Gemeentelijk commentaar op bedenkingen



Dovnload 39.78 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte39.78 Kb.

Gemeentelijk commentaar op bedenkingen



Inleiding
N.a.v. een aanvraag om bouwvergunning voor de bouw van een opslagloods op het perceel xxxxxweg xxx, dat tevens geldt als een aanvraag om vrijstelling van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 1994, ingediend door de xxx. X. X en x. zijn bedenkingen ingediend tegen het voornemen van burgemeester en wethouders om die vrijstelling te verlenen. De aanvraag is ingediend op 15 januari 1998. Volgens overgangsrecht is de oude WRO, die van voor 3 april 2000 van toepassing.
De aanvraag om bouwvergunning heeft betrekking op de bouw van de opslagloods. T.b.v. de aanvraag om vrijstelling blijkt uit de tekening het voldoen aan de aan de voorgenomen vrijstelling gekoppelde voorwaarden, zoals de grootte van het bedrijfsterrein, de beperkte opslag en de aarden wal.
De aanvraag heeft in het kader van de vrijstellingsprocedure (ex art. 19a van de oude WRO) tweemaal gedurende twee weken, in april 1998 en in oktober/november 2001, ter inzage gelegen. Gelet op het tijdsverloop a.g.v. de coördinatie tussen de aangevraagde bouw- en milieuvergunning is besloten de aanvraag een tweede maal ter inzage te leggen.
Schriftelijke bedenkingen zijn ingediend door:

- de fam. X. (in 1998 en 2001);

- de fam. X. (in 1998 en 2001);

- de fam. X (in 1998);

- mevrouw X (in 1998 en 2001);

- de heer X. (in 1998 en 2001);

- de fam. X. (in 1998).
Op 19 oktober 1999 is de aanvraag cm milieuvergunning ingediend. Op 14 november 2000 is een milieuvergunning verleend, waartegen beroep is aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Met de voortzetting van de planologische procedure is gewacht tot na afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 juni 2001. Thans wordt de uitspraak van het beroep in hoofdzaak afgewacht. De aanvraag om milieuvergunning betreft de gehele inrichting, die zowel de locatie xxxxxweg xxx als de locatie xxxxxweg xxx omvat. In de bedenkingen wordt een aantal maal gerefereerd aan de locatie xxxxxweg xxx. De onderhavige aanvraag om bouwvergunning heeft alleen betrekking op xxxxxweg xxx. Op bedenkingen die inhoudelijk uitsluitend betrekking hebben op xxxxxweg xxx wordt hieronder niet ingegaan.

Bedenkingen


De verschillende ingediende schriftelijke bedenkingen komen qua argumenten in grote mate met elkaar overeen. De verschillende te onderscheiden bedenkingen worden hierna behandeld. De bedenkingen zijn gecursiveerd, waarna het commentaar volgt.
1. In de bedenkingen worden de motivatie van het voornemen om vrijstelling te verlenen en de urgentie van het project betwijfelt.

De planologische motivatie is als volgt. Voor het bedrijf is het bedrijfseconomisch en ruimtelijk noodzakelijk om op korte termijn te beschikken over de opslagloods. Verhoogde afschrijvingen door slijtage a.g.v. het buiten stallen en gebruik van de openbare weg a.g.v. de beperkte c.q. niet-functionele ligging van het bedrijfsterrein worden voorkomen. Voorts komt een opslagloods tegemoet aan de verbetering van de arbeidsomstandigheden, omdat dan meer binnen gewerkt kan worden. Ruimtelijk beschouwd zal de algehele situatie rond het bedrijf verbeteren. Het aanzien van het


1

terrein zal verbeteren, omdat de weinig fraaie buitenopslag langs de xxxxxweg zal verdwijnen en de verkeers- en de parkeersituatie op de xxxxxweg zal verbeteren, omdat het eigen terrein hiervoor functioneel geschikt wordt gemaakt. E.e.a. is voldoende urgent om het bouwplan in het kader van een vrijstelling mogelijk te maken.


2. Het bedrijf van de fa. X is niet meer voor 100% een loonbedrijf voor de land- en tuinbouw, maar tevens een bedrijf dat zich bezighoudt met grond-, water- en wegenbouwkundige werken en transport Deze niet-agrarische activiteiten zouden niet binnen de bestemming agrarische hulpbedrijven, waarop wordt geanticipeerd, kunnen worden verantwoord.

Hoewel het werkterrein van de fa. X zich heeft verbreed, is de fa. X in overwegende mate een agrarisch hulpbedrijf. Een belangrijke indicatie hiervoor geeft de met de onderhavige aanvraag gecoördineerde aanvraag om milieuvergunning. Voorts heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in het kader van een verzoek om voorlopige voorziening van 18 februari 2002 geoordeeld dat de betreffende niet-agrarische activiteiten inherent zijn aan het uitoefenen van een loonbedrijf. Gelet op het overwegende agrarische karakter van het bedrijf hebben wij geen dringende redenen om uit te gaan van een absoluut strikte toepassing van de bestemmingsomschrijving.


3. Uitgaande van de niet-agrarische activiteiten van de fa. X wordt gesteld dat dergelijke activiteiten niet thuishoren in het landelijk gebied, maar op een industrieterrein. Gevreesd wordt voor een ongewenst precedent voor niet-agrarische activiteiten.

Zoals hiervoor gesteld, heeft het bedrijf een overwegend agrarisch karakter en gaan wij uit van vergroting van de bestemming agrarische hulpbedrijven. De bestemming agrarische. hulpbedrijven valt onder de hoofdbestemming agrarische doeleinden. Het gemeentelijk beleid is erop gericht niet-agrarische activiteiten uit het landelijk gebied te weren. Agrarische activiteiten worden in het landelijk gebied in beginsel aanvaardbaar geacht. Van belang is onderscheid te maken in vestiging van een nieuw agrarisch hulpbedrijf en uitbreiding van een bestaand agrarisch hulpbedrijf. In het eerste geval dient terughoudendheid in acht te worden genomen oftewel in beginsel geen nieuwvestiging. In het tweede geval, zoals onderhavig geval, wordt een verbetering van de concrete situatie positief gewaardeerd. Als zodanig behoeft niet gevreesd te worden voor een ongewenst precedent voor niet-agrarische activiteiten.


4. Gesteld wordt dat wordt gehandeld in strijd met provinciaal beleid als het gaat om het voorkomen van niet-agrarische functies in het landelijk gebied. Tevens wordt gewezen op het feit dat de polder Beemster Werelderfgoed is en de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening.

Onder verwijzing naar het gemeentelijk beleid (zie hiervoor onder 2) wordt niet in strijd gehandeld met provinciaal beleid. Er is geen sprake van vestiging van een nieuw bedrijf, zodat er geen sprake is van een speerpunt van provinciaal beleid. Het kenmerkende waarvoor Beemster tot Werelderfgoed is uitgeroepen, namelijk de ontstaansgeschiedenis en de oorspronkelijke verkavelingstructuur van de polder, is niet in het geding. Voorts levert medewerking aan onderhavige aanvraag geen evidente strijd op met de ruimtelijke doelstellingen, zoals die voor de Nationale Landschappen in de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening 2000/2020 zijn opgenomen. Noord­Hollands Midden, waar Beemster onderdeel van uitmaakt, is in de nota voorgedragen als Nationaal Landschap.


5. Gevreesd wordt dat de bauw van de opslagloods andere niet-agrarische activiteiten zal genereren.

Mocht dit zo zijn en dit krijgt een overwegend karakter dan kan hiertegen opgetreden worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Refererend aan de aanvraag om

2

milieuvergunning, waarop is beschikt, is de vrees voor het genereren van niet-agrarische activiteiten thans ongegrond.




  1. Gevreesd wordt voor een uitbreiding van de activiteiten in het algemeen van de fa. X, terwijl het project wordt verantwoord met het argument dat het project nodig Is t.b. V. het creëren van betere randvoorwaarden voor de bestaande bedrijfsactiviteiten.

Het gaat de aanvrager primair om het bestendigen van de bestaande activiteiten. Onderhavige project is voor de fa. X bedrijfseconomisch en ruimtelijk noodzakelijk, waarvoor wordt verwezen naar hetgeen is gesteld onder 1. Niet ontkend wordt dat daarmee de uitgangspositie voor uitbreiding binnen de nieuwe situatie wordt verbeterd. Uitbreiding zal dan zowel planologisch als milieutechnisch verantwoord dienen te zijn.


  1. Gewezen wordt op de mogelijkheid om het bedrijf op een andere locatie voort te zetten of om het bedrijf te splitsen en alleen het agrarische hulpbedrijf gedeelte op de xxxxxweg xxx voort te zetten zonder de aangevraagde opslagloods. Specifiek wordt gewezen op de locatie xxxxxweg xxx, welke locatie eveneens bij het bedrijf hoort en waar het bedrijf ook zou willen uitbreiden. De gemeente had de fa. X de mogelijkheid moeten bieden om zich te vestigen op het bedrijventerrein te Middenbeemster of anderszins moeten bewegen tot verplaatsing van het bedrijf.

De aanvraag heeft alleen betrekking op het perceel xxxxxweg xxx. Aangezien voortzetting van het bedrijf in het landelijk gebied aanvaardbaar wordt geacht (zie hiervoor onder punt 3), heeft het gemeentebestuur geen aanleiding gehad zich actief op te stellen teneinde een bedrijfsverplaatsing te bewerkstelligen. Dat het gemeentebestuur hiertoe niet is overgegaan, vertegenwoordigt een niet-rechtstreeks belang. Bij het nemen van het vrijstellingsbesluit dienen ingevolge de Algemene wet bestuursrecht alleen de rechtstreekse belangen te worden afgewogen.
8. Het gaat om de voorgenomen bouw van twee /loodsen. In de stukken wordt steeds gesproken over een opslagloods.

Optisch beschouwd kan gesproken worden van twee aan elkaar te bouwen loodsen. In de stukken en in dit commentaar wordt gesproken van een opslagloods. De totale oppervlakte van de opslagloods bedraagt 2.400 m2. I.c. wordt gesproken over hetzelfde object.


9. Door de bouw van de loods, Van in totaal/ 2.400 in2 en een nokhoogte van 8,40 m, wordt terplaatse een grote aanslag op de openheid van het gebied gepleegd.

Hoewel vrijstelling van het bestemmingsplan is vereist vanwege overschrijding van de bestemmingsgrens Levert een analoge toets aan de bebouwingsnormen van de bestemming agrarisch hulpbedrijf het volgende op. De toegestane goothoogte is 4 m; aangevraagd is 5 m. De toegestane dakhelling is tussen de 15 en 450; aangevraagd is 13 en 180. Er is geen dringende aanleiding deze voorschriften in het kader van de vrijstelling strikt toe te passen. Verwezen wordt naar hetgeen onder 1 is gesteld. Ter aanvulling hierop het volgende. De aangevraagde opslagloods ligt achter de bestaande loods en zal vanuit het noorden vanaf de xxxxweg en vanuit het zuidoosten vanaf de xxxxweg te zien zijn. Als zodanig pleegt de opslagloods een inbreuk op de openheid van het landelijk gebied, maar het verdient volgens het gemeentebestuur wel de voorkeur boven de verstoring van de openheid door de huidige situatie rond het bedrijf.


10. Gevreesd wordt voor het rand de nieuwe opslagloods rijden met zwaar materieel, waarvan overlast wordt verwacht.

Aan de vrijstelling zal o.a. de voorwaarde zijn gekoppeld dat de bedrijfsactiviteiten zich aan de noordzijde van de opslagloods dienen te concentreren. In de aanvraag om een milieuvergunning is alleen opslag aan de noordzijde aangegeven. In de milieuvergunning is bovendien het voorschrift opgenomen dat het, behoudens

3

calamiteiten, verboden is met voertuigen anders dan personenauto’s aan de zuidwestzijde van de loodsen te rijden.


11. Gevreesd wordt voor buitenopslag aan de zuidzijde van de opslagloods en op het gedeelte weiland achter de woningen xxxxweg xxx tot en met xxx en xxxxxxweg xxx.

Aan de vrijstelling zal o.a. de voorwaarde zijn gekoppeld dat enige buitenopslag is toegestaan in de noordoosthoek van het nieuwe terrein. Buitenopslag aan de zuidzijde is derhalve niet toegestaan. In de aanvraag om milieuvergunning is ook geen buitenopslag aan de zuidzijde aangegeven. Buitenopslag op het weiland achter de voornoemde woningen is in strijd met het bestemmingsplan en derhalve niet toegestaan.


12. Gevreesd wordt voorparkeerhinder of laden en lossen op de openbare weg.

Aanleiding van de voorgenomen vrijstelling is mede het juist voorzien in deze

ongewenste omstandigheid. Op het nieuw in te richten terrein zal fysiek voldoende geIegen1i~id zijn voor parkeren en laden en lossen. In de milieuvergunning is bovendien opgenomen dat er op het eigen terrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn.
13. De in de aanvraag opgenomen aarden wal, aan te leggen langs de zuidzijde van het terrein, is ter voorkoming van geluidsoverlast, onvoldoende hoog. Niet duidelijk is wat de dichtheid van de beplanting zal worden. Bovendien zou het gemeentebestuur van mening zijn dat de aarden wal niet meer nodig is.

In het kader van de milieuvergunning heeft het gemeentebestuur inderdaad vastgesteld dat de aarden wal ter voorkoming van geluidsoverlast niet nodig is. Dit verandert niet dat het gemeentebestuur het vanuit planologisch oogpunt wenselijk acht het bedrijf aan de zuidzijde aan het oog te onttrekken door de aanleg van een aarden wal met beplanting. Derhalve zal aan de vrijstelling de voorwaarde zijn gekoppeld een aarden wal aan te leggen, zoals die op tekening door de fa. X is aangegeven (58 x 2,2 x 1,2 m (lxbxh). Op de tekening is tevens aangegeven dat de aarden wal van begroeiing wordt voorzien. Wij kunnen met de op tekening aangegeven aarden wal instemmen.


14. De fa. X wil een aantal sloten graven (noordzijde en zuidzijde) en een dam realiseren in de sloot aan de zuidzijde. M.n. van de sloot en de dam aan de zuidzijde wordt gevreesd voor de nodige overlast

Voor het dempen van de sloot, op welke locatie de opslagloods wordt gebouwd, het 6 graven van sloten aan de noord- en zuidzijde en het realiseren van een dam in de sloot

van de zuidzijde is ontheffing gevraagd bij Waterschap de Waterlanden. Deze is verleend op 24 september 1997 en e.e.a. is in de plattegrond van de aanvraag om vrijstelling opgenomen. Voor het dempen en graven van sloten (een werk) is aldaar geen aanlegvergunning van gemeente vereist. Voor de realisatie van een dam (een bouwwerk) is een bouwvergunning vereist. Onderhavige aanvraag om bouwvergunning heeft alleen betrekking op de opslagloods. Voor de dam is (nog) geen aparte aanvraag om bouwvergunning gedaan.
15. Gevreesd wordt dat via het terrein van het bedrijf een ontsluiting wordt gemaakt naar de xxxxxweg.

Het creëren van een dergelijke ontsluiting is in strijd met het bestemmingsplan. In de aanvraag om milieuvergunning wordt uitgegaan van de ontsluiting aan de xxxxxweg.


16 De inrichting van de fa. X zou op onvoldoende afstand van woonbebouwing liggen.

Vastgesteld wordt dat uit deskundig onderzoek ‘is gebleken, dat aan de geluidsnormen, zoals opgenomen in de milieuvergunning, kan worden voldaan. M.a.w. de afstand tot



4

woonbebouwing is voldoende. Het is in dit geval het aspect geluid dat bepalend is voor de aan te houden afstand.




  1. Gevreesd wordt voor schade aan eigendommen a.g. v. het bouwen of heien.

Voor schade aan eigendommen aan derden zijn aannemers verzekerd. Er is bovendien geen bijzondere aanleiding om te veronderstellen dat dergelijke schade zal ontstaan.
18. Gesteld wordt dat het landelijke uitzicht wordt ontnomen. De gemeente zou hebben gesteld dat zich in de nabijheid van de woningen geen planologische ontwikkelingen zouden voordoen.

Het landelijke uitzicht blijft grotendeels onaangetast. Indien geen planologische ontwikkelingen worden verwacht, dan betreft dit grootschalige ontwikkelingen. Zo zijn dergelijke ontwikkelingen in het gebied tussen Middenbeemster en de xxxxxweg niet te verwachten. De ontwikkelingen rond de fa. X worden niet beschouwd als grootschalige ontwikkelingen.


19. Door de bouw van de opslagloods en de aantasting van het uilzicht verwacht een aantal omwonenden dat zij planschade zullen ondervinden.

Het gemeentebestuur gaat ervan uit dat onderhavig bouwproject in de normale lijn der verwachtingen ligt en dat er geen schade wordt ondervonden dat verder gaat dan hetgeen het normaal maatschappelijk risico te boven gaat. Het nog te nemen besluit om vrijstelling te verlenen ex artikel 19 WRO moet rechtskracht hebben verkregen om over planschade ex artikel 49 WRO expliciet een besluit te nemen.




  1. Gesteld wordt de gemeente t.a v. de fa. X onvoldoende zou handhaven.

Volstaan wordt met de vaststelling dat er een beroepsprocedure bij de Raad van State door een aantal omwonenden aanhangig is gemaakt, waarin de gemeente niet-handhaving op het terrein van milieu wordt verweten.’ Het verzoek om voorlopige voorziening om op te dragen tot handhavingsmaatregelen is op 18 februari 2002 afgewezen. Aangezien wij geen aanleiding tot structurele handhaving hebben (gehad), achten wij het aangevoerde punt in het kader van de voorgenomen vrijstelling niet relevant.
21. Voorts worden de volgende zaken gevreesd:

- geur-, stof-, geluids-, trillings-, verkeersoverlast en gevaar;

- verstoring van rust en privacy;

- bodemverontreiniging;

- opslag van bepaald zwaar materieel, afvalstoffen, grand, mest e.d

Voornoemde zaken worden afdoende geregeld in de milieuvergunning. De

milieuvergunning heeft betrekking op de inrichting op de locaties xxxxxweg xxx en

xxxxxweg xxx. Alleen op laatstgenoemde locatie vindt beperkte mestopslag plaats en

derhalve niet op de locatie xxxxxweg xxx.
22. Door de aanwezigheid van het bedrijf zou terplaatse op de xxxxweg de verkeersveiligheid in het geding zijn.

Doordat bepaalde bedrijfsactiviteiten niet meer op de openbare weg behoeven plaats te vinden, wordt aan de verkeersveiligheid ter plaatse in positieve zin een bijdrage geleverd.


23. Omtrent de aanvraag zou onjuiste, onvolledige en/of gedateerde informatie door de fa. X zijn verstrekt

Dat hiervan sprake zou zijn, is het gemeentebestuur niet gebleken.


24. In de bedenkingen wordt o.a. aangegeven dat In de kennisgeving gepubliceerd in de Binnendijks van 20/21 oktober 2001 de kadastrale gegevens ontbreken.
5
Noch in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch in de Algemene wet bestuursrecht is expliciet bepaald, dat de kadastrale gegevens in de kennisgeving aangegeven dienen te worden. Uit de kennisgeving blijkt voldoende waar de aanvraag betrekking op heeft. Overigens zijn in de kennisgeving in de Binnendijks van 1/2 april 1998 wel de

kadastrale gegevens vermeld.



G/RQV/februari 2002.

6

6




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina