekspartner tijdens het gesprek te onderbreken. Zoiets wordt als normaal, en dus niet als hinderlijk beschouwd, omdat het de levendigheid van de communicatie ten goede komt.
Het is van belang dat je de cursist vanaf richtgraad 1 op deze interculturele verschillen wijst, zodat hij op zijn minst bewust is van de genoemde verschillen, de bedoeling van een Franstalige correct kan inschatten en zelf geen aanleiding geeft tot ongewenste interpretaties.

5 Methodologische wenken
Communicatief vaardigheidsonderwijs is de uiteindelijke doelstelling van het taalonderwijs. De fundamentele opdracht van de leraar bestaat er dan ook in om zijn cursisten productief en receptief taalvaardig te maken en hen te begeleiden bij hun groei naar talige autonomie en bekwaamheid om zelfstandig te leren.

In dat proces van vaardigheidsverwerving moeten de noodzakelijke bouwstenen voor communicatie zoals woordenschatkennis, beheersing van het taalsysteem, socioculturele competentie en tekstcompetentie hun geëigende, functionele plaats krijgen.


De didactische implicaties van deze oriëntering zijn dan ook cursistgerichtheid, strategieontwikkeling, de verwerving van metacognitie (de reflectie over het eigen leerproces) als voorwaarde voor strategisch handelen, taakgericht onderwijs en de holistische benadering van taal (taal als geheel).
Deze implicaties zijn hieronder als wenken vertaald. Ze hebben in de onderwijspraktijk hun bruikbaarheid bewezen en zijn in de vakliteratuur gerapporteerd. Ze kunnen een aanvulling of een verfijning zijn van je eigen onderwijs en voor variatie in je werkvormen zorgen.

Uiteraard zul je vaststellen dat sommige wenken en voorbeelden niet toepasbaar zijn voor elke taal of elke richtgraad.

Voor het onderwijs in talen die weinig of geen verwantschap vertonen met de talen die de cursisten actief beheersen of waarmee ze receptief vertrouwd zijn, zullen geëigende didactische werkvormen nodig zijn. Ook in die gevallen blijft het oorspronkelijke uitgangspunt, namelijk de ontwikkeling van de communicatievaardigheid, onverkort gelden.
De hieronder volgende didactische wenken zijn geen concrete recepten, wel stimulansen om de aangereikte aanzetten verder te exploreren.

Oriënteer de lesactiviteiten op de training van de vier vaardigheden.
Zeker in de beginfase van de taalopleiding is het belangrijk om veel aandacht te besteden aan de training van elke vaardigheid.
Goed leren luisteren helpt niet alleen een goede uitspraak te verwerven, het ondersteunt ook de ontwikkeling van de andere vaardigheden. Bovendien kan het geoefend worden zonder te hoeven spreken, lezen of schrijven in de vreemde taal.

In de beginfase is het moeilijk om uit te gaan van volledig authentiek taalmateriaal: gesproken taal lijkt dikwijls ongestructureerd en chaotisch. Authentieke teksten op beginnersniveau zijn wel bruikbaar als ze kort en eenvoudig zijn, en als er een goede contextuele ondersteuning is, bijvoorbeeld in de vorm van illustraties of toelichtingen vooraf.

Luisteropdrachten kunnen extensief en intensief luisteren betreffen. Bij het eerste gaat het om een globaal begrip (bijv. luisteren naar een verhaaltje). Bij het tweede richten de cursisten zich meer op specifieke informatie (bijv. luisteren naar een mededeling op het perron).
Goed kunnen lezen ondersteunt en ontwikkelt de andere vaardigheden, speelt een rol bij het verwerven en consolideren van woordenschat, morfologie en syntactische structuren, en introduceert de cursisten in een andere cultuur en samenleving.

Ook hier kun je een onderscheid maken tussen extensieve en intensieve leesvaardigheid.

Oefenopdrachten kun je het beste toesnijden op het inoefenen van de leesstrategieën die een goed lezer hanteert: de verhaallijn zoeken, de inhoud van een volgend tekstgedeelte voorspellen, de betekenis van onbekende woorden uit de context proberen afleiden, logische verbanden in een tekst opsporen.
De beste benadering van de spreekvaardigheidstraining is de directe exploitatie. Daarmee wordt het systematisch inoefenen van het productief mondeling taalgebruik vanaf het begin van de opleiding bedoeld: verworven kennis van woordenschat, grammatica en taalfuncties worden zo snel mogelijk toegepast in communicatieve situaties. Deze benadering komt overigens tegemoet aan de verwachtingen van de cursisten om op korte termijn iets te doen met wat ze leren, ook al zijn hun talige middelen nog beperkt.

Waar die talige middelen tekortschieten, kun je de cursisten helpen om compensatiestrategieën te ontwikkelen (verzoeken om iets te herhalen of om langzamer te spreken, parafraseren enz.). Vanzelfsprekend streef je ernaar dat alle communicatie met en onder de cursisten in de doeltaal verloopt.


Schrijven in de vreemde taal heeft verschillende functies. Het bevordert het verwervingsproces van nieuwe taalelementen: het opschrijven van die elementen in de beginfase van de opleiding kan ervoor zorgen dat ze beter beklijven. Daarnaast ondersteunt het de andere vaardigheden: wie in een transcriptie van een mondeling aangeboden tekst ontbrekende elementen moet invullen, zal effectief leren luisteren. Ten slotte bereidt het de cursisten voor op adequaat functioneren in een maatschappelijke, vreemdtalige context (een informatieve brief schrijven, reageren op advertenties, formulieren invullen enz.).
In de communicatieve benadering ligt het accent uiteraard op de noodzaak om de vaardigheden zo systematisch mogelijk in elkaar te laten schuiven, precies zoals dat in reële taalgebruiksituaties het geval is. Wel kunnen ze bij de evaluatie gescheiden worden om redenen van diagnostische en remediërende aard.


Besteed voldoende aandacht aan de verwerving van ondersteunende kennis

Communicatieve competentie vooronderstelt in de eerste plaats taalcompetentie; woordenschatbeheersing en kennis van het taalsysteem zijn er essentiële bouwstenen van.


Onderzoeksmatig is gebleken dat leerders nieuwe woordenschat het best integreren en onthouden als het onderwijs erin goed georganiseerd is en strategisch wordt aangepakt.

Het doel van de woordenschatlessen is dan ook om de strategieën voor het begrijpen van teksten en voor het memoriseren van nieuwe woorden bij de cursisten te ontwikkelen.


Cursisten moeten beseffen dat het niet nodig is om alle woorden in een tekst te kennen om die tekst ook globaal te verstaan. Elke tekst bevat een aantal elementen die kunnen helpen de betekenis van onbekende woorden te ontsluiten. Train dus je cursisten in het afleiden van woordbetekenissen uit de context en leer hen te letten op de functie van bijv. intonatie, punctuatie en morfologie (stam, voor- en achtervoegsels).
Om woorden te memoriseren, is het aanbieden van (vertaalde) lijsten van geïsoleerde woorden zonder context weinig productief. Volgens veel taalverwervingstrategieën wordt woordenschat in ons langetermijngeheugen opgeslagen, niet zozeer als geïsoleerde morfemen, maar vooral als samenhangende stukken. Als leraar kun je daarop inspelen door, vanaf de start van de opleiding nieuwe woordenschat als lexicale eenheden aan te bieden.

Je kunt daarbij uitgaan van woordassociaties (winter/koude), synoniemen (huis/ woning), antoniemen (geslaagd/gezakt) connotaties (man/heer), hiërarchische reeksen (flatgebouw/appartement/zitkamer/bankstel).


Train je cursisten ook in het hanteren van spreekwoorden, idiomatische uitdrukkingen, woordverbindingen (bijv. een oordeel uitspreken, een beslissing nemen), alternatieven voor connectoren (bijv. dit heeft tot gevolg naast bijgevolg) en lexicale uitdrukkingen (bijv. voor zover ik weet/als ik jou was).

Het memorisatieproces zal bevorderd worden als de nieuwe woordenschat goed gedoseerd is – overschat het assimilatievermogen van de cursist niet – en als de woordenschatoefeningen zoveel mogelijk een beroep doen op de zelfwerkzaamheid van de cursist.


De communicatieve benadering gaat ervan uit dat een leerder het taalsysteem (grammatica, morfologie en syntaxis) leert beheersen door op een zo natuurlijk mogelijke manier in die taal te communiceren. Op basis van de – grotendeels onbewuste – verwerking van het taalmateriaal in begrijpelijke en toegankelijke teksten zal de leerder zelf de relevante onderliggende regels en structuren leren identificeren, assimileren en automatiseren.

Dit betekent echter niet dat expliciete instructie a priori te vermijden is. Bij de impliciete taalverwerving zal ze immers een belangrijke ondersteunende rol spelen. Vertrek daarbij systematisch vanuit de betekenis (de communicatieve intentie die de cursist moet realiseren) en reik, van daaruit, de elementen van het taalsysteem aan die daarvoor nodig zijn.

Het spreekt vanzelf dat je het aanbod van nieuwe elementen van het taalsysteem goed doseert en plant. Aangezien taalverwerving cyclisch verloopt, diep je een bepaald grammaticaal aspect in de hogere cursusjaren verder uit. Op die manier leren de cursisten complexere realisatievormen geleidelijk aan beheersen.
Het is aan te bevelen om bij lexicale en grammaticale fouten niet onmiddellijk in te grijpen, want dan ondermijn je het zelfvertrouwen en de spreekdurf van je cursisten. Zeker in de beginfase van de opleiding is vlotheid in tekstproductie minstens zo belangrijk als accuraatheid en zal je voorlopig een zekere “tussentaal” moeten aanvaarden. Op elk moment van zijn leerproces beschikt de leerder immers over een zelf opgebouwd tussentaalsysteem, waarmee hij uitingen in een vreemde taal kan begrijpen en zelf produceren. Naarmate het leerproces vordert en de leerder steeds meer met (complexere) authentieke teksten wordt geconfronteerd, zal die tussentaal vrijwel automatisch dichter bij de standaardtaal aansluiten.
Parallel met de aandacht voor de zinsgrammatica – die tegen het einde van richtgraad 2 in voldoende mate verworven moet zijn – dient ook de tekstgrammatica aan bod te komen. Daarin zijn aspecten aan de orde zoals de markering van de tekstgeleding, perspectiefkeuze (zenderperspectief versus ontvangerperspectief), stijldimensies en bouwplannen voor diverse mondelinge en schriftelijke tekstsoorten.

Bereid de cursisten geleidelijk voor op zelfstandig leren
Cursisten evolueren van het niveau waarop ze de doeltaal hanteren om te overleven, tot het niveau van zelfredzame, competente taalgebruikers. Om de cursisten zo efficiënt mogelijk tot talige autonomie te brengen, moet je ze in toenemende mate de gelegenheid geven om zelfstandig te leren. Als ze dat stadium bereikt hebben, zullen ze, na beëindiging van de opleiding, in staat zijn tot zelfverantwoordelijk leren (in het perspectief van levenslang leren).

De overgang van sterk leraargestuurd leren naar zelfstandig leren waarbij je als leraar veeleer als begeleider optreedt, verloopt uiteraard geleidelijk.


Uitgaande van de duidelijke relatie tussen actief leren en communicatief taalonderwijs moeten de cursisten in toenemende mate verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces krijgen en uitgenodigd worden om daarover te reflecteren.

Cursisten kunnen hun eigen leerproces ontwikkelen als ze bijvoorbeeld met probleemoplossingstrategieën leren omgaan, bronnen voor informatievinding leren consulteren, diagnostische toetsen voor zelfevaluatie leren hanteren.

Cursisten kunnen hun leerstrategieën optimaliseren en eventueel bijsturen als ze geleerd hebben te reflecteren over de kwaliteit van het gerealiseerde taalproduct en over het totstandkomingproces. Om die metacognitie te bevorderen, kun je de cursisten vragen om in samenwerking met anderen een taak uit te voeren, te overleggen over de aangewezen aanpak, die aanpak voor de anderen toe te lichten en die te laten evalueren, een checklist te hanteren voor de revisie van de uitgevoerde opdracht.
Als leraar moet je het verwerven van kennis, vaardigheden en leerstrategieën door je cursisten begeleiden en remediëren door gepaste vormen van hulp en ondersteuning. Je sturing zal groot moeten zijn zolang de cursisten niet in staat zijn om hun eigen leerproces te beheren, te evalueren en te corrigeren. Ze zal verminderen naarmate de cursisten zichzelf metacognitief in de hand hebben: ze kunnen het eigen leerproces dan steeds effectiever sturen, zowel in bekende (les)situaties als in nieuwe (transfer). In dat stadium stel je je op als begeleider, die ervoor zorgt dat het bewustmakingsproces bij de cursisten zo goed mogelijk verloopt. Je rol is dan hoofdzakelijk initiërend, motiverend en begeleidend.
Als begeleider moet je er ook rekening mee houden dat niet alle cursisten op dezelfde manier leren. Vrijwel elke cursist heeft een eigen leerstijl. Het is de unieke weg die elk individu volgt om informatie te verzamelen en te verwerken, de eigen manier om een leertaak aan te pakken. Leerstijlinformatie kun je verkrijgen door de cursisten naar hun voorkeur te vragen in verband met o.a. informatieverwerking, cognitieve verwerking, leeromgeving en verwachtingen.

Als je met die leerstijlinformatie rekening houdt, werk je nog meer cursistgericht.



Werk taakgericht in een krachtige leeromgeving
Leerpsychologisch wordt aangenomen dat een leerder vooral leert door te handelen. Hij construeert zelf zijn kennis op grond van opgedane ervaringen en leert uit sociale interactie met anderen.

Taakgericht onderwijs is hiervoor aangewezen: door een taak uit te voeren, analyseert de leerder gaandeweg de code of structuur van de taal en leert hij die in wisselende taalgebruiksituaties toepassen (transfer).

In de taakgerichte benadering verschuift het onderwijsperspectief van het aanbieden van leerstof door de leraar naar het zelfontdekkend leren door de cursisten. Bij het uitvoeren van de diverse taakonderdelen zullen de cursisten diverse vaardigheden ontwikkelen: een probleem identificeren en ontleden, informatie uit diverse bronnen verzamelen, orde en structuur in de informatie aanbrengen, een resultaat voorstellen en verantwoorden, reflecteren over de gevolgde werkwijze en die eventueel voor een volgende opdracht bijstellen. Al deze vaardigheden zijn onmisbaar voor de ontwikkeling van het eigen leerproces.

Deze aanpak biedt de mogelijkheid om de heterogeniteit in de cursistengroep tot haar recht te laten komen. De cursisten leren vanuit hun eigen referentiekader ervaringen, kennis en vaardigheden met elkaar te delen. Ze leren samen problemen bij de taakuitvoering op te lossen (coöperatief leren) en ontwikkelen leerautonomie.

De opdrachten moeten qua strekking, materiaal, activiteiten en interactie zoveel mogelijk beantwoorden aan de individuele leerbehoeften en de leerstijl van de cursisten.


De cursistgerichtheid van het taakonderwijs vooronderstelt de aanwezigheid van een krachtige leeromgeving. Die kan je als leraar creëren door motiverende, uitdagende en realistische taken op te leggen, de cursisten te vragen om de uitvoering ervan zelf te organiseren, hun de gelegenheid geven om zelfontdekkend en probleemoplossend bezig te zijn, authentieke documenten en bronnen als hulpmiddelen voor de taakuitvoering ter beschikking te stellen, de cursisten te wijzen op de mogelijkheden van het Internet voor opzoekwerk.

Wees bereid om van je collega's te leren
Didactische competentie komt bij niemand aangewaaid. Wel kan je ze ontwikkelen door te zorgen voor optimale randvoorwaarden, over je eigen didactisch handelen te reflecteren en dat desgevallend bij te sturen.

Geregeld contact met je collega's in het vakoverleg kan hierbij een cruciale en stimulerende rol spelen. Dat vakoverleg kan op de volgende aandachtspunten slaan.


Geschikt lesmateriaal is uiteraard een belangrijke randvoorwaarde voor effectieve taalverwerving. Voor vele beginnende leraren is de taalmethode (het handboek) het centrale didactische instrument. Daardoor oefent ze een sterke sturing uit op de onderwijspraktijk en het onderwijsleerproces. Aangezien het onderwijs echter op de realisatie van de decretaal vastgelegde eindtermen toegesneden moet worden, is het zaak om de inhoud van de methode daaraan te toetsen.

Het uitwisselen van ervaringen met collega's kan je helpen om uit het aanbod op de educatieve markt een afgewogen keuze te maken.

Vermoedelijk zal aanvullend lesmateriaal onontbeerlijk zijn. Dat is zeker het geval voor de opleidingen op het niveau van richtgraad 3 en 4. Het ligt dan ook voor de hand om in het vakoverleg met collega's afspraken over cursusontwikkeling te maken.
Om een krachtige leeromgeving te creëren, zijn o.a. de volgende vragen aan de orde:

Welke didactische apparatuur is er nodig? Welke interactieve multimedia zijn aangewezen? Welke taken zijn geschikt voor zelfontdekkend leren? Hoe zorgen we ervoor dat elke cursist zelf zijn eigen 'beste' leerstijl ontwikkelt?


Een afsluitende wenk: toets je eigen onderwijsstijl aan die van je collega's. De perceptie van leraren over lesgeven die ze vanuit hun eigen schooltijd hebben opgebouwd, bepaalt in ruime mate hun eigen onderwijsgedrag als ze voor een klas staan. Dit kan leiden tot eenzijdig lesgeven. Daarom zou er ruimte moeten zijn voor intervisie: observatie van mekaars didactisch handelen en de gedachtewisseling daarover kan in belangrijke mate bijdragen tot de verbetering van de eigen lespraktijk.
6 Evaluatie
Op het einde van elke module wordt nagegaan of de algemene doelstellingen en leerplandoelstellingen gerealiseerd zijn. In richtgraad 1 en 2 worden de vier vaardigheden geëvalueerd (luisteren, lezen, spreken, schrijven). In de mondelinge modules 3.1 en 4.1 worden enkel de luister- en spreekvaardigheid geëvalueerd. En in de schriftelijke modules 3.2. en 4.2 enkel de lees- en de schrijfvaardigheid.

Het uitgangspunt hierbij is het wettelijk kader dat bepaalt dat er ten minste een examen is na elke module en na elk leerjaar. Gespreide evaluatie en permanente evaluatie5 kunnen ingericht worden en de resultaten ervan kunnen in de eindevaluatie verrekend worden. Het CVO bepaalt zelf zijn examenbeleid in een examenreglement, waarin de modaliteiten van de evaluatie worden opgenomen.



6.1 Visie
Functie van de evaluatie

Waarom evalueren? Evalueren heeft twee functies. Enerzijds laat het je toe om te bepalen of een cursist de leerplandoelstellingen behaald heeft. Deze summatieve criteriumevaluatie6 is dus gericht op resultaatbepaling.

Anderzijds heeft evaluatie een begeleidende rol (formatieve evaluatie) en vormt het een basis voor het optimaliseren van het leerproces doordat de ingezamelde evaluatiegegevens informatie verstrekken over de sterke kanten en de tekortkomingen van de cursist én van het onderwijsproces.

Zo kan de cursist zijn leerproces bijsturen op voorwaarde dat de evaluatie gepaard gaat met kwaliteitsvolle feedback en remediëring. In die zin is de evaluatie een inherent deel van leren en onderwijzen. De rapportering moet dan zowel kwantitatief als kwalitatief zijn. Je kan kwantitatief rapporteren door een cijfer te geven. De kwalitatieve rapportering kan bijvoorbeeld gebeuren via een analytische scorewijzer, een beschrijving van de resultaten en/of een gesprek.

Ook als leraar kun je het onderwijsproces bijsturen en inspelen op de resultaten van de evaluatie. Het is aangewezen dat je daarbij differentieert en rekening houdt met de individuele noden van je cursisten. Overeenkomstig de specifieke moeilijkheden die de cursist ondervindt bij een bepaalde vaardigheid kun je hiertoe verschillende opdrachten voorzien. Zo kan een cursist die moeilijkheden ondervindt bij het schrijven bijvoorbeeld extra schrijfopdrachten uitvoeren en een cursist die problemen heeft bij het luisteren kan meer aan luistervaardigheid werken.

De evaluatie moet in ieder geval bijdragen tot het bevorderen van het leren en motiverend werken voor de cursist.

De evaluatie van communicatieve vaardigheden

Het moderne vreemdetalenonderwijs is communicatief - functioneel. Het evalueert de communicatieve vaardigheid van de cursist voor de betrokken richtgraad en stelt vast in welke mate hij in staat is zijn communicatieve intentie te realiseren door het mondeling of schriftelijk uitvoeren van bepaalde taalhandelingen (bijv. spreken: zijn gevoelens verwoorden; schrijven : een memo schrijven; luisteren : een televisieprogramma globaal begrijpen; lezen : de essentiële informatie van een krantenartikel begrijpen), zoals vooropgesteld in de leerplandoelstellingen.
Om na te gaan of een cursist een communicatieve intentie kan realiseren, kun je hem functionele, authentieke en (voor hem) relevante taakgerichte opdrachten laten uitvoeren. Hiervoor moet hij immers rekening houden met alle componenten die de communicatieve vaardigheid bepalen. Om efficiënt te kunnen communiceren, volstaat het niet dat de cursist de ondersteunende kennis beheerst (woordenschat, uitspraak, spelling, morfologie, syntaxis enz.). Hij moet ook de sociolinguïstische en discursieve aspecten beheersen.

De sociolinguïstische vaardigheid heeft betrekking op het adequate gebruik of begrip van taalfuncties, tekstconventies, toon, register en inhoud overeenkomstig de context waarin de communicatie zich afspeelt. De discursieve vaardigheid slaat dan weer op het beheersen van de kenmerken van verschillende tekstsoorten (conventies, structuur, lay-out). Beide deelvaardigheden (sociolinguïstische en discursieve) hebben een weerslag op het taalgebruik.


Een taakgerichte opdracht zal het je ook mogelijk maken om (indirect) de strategische component te evalueren.

De efficiënte taalgebruiker zal namelijk automatisch de gepaste communicatiestrategieën gebruiken waar dat nodig is. Hij zal bijvoorbeeld bij het lezen de betekenis van een onbekend woord afleiden uit de context en bij het schrijven een term omschrijven waarvoor hij het juiste woord niet kent of een woordenboek raadplegen indien dat kan.

Ook moet hij de nodige vaardigheden op het juiste moment inzetten. Hierbij doet hij een beroep op cognitieve (bijv. bij het lezen hypotheses maken op basis van de titel van een artikel) en metacognitieve strategieën7 (bijv. het leesdoel bepalen).

Als leraar evalueer je de communicatieve vaardigheid van de cursist reeds vanaf richtgraad 1 aan de hand van zo authentiek mogelijke communicatieve opdrachten. Ieder examen bevat minstens één communicatieve opdracht voor spreken, schrijven, luisteren en lezen. En ondersteunende kennis (morfosyntaxis, spelling, woordenschat enz.) beoordeel je zoveel mogelijk in betekenisvolle contexten.


Bij communicatieve opdrachten hoef je echter niet steeds alle componenten van de communicatieve vaardigheid (taalkundige, sociolinguïstische, discursieve, strategische) tegelijkertijd te beoordelen. Om pedagogische redenen en vereisten inherent aan de progressieve opbouw van kennis en vaardigheden kan je op bepaalde momenten in het curriculum één of meerdere deelvaardigheden beoordelen.

Ook kan je, overeenkomstig de doelstelling van de evaluatie, meer gewicht geven aan bepaalde vaardigheden dan aan andere. Een goede analytische scorewijzer bij de opdracht met relevante criteria en rubrieken die de te verwachten vaardigheid beschrijven helpt je om op een betrouwbare, valide, haalbare en didactisch relevante manier te evalueren (zie 6.2 Criteria).


Van richtgraad 1 naar richtgraad 4 worden de communicatieve opdrachten uiteraard progressief moeilijker. Die progressie kun je gedeeltelijk inbouwen door de moeilijkheidsgraad van de taak (soort tekst, formeel of informeel taalgebruik, inhoud of onderwerp) te verhogen. Verder kun je de progressie ook realiseren door de lengte van de oefening (bijv. hoeveel regels moet de cursist schrijven of lezen). In hogere niveaus kun je bovendien bij productieve vaardigheden strenger quoteren op vormelijke correctheid zowel wat zinsbouw en grammatica als wat woordenschat betreft. De moeilijkheidsgraad wordt ten slotte ook opgedreven wanneer de vaardigheden geïntegreerd worden geëvalueerd d.w.z. dat er meer dan één vaardigheid vereist wordt bij het oplossen van de opdracht (bijv. luisteren en schrijven bij het notuleren van het verslag van een vergadering).

Evaluatiemethoden

Examen, gespreide en/of permanente evaluatie

Het wettelijk kader bepaalt dat er ten minste een examen is na elke module en na elk leerjaar. Gespreide evaluatie en permanente evaluatie kunnen ingericht worden en de resultaten ervan kunnen in de eindevaluatie verrekend worden.


Gespreide evaluatie en permanente evaluatie zijn evaluatievormen die de begeleidende rol van het evalueren mogelijk maken. Maar je kunt leerprocessen natuurlijk ook begeleiden door tijdens de oefenfase de leeractiviteiten en de producten van de cursisten te observeren en bij te sturen waar nodig. Het is wél belangrijk dat je de cursist ook in de oefenfase over de evolutie van zijn kennis en vaardigheden informeert.

Door gespreid en/of permanent te evalueren, verhoog je in belangrijke mate de betrouwbaarheid van de eindbeoordeling ten eerste omdat je dan negatieve factoren, die toe te schrijven zijn aan subjectiviteit bij beoordelen, gedeeltelijk neutraliseert en verder omdat je de vraagstelling kan variëren en meerdere (deel)vaardigheden kan meten, zodat de cursisten extra kansen krijgen.



Evaluatie door de leraar, zelfevaluatie en coöperatieve evaluatie

Tijdens het leerproces wordt het leerrendement aanzienlijk verhoogd als je de cursist zoveel mogelijk bij de evaluatie betrekt. Zelfevaluatie, peerevaluatie (de cursisten evalueren elkaar) en coöperatieve evaluatie (de cursisten evalueren samen met de leraar) kunnen hierbij een grote rol spelen.

Deze evaluatiemethoden verhogen niet alleen de betrokkenheid van de cursist bij zijn eigen leerproces, maar bieden, in combinatie met de evaluatie door de leraar, een rijker beeld van zijn leer- en ontwikkelingsvorderingen. Ook vormen ze een efficiënte basis voor procesbegeleiding. Ze helpen de cursist bij het ontwikkelen van inzicht in criteria voor goede talige producten (brief, uiteenzetting, conversatie) en voor efficiënte leerstrategieën. Ze dragen er bovendien toe bij dat hij inzicht krijgt in zijn eigen leerstijl en de nodige flexibiliteit ontwikkelt om deze te verbeteren. Deze methoden zijn dus fundamenteel bij het ontwikkelen van de leerautonomie van de cursist.

Evaluatie-instrumenten

Evaluatie door de leraar, zelfevaluatie, peerevaluatie en coöperatieve evaluatie kunnen gebeuren op basis van verschillende instrumenten.

Als leraar kun je scorewijzers en evaluatielijsten invullen of door de cursisten laten invullen over de kwaliteit van hun product en/of over de kwaliteit van het proces of de aanpak van de taak. Je kunt een stap verder gaan in het autonomiseringsproces door samen met de cursisten een scorewijzer of evaluatielijst op te stellen.

Ook logboeken, waarin de cursist zelf verslag geeft over zijn leervorderingen en specifieke aandachtspunten in zijn leerproces inventariseert, bieden heel wat mogelijkheden.

En het portfolio als instrument voor diagnose van de taalkennis en als ondersteuning van het leerproces heeft ook zijn nut bewezen.

De gegevens over de leer – en ontwikkelingsvorderingen van de cursist die je systematisch inzamelt op basis van scorewijzers, logboeken, portfolio’s en gesprekken kunnen in aanmerking komen voor de summatieve evaluatie of eindbeoordeling.




Collegiaal overleg


Het is belangrijk om in een CVO een coherent vreemdetalenbeleid te voeren en in het lerarenteam tot een consensus over de evaluatiepraktijk te komen. Een eenduidig en transparant systeem komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede.


6.2 Criteria

Een relevante evaluatie beantwoordt aan een aantal criteria. Validiteit, betrouwbaarheid, transparantie, authenticiteit, didactische relevantie en haalbaarheid zijn criteria die bijdragen tot de kwaliteit van de evaluatie.



Validiteit

De evaluatie is valide in de mate dat ze meet wat zij zich voorneemt te meten. Om valide te zijn moet de evaluatie aan volgende voorwaarden voldoen:


- de combinatie van taak en tekst moet geschikt zijn om de deelvaardigheid te meten die men wil meten;

- de opgaven moeten representatief zijn voor de behandelde leerinhoud;

- ze moet een aanvaardbare moeilijkheidsgraad hebben;

- wat je evalueert, moet ook voldoende ingeoefend zijn.



Betrouwbaarheid

De evaluatie is betrouwbaar in de mate dat ze niet afhankelijk is van het moment van afname of correctie. Een hoge betrouwbaarheid verkrijg je door:


- nauwkeurige, duidelijke, ondubbelzinnige vragen te stellen;

- te verbeteren op basis van een duidelijk correctiemodel of scorewijzer met puntenverdeling;

- relatief veel vragen te stellen;

- gevarieerde opdrachten en instructies aan te bieden die rekening houden met de verschillende leerstijlen;

- aan de cursist voldoende tijd te geven om de toets uit te voeren;

- veel evaluatiebeurten te voorzien.



Transparantie en voorspelbaarheid

De evaluatie moet transparant en voorspelbaar zijn. Ze mag dus voor de cursisten geen verrassingen inhouden. Daarom moet ze aan volgende voorwaarden voldoen:


- ze moet aansluiten bij de wijze van toetsen die de cursist gewoon is;

- de cursist moet vooraf over de beoordelingscriteria geïnformeerd worden;

- de cursist is precies op de hoogte van wat hij moet kunnen en kennen.

Authenticiteit

De evaluatie is authentiek als de uit te voeren opdrachten relevant zijn voor levensecht taalgebruik. Authentieke teksten, voor de tekstsoort relevante taken en functionele situaties dragen bij tot de authenticiteit van de evaluatie.



Didactische relevantie

De evaluatie is didactisch relevant als ze bijdraagt tot het leerproces. De cursist moet uit de beoordeling iets kunnen leren. Daarom is het essentieel feedback te geven aan de cursist:


- door een gecorrigeerde toets te bespreken en een foutenanalyse te maken: een goede toetsbespreking beperkt zich niet tot het geven van de juiste oplossingen maar leert de cursisten ook waarom een antwoord juist of fout is;

- door de cursist zijn examenkopij te laten inkijken en de toets klassikaal te bespreken.



Haalbaarheid.

Een toets is haalbaar als hij gemakkelijk te ontwikkelen, af te nemen, te corrigeren en te scoren is.


7 Bibliografie

Deze referentielijst is onderverdeeld in twee grote luiken. Het eerste luik bevat basiswerken van meer algemene aard. Het tweede deel vermeldt voor een specifieke taal bronnen die nuttig kunnen zijn voor lesgever en/of cursist. Het kan daarbij gaan om informatie op een papieren of op een elektronische drager.


Om de gebruiksvriendelijkheid te waarborgen, worden de werken niet vermeld in alfabetische volgorde maar per rubriek. De rubrieken stemmen ongeveer overeen met de rubrieken 1, 4, 5 en 6 van het leerplan, namelijk de situering, de leerinhouden, de methodologische wenken en de evaluatie.

7.1 Algemene didactische werken
Boekaerts, M. & P.R. Simons (1993) Leren en instructie. Assen: Van Gorcum.
Brown, H.D. (1994) Principles of language learning and teaching. Englewood Cliffs, NJ : Prentice Hall Regents.
Carter, R. & M. McCarthy (1988) Vocabulary and Language Learning. New York: Longman.
CLT (2002) Leerplannen. Leuven : Centrum voor Levende Talen. (cd-rom)
Commissie Talen Volwassenenonderwijs (2000) Opleidingsprofielen Moderne Talen – Visietekst en modulaire organisatie. Brussel: Dienst voor Onderwijsontwikkeling.
Council of Europe (1996) Modern Languages: Learning, Teaching, Assessment. A common European Framework of reference. Strasbourg : Council of Europe.
Dijkman W. (1993) Didactiek en lerende volwassenen – leren professionaliseren, Leiden : Educatieve uitgeverij Spruyt, Van Mantgem & Does.
Fensham, P. e.a. (eds) (1995) The Content of Science, a Constructivist Approach to its Teaching and Learning. London: Falmer.
Fletcher, M. (2000) Teaching for Success. The Brain-friendly Revolution in Action. Kent : English Experience.
Geerligs, T. & T. Van Der Veen (1996) Lesgeven en zelfstandig leren. Assen: Van Gorcum.
Hoogeveen, P. & J. Winkels (1992) Het didactisch werkvormenboek. Assen: Dekker & van de Veght.
Hulstijn, J. e.a. (1995) Nederlands als tweede taal in de volwasseneneducatie. Handboek voor docenten. Amsterdam: Meulenhoff Educatief.
Jonassen, D. e.a. (1999) Learning with Technology: a Constructivist Perspective. Upper Saddle River: Prentice Hall Inc.
Kuiken, F. & I. Vedder (1995) Grammatica opnieuw bekeken. Over de rol en aanpak van grammatica in tweede- en vreemde-taalonderwijs. Amsterdam: Meulenhoff Educatief.
Kwakernaak, E. (1989) Grammatica in het vreemde-talenonderwijs. Leiden : Alpha.
Lowyck, J. (1995) Onderwijskunde : een kennisbasis voor professionals. Groningen: Wolters-Noordhoff.
Nation, I. (1990) Teaching and learning vocabulary. New York: Newbury House.
Richards, J.C. and T.S. Rodgers. (1986) Approaches and Methods in Language Teaching: A Description and Analyseis. Cambridge: C.U.P.
Schouwenburg, H.C. & T. Groenewoud (1995) Studievaardigheid en leerstijlen. Groningen: Wolters-Noordhoff.
Schollaert, R. & K. Van Thienen (2000) Gewikt en gewogen. Leuven: Garant.
Simons, P.R.J. & J.G.G. Zuylen (1995) De didaktiek van leren leren. Tilburg: Mesoconsult.
Standaert, R. & F. Troch (1998) Leren en onderwijzen, beheersingsboek.. Leuven: Acco.
Standaert, R. & F. Troch (1999) Leren en onderwijzen, inleiding tot de algemene didaktiek. Leuven: Acco.
Tomic, W. & C. Span (eds) (1995) Onderwijspsychologie. Beïnvloeding, verloop en resultaten van leerprocessen. Utrecht: Lemma.
Ur, P. (1996) A Course in Language Teaching. Practice and Theory. Cambridge: C.U.P.
van der Veen, T. & J. van der Wel (1997) Van leertheorie naar onderwijspraktijk. Groningen : Wolters-Noordhoff.
Van Ek, J.A. & J.L.M. Trim (1998) Waystage 1990. Cambridge: C.U.P.
Van Ek, J.A. & J.L.M. Trim (1998) Threshold 1990. Cambridge: C.U.P.
Van Ek, J.A. & J.L.M. Trim (2001) Vantage. Cambridge: C.U.P.
Van Parreren, C.F. (1993) Ontwikkelend onderwijs. Leuven: Acco.
Van Rompaey, K. (1998) Internet voor de moderne talenklas. Leuven: Wolters Plantyn, coll. ‘Cahiers voor Didactiek’ NR. 2.
Wallace, M.J. ( 1991) Training Foreign Language Teachers. Cambridge: C.U.P.

Wallace, M.J. (1998) Action Research for Language Tainers. Cambridge: C.U.P.



www.ond.vlaanderen.be

= de officiële site van het Vlaamse onderwijs


www.klasse.be

= het didactische tijdschrift "Klasse" on line


edulex.vlaanderen.be

= omzendbrieven en wetgeving


www.gemeenschapsonderwijs.be

= Gemeenschapsonderwijs


www.ovsg.be

= Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap


www.pov.be

= Provinciaal Onderwijs Vlaanderen


www.vsko.be

= Vlaams Secretariaat Katholiek Onderwijs


http://culture.coe.fr/lang/index.htm

= website met index van Europese acties in verband met talenonderwijs o.a. portfolio; ook alle websiteadressen van de landen, die reeds een taalportfolio ontwikkeld hebben, zijn daar te vinden.


http://culture.coe.fr/lang/eng/eedu2.5htm

= algemene website + voorbeelden van uitgewerkte portfolio's+ verslagen van de geboekte vooruitgang op basis van de uitgevoerde projecten


http://ond.vlaanderen.be/dvo/taalportfolio/tpf_vooraf.htm

= Website van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling waar de pilootversie van het taalportfolio voor volwassenen te vinden is.

7.2 Taalspecifieke werken
Hieronder geven we – bewust – een niet-exhaustief overzicht van leermethodes, noch een zoveelste opsomming van oefenboeken voor grammatica, gezien het enorme aantal werken en de evoluties van de markt. Wat vandaag bruikbaar materiaal is, kan immers over een paar jaar weer verouderd zijn. De surfende geïnteresseerde zal op het Internet steeds de meest recente informatie vinden. Het volstaat daarvoor te gaan kijken naar het aanbod van de didactische uitgeverijen vermeld in de bijlage 18.
Voor de grammatica wordt hetzij achtergrondlectuur vermeld, hetzij grammatica’s die een aanpak via de betekenis (bijv. ‘Comment exprimer le temps?’) toelaten, wegens hun groot nut bij de communicatieve aanpak.


7.2.1. Algemene taalspecifieke werken



Achtergrondlectuur

Bérard, E. (1991) L'approche communicative. Théorie et pratiques, techniques de classe. Paris: CLE International.

Cette bonne introduction à l'approche communicative définit clairement les concepts et offre de nombreux exemples pratiques.
Conseil de la Coopération Culturelle (2000) Cadre européen commun de référence pour les langues. Apprendre. Enseigner. Evaluer. Paris: Didier.

Le ‘Cadre commun’ se veut un instrument ouvert et flexible de description de l'apprentissage et de l'enseignement des langues à tous les niveaux. Son but est de fournir une base commune de référence pour la comparaison des objectifs, des méthodes et des qualifications dans l'apprentissage afin de faciliter la mobilité personnelle et professionnelle en Europe.


Cyr, P. (1996) Les stratégies d'apprentissage. Paris: CLE International.

Excellent ouvrage, d'une part, en raison du travail de synthèse concernant les études en matière de stratégies d'apprentissage et, d'autre part, en raison de la réflexion sur le comment et le pourquoi des interventions pédagogiques visant l'entraînement à ces stratégies. Modèles intéressants de questionnaires d'autoévaluation.


Cuq J.-P. & I. Gruca (2002) Cours de didactique du français langue étrangère et seconde. Grenoble: PUG.

Ouvrage consistant plutôt complet en didactique FLE/S. Données intéressantes concernant les acteurs institutionnels, les associations professionnelles, les institutions d'enseignement, de formation et de recherche FLE en France. Tableaux récapitulatifs des méthodes FLE françaises. Bonne synthèse des aspects méthodologiques et techniques de l'enseignement du FLE.


Lamailloux, P. e.a. (1993) Fabriquer des exercices de français. Paris: Hachette.

Livre très utile permettant à tout professeur de français de produire ses propres exercices. De nombreux exemples de niveaux différents.


Pendanx, M. (1998) Les activités d'apprentissage en classe de langue. Paris: Hachette.

Un ouvrage clair traçant des pistes pour sélectionner, adapter et élaborer des activités pour l'apprentissage. Analyse des activités d'apprentissage. Approche bien phasée de la grammaire au service de la communication.


Puren, C. e.a. (1998) Se former en didactique des langues. Paris: Ellipses.

Ouvrage conçu comme un support et un guide d'activités formatives à réaliser individuellement (corrigés inclus) ou en groupes. Très éclairant et auto-formateur.


Sheils, J. (1991) La communication dans la classe de langue. Strasbourg: Conseil de la Coopération culturelle.

Ouvrage indispensable à toute école et donnant un aperçu d'une foule de variations d'activités d'apprentissage sous différentes rubriques.


Tagliante, Chr. (1994) La classe de langue. Paris: CLE international.

Ouvrage très utile offrant des réponses à de nombreuses questions théoriques et pratiques. Présentation claire des concepts de 'connaissance' et 'compétence', du rôle de la grammaire, des démarches méthodologiques. Typologie d'activités communicatives. De nombreux exemples.







1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina