Centrum voor volwassenenonderwijs leerplan engels richtgraad 1



Dovnload 0.75 Mb.
Pagina1/9
Datum23.07.2016
Grootte0.75 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

Centrum voor volwassenenonderwijs






LEERPLAN ENGELS RICHTGRAAD 1


240 lestijden
LINEAIR

03-04/1281/V juni 2004




INHOUDSOPGAVE

INLEIDING 2


1 BEGINSITUATIE (Toelatingsvoorwaarden en vrijstellingen) 2

2 DOELSTELLINGEN 2


2.1 Algemene doelstellingen 2

2.2 Leerplandoelstellingen 4

2.2.1. Begrippenlijst 4

2.2.2. Stappenplan: de integratie van het basis- (Breakthrough) - en het

overlevingsniveau (Waystage) in het lineair leerplan. 4

2.2.2.1 Basisniveau (Breakthrough) - lineair : specifieke eindtermen 5


2.2.2.1.1 Spreken/gesprekken voeren 5

2.2.2.1.2 Schrijven 7

2.2.2.1.3 Lezen 9

2.2.2.1.4. Luisteren 11

2.2.2.2.Overlevingsniveau (Waystage) - lineair : specifieke eindtermen 13

2 2.2.2.1 Spreken/gesprekken voeren 13

2.2.2.2.2 Schrijven 15

2.2.2.2.3. Lezen 17

2.2.2.2.4. Luisteren 19
3. METHODOLOGISCHE WENKEN EN DIDACTISCHE RICHTLIJNEN 21
3.1. "Functies" en "Noties" 21

3.2 Correctie, vlotheid, accuraatheid 21

3.3 Uitspraak 21

3.4 Idiomatische benadering en grammaticale progressie 22

3.5 Autonoom werk, remediëring en differentiatie 22

3.6 Enkele specifieke opmerkingen t.a.v. de verschillende vaardigheden 22

3.6.1. Luistervaardigheid 22

3.6.2. Spreekvaardigheid 22

3.6.3. Leesvaardigheid 23

3.6.4. Schrijfvaardigheid 23


4. LEERINHOUDEN 23

4.1 Functies, noties en specifieke noties 26

4.2 Spraakkunst 43

4.3 Uitspraak 65


5. EVALUATIE 66
6. BIBLIOGRAFIE 69


INLEIDING

Bij deze opleiding van 240 lestijden, gaat men uit van de bekommernis tegemoet te komen aan de essentiële noden die men ondervindt bij communicatie met Engelstaligen. Belangrijk is daarom het feit dat de cursus dient gegeven te worden vanuit een vernieuwde communicatieve visie. Het "praktisch" gebruik bij het luisteren, spreken, lezen en schrijven staat daarbij voorop.


In dit leerplan is getracht zoveel mogelijk de didactische vrijheid van de leerkracht te waarborgen, zonder dat essentiële elementen uit het oog worden verloren.
Motivatie in het vreemde talenonderwijs hangt af van de praktische redenen waarom iemand Engels wil leren. De cursistengroep die zich inschrijft voor het eerste jaar Elementaire Kennis Engels is meestal zeer heterogeen. De cursus wordt o.a. ook gevolgd door volwassenen die om algemeen culturele en toeristische redenen nog een taal wensen bij te leren.
Van bij het begin wordt er getracht bij de studenten een groeiend aantal communicatieve vaardigheden te ontwikkelen, en tevens een positieve, open houding te bevorderen t.o.v. de Engelse taal en haar "veelzijdige" leefwereld.
1. BEGINSITUATIE (Toelatingsvoorwaarden en vrijstellingen)
De toelatingsvoorwaarden van kracht in het onderwijs voor Sociale Promotie zijn opgenomen in het Decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenonderwijs (Hoofdstuk V, Afdeling 1).

Als instapvereisten voor het basisniveau in onderwijs sociale promotie geldt dat de cursist

gealfabetiseerd is in het Latijns schriftbeeld (Opleidingsprofielen moderne talen, 4.1. Instapvereisten, p. 31).


Daarenboven kunnen vanzelfsprekend ook cursisten worden toegelaten die reeds enige noties van het Engels hebben, maar wier kennis onvoldoende is om tot het niveau Praktische Kennis toegelaten te worden. Concreet betekent dit dat zij niet slagen voor de toelatingsproef tot het niveau Praktische Kennis.

2. DOELSTELLINGEN


2.1 Algemene doelstellingen
De Raad van Europa heeft de jongste twee decennia al zijn aandacht toegespitst op het bevorderen van de vreemde talenkennis als instrument van mondelinge en schriftelijke communicatie tussen de bewoners van de verschillende lidstaten. Een levende taal leren heeft maar weinig zin indien men er niet toe komt mondelinge en schriftelijke mededelingen te begrijpen en er ook op een adequate manier op te reageren. Een pragmatische aanpak van het taalonderwijs, gericht op een geïntegreerde verwerving van de vier vaardigheden, moet dan ook de basis uitmaken van de cursus Engels.
De studenten moeten onmiddellijk de kans krijgen het Engels als communiecatiemiddel te ervaren en te gebruiken. Zij moeten dus gestimuleerd worden tot creatief taalgebruik en autonoom werk. Om hen te motiveren moeten de leerkrachten uitgaan van een levensechte situatie die zij benaderen via een adequate didactische werkwijze.
Voor de inhoudelijke omschrijving van het niveau Elementair verwijzen we in de eerste plaats naar de Opleidingsprofielen Moderne Talen voor Volwassenenonderwijs, meer bepaald naar de niveaus de niveaus 1.1. (Breakthrough) en 1.2. (Waystage).

Onder punt 1.2.1 “Uitwerking en inhoudelijke omschrijving van het basisniveau” op pagina 15 leest men:


Het absolute minimum. De taalgebruiker kan in een anderstalige samenleving met

zeer beperkte talige middelen communiceren om tegemoet te komen aan concrete

behoeften uit zijn onmiddellijke omgeving”.

Voor het overlevingsniveau (niveau 1.2) kan de taalgebruiker:


communiceren in eenvoudige routinetaken over vertrouwde onderwerpen die van

persoonlijk belang zijn of betrekking hebben op zijn directe omgeving.” (Id., p.16)
Hierbij is het essentieel een ontspannen sfeer te scheppen, waardoor de cursisten al vlug voldoende spreekdurf verwerven om een minimaal communicatieniveau aan te kunnen. Het taalonderricht moet dus praktisch, actief en communicatief zijn. Dit betekent dus dat de doelstellingen eenduidig, concreet, in termen van waarneembaar cursistgedrag moeten geformuleerd worden. De lesonderwerpen dienen de cursisten aan te spreken, hun interesse en weetgierigheid op te wekken.
Deze onderwerpen moeten wel worden afgestemd op de “contexten” zoals geformuleerd in de specifieke eindtermen moderne talen niveau 1 uit Opleidingsprofielen Moderne Talen voor Volwassenenonderwijs - lineair. Met context bedoelt men de situatie(s) waarin men taal gebruikt (Id., p. 204).
De commissie onderschrijft hierbij “het algemene principe dat specifieke eindtermen moeten leiden tot inzetbaarheid in gevarieerde, relevante contexten, die evenwichtig gespreid zijn, zodat ze de cursist op het vereiste niveau talig weerbaar maken. Anders uitgedrukt: specifieke eindtermen moeten worden aangeleerd via een voldoende grote diversiteit aan contexten die moeten inspelen op wat de cursist op dat niveau nodig heeft. Dit veronderstelt een progressieve en evenwichtige spreiding over het hele leerproces” (Ibid.).
Op basis van een lijst van "transactionele situaties uit het alledaagse leven" zoals beschreven in onder meer het Thresholdniveau (VAN EK 1993, 9-15) is men gekomen tot contexten waarvan sommigen onder een ruimere koepelbenaming zijn geplaatst. Andere contexten, die volgens de commissie te smal zijn, zijn dan weer samengevoegd. Zo is de commissie tot brede contexten gekomen (zie lijst infra). Elke koepelbenaming dekt een ruim semantisch

veld. (Id., p. 25)



Contexten niveau 1

1. contacten met officiële instanties
2. leefomstandigheden
3. afspraken en regelingen (logies en maaltijden)
4. consumptie
5. openbaar en privé-vervoer
6. voorlichtingsdiensten
7. vrije tijd
8. nutsvoorzieningen
9. ruimtelijke oriëntering
10. onthaal
11. gezondheidsvoorzieningen
12. klimaat

Luisteren, spreken, lezen en schrijven zijn de vier basisaspecten van de taalvaardigheid. Zij moeten bijgebracht worden rekening houdend met de prioriteiten die wijzigen volgens het leerniveau. Er moet gestreefd worden naar een progressieve integratie.


2.2 Leerplandoelstellingen
Wij verwijzen hierbij uitdrukkelijk naar de specifieke eindtermen voor niveau 1 zoals geformuleerd in de Opleidingsprofielen Moderne Talen Volwassenenonderwijs van de Dienst Voor Onderwijsontwikkeling gepubliceerd in juli 2001.

Zowel voor het basisniveau (1.1) (Id., pp. 211-221) als voor het overlevingsniveau (1.2.) (Id., pp. 225-235) werd een wel omlijnd kader uitgewerkt op basis van zes bouwstenen: taaltaak, tekst en tekstcluster, publiek, verwerkingsniveau, tekstkenmerken en context (Volwassenenonderwijs, van concept naar uitwerking, voorbeeldmateriaal bij de specifiek eindtermen, pp. 8-11).


2.2.1. Begrippenlijst
- taaltaak: datgene wat een taalgebruiker doet met taal.(zie: functie)
NB Dit begrip is ruimer dan ‘functie’. Een voorbeeld van functie: iemand groeten. Een voorbeeld van taaltaak: informatie vragen en geven.

- tekst: elke boodschap die een taalgebruiker productief, receptief of interactief verwerkt

- tekstcluster: een groepering van inhoudelijk verwante teksten

- publiek: diegene(n) voor wie een tekst bedoeld is.

- verwerkingsniveau: de mate waarin een taalgebruiker een te produceren of te ontvangen tekst beheerst.

- tekstkenmerken: de intrinsieke kenmerken van een tekst.

- context: de situatie(s) waarin iemand taal gebruikt.
2.2.2. Stappenplan: de integratie van het basis- (Breakthrough) - en het overlevingsniveau (Waystage) in het lineair leerplan.
In deze lineaire opleiding van 240 uur dienen de specifieke eindtermen van het basis- (Breakthrough) - en het overlevingsniveau (Waystage) te worden geïntegreerd en gerealiseerd. Zoals hierboven vermeld: “dit veronderstelt een progressieve en evenwichtige spreiding over het hele leerproces”.

Opgesplitst per niveau en per vaardigheid komt men tot onderstaand overzicht.



2.2.2.1 Basisniveau (Breakthrough) - lineair : specifieke eindtermen




2.2.2.1.1. Spreken/gesprekken voeren

De cursist kan in een gesprekssituatie en op beschrijvend niveau:


1. een instructie geven aan een bekende taalgebruiker.

2. een uitnodiging, een voorstel en een oproep verwoorden en erop reageren.

3. zijn beleving (d.i. zijn wensen, noden en gevoelens) verwoorden en vragen naar de

beleving van zijn gesprekspartner.

4. een afspraak maken en afzeggen.

5. een probleem of klacht formuleren.

De cursist kan in een gesprekssituatie en op structurerend niveau:
1. informatie vragen en geven.
De te produceren teksten vertonen volgende tekstkenmerken:


  • ze hebben betrekking op concrete, eenvoudige, voorspelbare en vertrouwde inhouden

  • ze zijn zeer kort en eenvoudig gestructureerd

  • ze bevatten stereotype formuleringen en standaarduitdrukkingen;

  • ze worden aan een laag spreektempo uitgesproken;

  • ze kunnen worden geproduceerd met de medewerking van een gesprekspartner;

  • ze kunnen uitspraakfouten bevatten;

  • ze kunnen een zekere mate van foutief taalgebruik bevatten.

2. De cursist kan desgewenst de ondersteunende kennis gebruiken die nodig is om de spreektaak uit te voeren:




  • woordenschat en grammatica / notions en functions;

  • uitspraak en intonatie;

  • taalregister (enkel formeel en informeel);

  • de socioculturele aspecten (sociale conventies en gebruiken).

3. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de spreektaak kan de cursist desgewenst volgende leerstrategieën (cognitieve en metacognitieve) toepassen:




  • informatie verzamelen;

  • een beroep doen op eerdere leerervaringen.

4. Bij de voorbereiding en de uitvoering kan de cursist desgewenst volgende communicatiestrategieën aanwenden:




  • gebruik maken van niet-verbaal gedrag;

  • compenserende strategieën gebruiken (o.m. vragen om iets te herhalen, vragen om trager te spreken en vragen om uitleg).

5. Bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie kan de cursist desgewenst reflecteren over taal en taalgebruik.


6. Bij de uitvoering van de spreektaak geeft de cursist blijk van:


  • spreekdurf;

  • communicatiebereidheid;

  • bereidheid om de standaard te benaderen.




SET

TAALTAAK

PUBLIEK

VERWERKINGS-
NIVEAU

TEKSTKENMERKEN

CONTEXT

WERKWOOR-DELIJKE KERN

TEKST
TEKSTCLUSTER

1

Geven

instructie

bekende taalgebruiker

beschrijvend

De te produceren teksten vertonen volgende kenmerken:

  • ze hebben betrekking op concrete, eenvoudige, voorspelbare en vertrouwde inhouden

  • ze zijn zeer kort en eenvoudig gestructureerd

  • ze bevatten stereotype formuleringen en standaarduitdrukkingen

  • ze worden aan een laag spreektempo uitgesproken;

  • ze kunnen worden geproduceerd met de medewerking van een gesprekspartner

  • ze kunnen uitspraakfouten bevatten

  • ze kunnen een zekere mate van foutief taalgebruik bevatten

zie supra

2

Verwoorden en reageren op

uitnodiging, voorstel, oproep

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

3

Verwoorden en vragen naar

beleving (wensen, noden, gevoelens)

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

4

Maken en afzeggen

afspraak

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

5

Formuleren

probleem, klacht

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

6

Vragen, geven

informatie

onbekende taalgebruiker

structurerend

 


2.2.2.1.2. Schrijven

De cursist kan op beschrijvende wijze:


1. een formulier en een document met betrekking tot personalia invullen.

2. een korte informatieve tekst zoals een berichtje schrijven.

De cursist kan op structurerende wijze:
3. uit mondelinge en schriftelijke informatie eenvoudige, concrete gegevens noteren.

De te schrijven teksten vertonen volgende tekstkenmerken:



  • ze behandelen onderwerpen die vertrouwd of van persoonlijk belang zijn;

  • ze zijn qua taalgebruik zeer eenvoudig, met zeer korte zinnen en met stereotype formuleringen en standaarduitdrukkingen;

  • ze kunnen fouten bevatten;

  • ze worden aan een laag schrijftempo geproduceerd.

4. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de schrijftaak kan de cursist desgewenst volgende leerstrategieën toepassen:




  • relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

  • een beroep doen op eerdere leerervaringen.

5. Bij de uitvoering van de schrijftaak kan de cursist desgewenst compenserende strategieën gebruiken om zich in zeer eenvoudige taal uit de slag te trekken.


6. Bij de uitvoering van de schrijftaak geeft de cursist blijk van volgende attitudes:


  • bereidheid om enige correctheid in de formulering na te streven;

  • schrijfdurf.



SET

TAALTAAK

PUBLIEK

VERWERKINGS-
NIVEAU

TEKSTKENMERKEN

CONTEXT

WERKWOOR-DELIJKE KERN

TEKST

TEKSTCLUSTER



1

Invullen

formulier, document personalia

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

de te produceren teksten vertonen volgende kenmerken:

  • ze behandelen onderwerpen die vertrouwd of van persoonlijk belang zijn

  • ze zijn qua taalgebruik zeer eenvoudig, met zeer korte zinnen en met stereotype formuleringen en standaarduitdrukkingen

  • ze kunnen fouten bevatten

  • ze worden aan een laag schrijftempo geproduceerd

zie supra

2

Schrijven

korte informatieve tekst (berichtje)

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

3

Noteren uit mondelinge en schriftelijke informatie

eenvoudige, concrete gegevens

onbekende taalgebruiker

structurerend

 

 

2.2.2.1.3. Lezen

De cursist kan op beschrijvend niveau:
1. de informatie herkennen in teksten zoals belangrijke formulieren, documenten en alledaagse papieren (onder meer rijbewijs en identiteitskaart).

2. relevante gegevens selecteren uit informatieve teksten zoals tabellen, advertenties, brochures, garantiebewijzen en schema's die ten dienste van de bevolking geschreven zijn.

3. alle gegevens in een eenvoudige instructie begrijpen.
De cursist kan op structurerend niveau:
4. de informatie overzichtelijk ordenen in persuasieve teksten zoals een uitnodiging, een voorstel en een oproep.

De te lezen teksten vertonen volgende kenmerken:




  • ze zijn waar mogelijk authentiek of semi-authentiek;

  • de inhouden hebben meestal betrekking op de directe leefsituatie van de cursist;

  • ze zijn meestal concreet, eenvoudig, voorspelbaar en vertrouwd;

  • ze zijn zeer kort en eenvoudig gestructureerd;

  • ze kunnen visueel ondersteund zijn;

  • ze bevatten stereotype formuleringen en standaarduitdrukkingen;

  • ze worden aan een traag tempo gelezen.

5. De cursist kan desgewenst de ondersteunende kennis gebruiken die nodig is om de leestaken uit te voeren:




  • woordenschat en grammatica / notions en functions;

  • spelling/interpunctie;

  • taalregister (beperkt tot formeel en informeel);

  • de socioculturele aspecten (sociale conventies en gebruiken).

6. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de leestaak kan de cursist desgewenst volgende leerstrategieën (cognitief en metacognitief) toepassen:




  • relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

  • de tekstsoort herkennen;

  • het leesgedrag afstemmen op het leesdoel.

Bij de voorbereiding en de uitvoering van de leestaak kan de cursist desgewenst volgende communicatiestrategieën (o.m. compenserende strategieën) aanwenden:




  • gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal;

  • om hulp en verduidelijking vragen.

7. Bij de uitvoering van de leestaak is de cursist bereid om:




  • zich te concentreren op de leestaak;

  • zich in te leven in de socioculturele wereld van de tekst;

  • zich niet te laten afleiden als hij in een tekst niet alles begrijpt (weerbaarheid).



SET

TAALTAAK

PUBLIEK

VERWERKINGS-
NIVEAU

TEKSTKENMERKEN

CONTEXT

WERKWOOR-DELIJKE KERN

TEKST

TEKSTCLUSTER



1

Informatie herkennen

Belangrijke formulieren, documenten en alledaagse papieren

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

De te lezen teksten vertonen volgende kenmerken:

  • ze zijn waar mogelijk authentiek of semi-authentiek

  • de inhouden hebben meestal betrekking op de directe leefsituatie van de cursist

  • ze zijn meestal concreet, eenvoudig, voorspelbaar en vertrouwd

  • ze zijn zeer kort en eenvoudig gestructureerd

  • ze kunnen visueel ondersteund zijn

  • ze bevatten stereotype formuleringen en standaarduitdrukkingen

  • ze worden aan een traag tempo gelezen

zie supra

2

Relevante gegevens selecteren

Informatieve teksten (tabellen, advertenties, brochures, garantiebewijzen, schema's ten dienste van de bevolking)

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

3

Alle gegevens begrijpen

Eenvoudige instructie

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

4

Informatie overzichtelijk ordenen

Persuasieve teksten

(uitnodiging, voorstel, oproep)



onbekende taalgebruiker

structurerend

 


2.2.2.1.4. Luisteren

De cursist kan op beschrijvend niveau:


1. het globale onderwerp bepalen in informatieve teksten zoals een mededeling, een gesprek en een advies.

2. het globale onderwerp bepalen in de beleving (d.i. de wensen, noden en gevoelens) van een spreker.

3. het globale onderwerp bepalen in een klacht.

4 alle gegevens in een eenvoudige instructie begrijpen.


De cursist kan op structurerend niveau:
5. de informatie op overzichtelijke en persoonlijke wijze ordenen in een uitnodiging en een afspraak.

De te beluisteren teksten vertonen volgende kenmerken:




  • ze zijn waar mogelijk semi-authentiek of authentiek;

  • ze hebben betrekking op concrete, eenvoudige, voorspelbare en vertrouwde inhouden;

  • ze zijn zeer kort en eenvoudig gestructureerd;

  • ze worden duidelijk geïntoneerd en gearticuleerd;

  • ze worden aan een laag tempo en in standaardtaal uitgesproken.

6. De cursist kan desgewenst de ondersteunende kennis gebruiken die nodig is om de luistertaak uit te voeren:




  • woordenschat en grammatica / notions en functions;

  • uitspraak en intonatie;

  • taalregister (enkel formeel en informeel);

  • de socioculturele aspecten (sociale conventies en gebruiken).

7. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de luistertaak kan de cursist desgewenst volgende leerstrategieën (cognitief en metacognitief) toepassen:




  • het luisterdoel bepalen;

  • relevante voorkennis oproepen en gebruiken;

  • zijn luistergedrag afstemmen op het luisterdoel (skimmen en scannen).

8 Bij de voorbereiding en de uitvoering van de luistertaak kan de cursist desgewenst volgende communicatiestrategieën (o.m. compenserende strategieën) aanwenden:




  • gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal en aandacht hebben voor niet-verbaal gedrag;

  • in een gesprekssituatie om uitleg vragen, vragen om te herhalen en trager te spreken.

9. Bij de uitvoering van de luistertaak is de cursist bereid om:




  • grondig en onbevooroordeeld te luisteren naar wat de gesprekspartner zegt;

  • zich in te leven in de socioculturele wereld van de gesprekspartner;

  • zich niet te laten afleiden als hij in een tekst niet alles begrijpt (weerbaarheid).




SET

TAALTAAK

PUBLIEK

VERWERKINGS-
NIVEAU

TEKSTKENMERKEN

CONTEXT

WERKWOOR-DELIJKE KERN

TEKST

TEKSTCLUSTER



1

Globaal onderwerp bepalen

Informatieve teksten (mededeling, gesprek, advies)

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

De te beluisteren teksten vertonen volgende kenmerken:

  • ze zijn waar mogelijk semi-authentiek of authentiek

  • ze hebben betrekking op concrete, eenvoudige, voorspelbare en vertrouwde inhouden

  • ze zijn zeer kort en eenvoudig gestructureerd

  • ze worden duidelijk geïntoneerd en gearticuleerd

  • ze worden aan een laag tempo en in standaardtaal uitgesproken

zie supra

2

Globaal onderwerp bepalen

Beleving (wensen, noden, gevoelens)

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

3

Globaal onderwerp bepalen

Klacht

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

4

alle gegevens begrijpen

Eenvoudige instructie

onbekende taalgebruiker

beschrijvend

5

Informatie overzichtelijk en persoonlijk ordenen

Uitnodiging, afspraak

onbekende taalgebruiker

structurerend

2.2.2.2. Niveau 1.2 – lineair: specifieke eindtermen




  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina