Gemeenten en overeenkomsten met kabelexploitanten rechtsgeldig



Dovnload 17.47 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte17.47 Kb.
Gemeenten en overeenkomsten met kabelexploitanten rechtsgeldig
Kabelexploitanten oktober 2003:

alle overeenkomsten met gemeenten niet meer rechtsgeldig

De kabelexploitanten Casema en UPC hebben in oktober 2003 een brief aan de gemeenten in hun verzorgingsgebied gezonden waarin zij meedelen dat zij de overeenkomsten met deze gemeenten niet meer rechtsgeldig achten gelet op veranderde Europese en Nederlandse wet- en regelgeving. Het gevolg was dat zij hun tarieven met ingang van 2004 uniformeerden en sterk verhoogden. UPC wilde nog wel daarover in gesprek gaan met de gemeenten, Casema deed dit geheel eenzijdig. Essent heeft nadien per 1 juli 2004 hetzelfde gedaan, terwijl over de vierde grote exploitant Multikabel tot op heden tegenstrijdige berichten zijn ontvangen.


VNG-ledenbrief december 2003:

verkoop-en beheersovereenkomsten rechtsgeldig, twijfel bij machtigingsovereenkomsten

In het najaar van 2003 is er ook meermalen ambtelijk en bestuurlijk overleg geweest tussen de VNG, Casema, UPC en VECAI de koepel van de kabelexploitanten. Zij bleven bij hun mening en de VECAI stelde zelfs dat de exploitanten, indien ze in Nederland van het Rijk en de rechters geen gelijk kregen, naar de Europese rechter zouden stappen.

De VNG heeft evenwel op 19 december 2003 (Lbr.03/176) een ledenbrief gezonden na consultatie en met instemming van het ministerie van OCW, het Commissariaat voor de Media en de OPTA waarin vermeld is dat de overeenkomsten in principe nog wel rechtsgeldig zijn. Dit is zeker het geval als ze zijn gebaseerd op overdracht van het beheer of verkoop van de kabel. Als de reden voor de overeenkomsten de machtiging is die de gemeenten ten gevolge van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen hadden werd op blad 3 van de ledenbrief een slag om de arm gehouden. Algemeen is het namelijk zo dat overeenkomsten niet meer geldig zijn die gebaseerd zijn op een wettelijke bevoegdheid die vervallen is. Voorts hebben wij gemeenten terughoudendheid aangeraden bij het in de overeenkomsten bepalen van programma's, omdat daarvoor inmiddels de programmaraden op basis van de Mediawet bestaan.
Advocaten en wetenschappers 2003 en 2004:

tegenstrijdige standpunten

Probleem op dat moment was dat zowel advocaten als wetenschappers in hun algemene adviezen elkaar tegenspraken. Zo had advocatenbureau De Brauw Blackstone Westbroek dat door de VECAI was aangetrokken dezelfde conclusie getrokken als in de VNG-ledenbrief: bij verkoop of overdracht van beheer gelden de overeenkomsten nog wel, maar indien deze louter gebaseerd zijn op de machtiging dan niet meer. Het kantoor Allen & Overy dat door UPC was ingeschakeld concludeerde in diezelfde tijd dat geen enkele overeenkomst en geen enkele bepaling meer geldig was. Deze tegenstrijdigheid was ook te zien bij de wetenschappers, hoewel de meeste van oordeel waren dat er wel sprake was van rechtsgeldige overeenkomsten.


Kabelbrief minister van EZ en staatssecretaris van OCW maart 2004:

overeenkomsten tussen gemeenten en kabelexploitanten rechtsgeldig

De minister van EZ en de staatssecretaris van OCW hebben in maart 2004 de brief 'Omroep via de kabel: stand van zaken' aan de Kamer gezonden. Daarin wordt bevestigd dat er vier actoren zijn om de consumentenprijs voor de kabel betaalbaar te houden: de OPTA naar aanleiding van een marktanalyse vooraf ten aanzien van het transportdeel van de kabelkosten, de NMA achteraf bij excessieve prijsstijgingen door machtsmisbruik, de lokale overheden op grond van hun overeenkomsten met de kabelexploitanten en een eventueel in te voeren algemene maatregel van bestuur op basis van de Mediawet over de kabelkosten voor het inhoudsdeel van het zogeheten basispakket.



2003 t/m januari 2008:

gemeenten winnen steeds vaker processen tegen kabelexploitanten
1. Overeenkomsten verschillend

Hoewel de VECAI in 1990 een model voor de overeenkomst tussen de gemeente en de kabelexploitant had gemaakt moet allereerst aangetekend worden dat de overeenkomsten tussen de gemeenten en de kabelexploitanten verschillen. Ten eerste is het uitgangspunt verschillend: verkoop, beheer of machtiging. Ten tweede zijn de bepalingen met wederzijdse rechten en plichten verschillend. En ten derde kunnen sommige overeenkomsten wijzigen, als de concurrentie in radio- en televisieland groter wordt of als wet- of regelgeving verandert, en andere niet. Verder kan er al dan niet sprake zijn van arbitrage.


2. Geen algemeen proefproces of financiële VNG-bijdrage in individuele proefprocessen

Dit alles was er de oorzaak van dat de VNG, mede na raadpleging van de grotere gemeenten en deskundigen, besloten heeft geen algemeen proefproces te voeren. Ook financieel bijdragen in de kosten van individuele proefprocessen van gemeenten tegen de vier grote kabelexploitanten hebben de staatssecretaris van OCW en de VNG mede om die reden niet gedaan, wel is ambtelijk inhoudelijke hulp geboden.


3. Gemeentelijke processen

3.1. Verloren processen

Aanvankelijk was er tegenslag: zo heeft Wageningen op 28 januari 2004 een bodemprocedure tegen UPC verloren, omdat de overeenkomst tegenstrijdig zou zijn met artikel 7 van de Grondwet. Wageningen is op 16 april 2004 in hoger beroep gegaan. Ook Bergen op Zoom en Roosendaal hebben hun kort geding tegen Essent verloren, omdat deze kabelexploitant bij nader inzien bereid bleek om de tarieven tot 1 januari 2006 slechts conform de bepalingen in de overeenkomsten met deze gemeenten te verhogen in afwachting van een uitspraak in een bindend adviesprocedure.
3.2. Gewonnen processen

Daarna keerden de uitspraken van diverse rechters echter ten gunste van gemeenten. Amstelveen en Hilversum hebben op 12 augustus 2004 hun appelprocedures tegen de vonnissen van de Rechtbank van Amsterdam gewonnen. Het Gerechtshof heeft daarbij respectievelijk Casema en UPC verboden hun tarieven verder te verhogen dan op grond van de overeenkomsten met de gemeenten in toegestaan. Deze zijn niet in strijd met de Grondwet, de Mediawet, de Telecommunicatiewet en de Mededingingswet. Ook het beroep van de kabelexploitanten op drie Europese richtlijnen faalt volgens het hof. Ook in cassatie bij de Hoge Raad heeft Hilversum inmiddels op 8 juli 2005 gewonnen van UPC. Nadat de gemeenten in februari 2006 was begonnen met het aanleggen van een glasvezelnetwerk, dat volgens UPC concurrerend was, is de kabelexploitant opnieuw naar de rechter gestapt. Deze heeft op 26 juni 2007 dat de bepaling in de exploitatievoorschriften, die de gemeente zeggenschap geeft over de inhoud van het pakket, strijdig is met artikel 7 van Grondwet. Maar de prijsstellingsbepalingen zijn dat niet, terwijl deze laatste bepalingen evenmin ontoelaatbaar worden geacht op grond van de zogeheten windmill-leer. Na afloop van de overeenkomst moet UPC gelet op de bepalingen in deze overeenkomst met de gemeente onderhandelen over de tarieven en mag de kabelexploitant de tarieven niet zomaar verhogen naar het door hem gewenste en veel in andere gemeenten zonder overeenkomst geldende tarief.


Het Gerechtshof in Den Haag heeft op 3 maart 2005 bij een hoger beroep in kort geding Casema verboden de tarieven in Leiden eenzijdig te verhogen, omdat de gemeente vanwege de vakantie onvoldoende tijd had om op de verhoging te reageren en omdat deze financieel onvoldoende was onderbouwd: de tarieven per 1 januari 2004 moeten gehandhaafd blijven, terwijl er onderhandeld wordt over een eventuele verhoging.
Het Gerechtshof in Amsterdam heeft op 4 mei 2006 bij een hoger beroep in kort geding bepaald dat Zeist de kabelexploitant Casema in redelijkheid aan tariefclausule houden: voor abonnees overeengekomen bedrag, jaarlijks verhoogd overeenkomstig consumenten-prijsindexcijfer.
Op 19 april 2005 heeft de Alphen aan den Rijn een bodemprocedure van Casema gewonnen: conform de verkoopovereenkomst met de gemeente zijn de tarieven pas vrij c.q. mag de kabelexploitant de tarieven met meer dan de index verhogen als er voldoende vrije marktwerking is.
Op 31 maart 2005 heeft het Gerechtshof in Den Haag bij hoger beroep in kort geding ook UPC verboden de tarieven tot en met 2005 eenzijdig te verhogen in Spijkenisse, Bernisse, Brielle, Hellevoetsluis, Ridderkerk, Rozenburg en Westvoorne, na 2005 wordt dit opnieuw bekeken afhankelijk van de resultaten van een bodemprocedure die deze gemeenten voeren. Inmiddels zijn de resultaten daarvan bekend. De rechter bepaalde op 24 mei 2006 in de bodemprocedure die de gemeenten tegen UPC hadden aangespannen dat deze kabelexploitant zich ook de komende jaren aan het contract moet houden dat ze in 1996 sloot met de gemeenten Spijkenisse, Bernisse, Brielle, Hellevoetsluis, Ridderkerk, Rozenburg en Westvoorne. Dit is in een eindvonnis van 26 april 2007 bekrachtigd. Dat betekent dat UPC de kabeltarieven niet extreem mag verhogen. De rechter vindt verder dat de kosten die UPC heeft gemaakt om het kabelnet te digitaliseren niet mogen worden doorberekend in het analoge tarief. Eerder moest UPC de inwoners van de zeven gemeenten al zeven miljoen euro terug betalen omdat de tarieven te drastisch waren verhoogd.


3.3. Opmerkelijke uitspraak

Opmerkelijk is de uitspraak van de rechtbank van Utrecht in een kort geding van Zeist tegen Casema van 1 februari 2005: deze overeenkomst heeft in tegenstelling tot die van de andere genoemde gemeenten geen betrekking op de verkoop van de kabel maar op het bezit van de machtiging door de gemeente. De gemeente had echter in haar overeenkomst geregeld dat opnieuw over de bepalingen waaronder de tarieven onderhandeld moest worden, als het machtigingenstelsel zou verdwijnen. Casema had dat niet gedaan en eenzijdig de tarieven verhoogd. Dat is thans teruggedraaid. Wel is voor de toekomst verwezen naar de OPTA.


4. OPTA, NMA en minister van OCW

Naast de overeenkomsten tussen gemeenten en kabelexploitanten zijn er nog andere mogelijkheden om de kabeltarieven te beheersen.


Gelet op Europese richtlijnen en de op grond daarvan in mei 2004 gewijzigde Telecommunicatiewet heeft de OPTA de volgende taak gekregen. Ze dient een of meer markten te bepalen voor openbare telecommunicatie-netwerken bestemd voor telefonie, internet en/of het verspreiden van programma's. Voorts moet de OPTA aangeven of er binnen deze onderscheiden markten sprake is van concurrentie. Aan de aanbieders met een aanmerkelijke marktmacht kan de OPTA de volgende verplichtingen opleggen: toegang verlenen, kostengeoriënteerd tarief voor deze toegang vragen, informatie verstrekken over de toegang, toegang bieden tegen gelijke voorwaarden, vooraf een duidelijk referentiekader bieden voor toegang plus tarieven en een gescheiden boekhouding voeren over de programma's, diensten en dergelijke. Voorts kan ze aan de genoemde aanbieders ook verplichtingen opleggen op eindgebruikersniveau d.w.z. de abonnee: dit betreft overigens alleen het transportdeel van de televisie- en radioprogramma's. Zie verder de berichtgeving op de site over de specifieke resultaten van de bemoeienis van de OPTA.
Daarnaast kan ook de NMA bezien of er sprake is van economisch machtsmisbruik in een sector zoals de kabelsector met name ten aanzien van de tarieven. Tot op heden heeft de NMA dat niet geconstateerd.
In het uiterste geval kan de minister van OCW op basis van de Mediawet de tarieven voor het inhoudelijke deel van het basispakket aan televisie- en radioprogramma's reguleren.
VNG, januari 2008




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina