Geschiedenis: 3 mei 07 Belangrijk voor het examen



Dovnload 70.27 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte70.27 Kb.
Geschiedenis: 3 mei 07
Belangrijk voor het examen:


  • Bij een open boek examen vraagt men naar inzichten, niet naar feiten of data.

  • Het is niet de bedoeling om teksten over te schrijven.

  • Het is een peilen naar inzichten:
    Waarom is iets net op dat moment gebeurd?
    Waarom gebeurt iets in een bepaald land?
    Wat zijn de redenen achter beslissingen die genomen worden?
    Wat zijn de grote stappen, welke zijn de scharniermomenten?
    Wie neemt deel aan de beslissingen?
    Welke factoren spelen een rol? (in de cursus zie je dat voornamelijk economische en sociale factoren meespelen in de verklaring van politieke besluitvorming).
    Ook internationale factoren bepalen mee de binnenlandse politiek.
    Wat zijn structurele veranderingen?

  • Het is ok om eigen inzichten te hebben, maar op het examen volg je de reader en het boek.

  • Samenvattingen zijn geen goede manier om te leren, lezen en inzicht krijgen is belangrijk. Een schema kan een kapstok zijn om alles aan op te hangen.

  • Vragen kan je doorgeven via de website.

  • Reader: belangrijk is het gedeelte na 1945.
    Zie de grote lijn van de staatshervorming.
    België historisch bekeken = achtergrondinformatie.
    Het parlement: belangrijk vanaf p 11

  • Boek: in de verschillende delen van het boek vind je een hoofdstuk over Europese samenwerking.

  • De politieke hoofdstukken over de Koude Oorlog zijn belangrijk! De hoofdlijnen van de bewapeningswedloop, het mechanisme van de dekolonisatie (heeft ook te maken met nationalisme), Hoofdstuk 4: economische groei: vooral de Europese samenwerking is belangrijk.

  • Het eerste deel van het boek (tot 1973) is geschreven door M. Vd Wijngaert, het tweede deel door Herman De Prins.

READER Politieke geschiedenis
In een grondwet worden idealen geschreven, de toepassing ervan is niet altijd zo ideaal. Echte democratie is een ideaal, daarom spreekt hij over democratisering.

1789: Franse revolutie, is een burgerlijke revolutie.

Vrijheid en gelijkheid staan ingeschreven in de grondwet, maar in praktijk komt daar niet veel van.
Ook in de onafhankelijkheidsverklaring van Amerika staat dat alle mensen gelijk zijn, maar pas veel later kwamen er wetten in die richting.

De idealen die ingeschreven staan in de grondwet worden niet altijd gerealiseerd. Wanneer de makers van de grondwet later ook mee regeren, kan men de grondwet toepassen. Wanneer andere groepen aan de macht komen, wordt de grondwet vaak niet toegepast.


Bvb. Stalin: een grondwet met veel vrijheden, maar hij had wel een dictatoriaal regime.
Het overzicht van de verschillende stelsels:

De Franse revolutie eindigt in het Liberalisme. De rijkere burgerij is de grote overwinnaar van de revolutie. In Frankrijk beslist de rijke burgerij mee in parlement en regering.

In Europa en België duurt dit tot 1890, dan begint de democratisering.
1893: België algemeen kiesrecht.
Voorheen was er cijnskiesrecht, wie veel belastingen betaalt, heeft kiesrecht. De rijken bepalen mee het beleid.

In België is 1% van de mannen kiesgerechtigd, en stemmen was niet verplicht. Voor de senaat konden enkel de allerrijksten meestemmen (400 Belgen). Het was een conservatieve, elitaire staat.


Voor de burgerlijke revoluties: standenmaatschappij, privileges zijn gebonden aan geboorte.

Na de burgerlijke revoluties: gelijkheid wordt ingeschreven in de grondwet, privileges worden afgeschaft.


De Belgische revolutie is geen bloedige revolutie maar een politieke revolutie. De revolutie wou de macht van de koning breken.

Liberalisme
De liberale samenleving is gebaseerd op principes van vrijheid en gelijkheid, maar dit is niet zo in de praktijk.

Bvb. In de grondwet staat vrijheid van vereniging: maar men verbiedt de arbeiders zich te verenigen, stakingen zijn verboden.

De rijkste burgers van het land proberen de macht naar zich toe te trekken.

Er heerst een elitair, onderdrukkend klimaat. Bij wilde stakingen wordt het leger en de politie ingezet, het is een repressieve staat.


Het liberalisme kent verschillende factoren:
de grondleggers ervan zijn conservatief, zij regeren met een kleine groep het land (cijnskiesrecht). De idee hierachter: rijke mensen kunnen regeren, zij kunnen besturen en beslissingen nemen, daarom geven we deze groep de macht over de staat.
Het conservatief liberalisme is elitair, alhoewel in het liberalistische gedachtegoed het individu belangrijk is.
Het Liberalisme zorgt voor een omvorming van de maatschappij. Het is de voedingsbodem voor de omvorming van de agrarische naar een industriële maatschappij. Liberalisme staat voor het vrije initiatief. Ook op economisch gebied is er een omwenteling.
KEERPUNT!!

1850 Groot-Brittanië is een industriële grootmogendheid, er is nood aan productie, grondstoffen, arbeiders,…

De gezondheidszorg verbetert, kindersterfte daalt, wetenschappelijke vooruitgang. Men beschikt over werkkrachten en kapitaal.

In de loop van de 18de eeuw zijn ook fysica en scheikunde sterk vooruitgegaan.


Het Liberalisme zorgt ervoor dat er geen remmingen zijn om deze factoren te gebruiken. Aan de industrie wordt niets in de weg gelegd, er is een vrije markt economie.
In de loop van de 19de eeuw wordt landbouw ondergeschikt aan de industrie.

De industriële revolutie brengt ongelijkheden met zich mee.

Vakbonden zijn verboden, men mag wel coöperatieven oprichten voor gemeenschappelijke aankopen zodat men zijn producten goedkoper kan aanbieden.
In het Ancien Regime was er een landbouwmaatschappij, de adel en de clerus waren de grootgrondbezitters, in een landbouwmaatschappij bepaalt de grond die je hebt, je rijkdom.

Dan verdrijft de industrie de landbouw, grond vermindert in waarde, men werkt met aandelen. De rijken kopen aandelen. (Ook nu zie je in de lijst van aandeelhouders van grote bedrijven dat nog steeds 1/3 van de aandeelhouders van adel zijn.)


De eerste industriële revolutie draait rond de zware industrie, er is metaal nodig, mijnbouw.

Machines vervangen de manuele arbeid. Gevolg hiervan is een grote werkloosheid.

Grondstofprijzen en rente op kapitaal worden internationaal bepaald, de enige besparingsmogelijkheid is het loon. Het uurloon daalt, hierdoor moet men meer uren werken om evenveel te verdienen.
Ook de toename van de bevolking, door een betere gezondheidszorg, werkt de grotere werkloosheid in de hand.
De tweede industriële revolutie draait rond massaconsumptie: het op grote schaal produceren, gevolg: de tewerkstelling neemt toe. Het uurloon daalt, men gaat meer uren werken om hetzelfde loon te behouden. Wanneer de lonen nog meer dalen gaan ook vrouwen meewerken om het inkomen te behouden. Ook kinderarbeid komt op. Het gevolg hiervan is dat deze kinderen uitgesloten worden van het onderwijs = het mechanisme van ongelijkheid.
Het conservatief liberalisme is paternalistisch: in strenge winters delen zij hout uit, bij hongersnood voedsel. Niet uit altruïstische motieven, maar om hun werkvolk in leven en sterk te houden.
Uitgangspunt van het conservatief liberalisme= na een tijd zullen meer mensen welvaart kennen, maar er wordt niet ingegrepen.
Heel dit systeem lokt reacties uit:
In mindere mate bij de arbeiders zelf, zij hebben immers geen rechten, maar wel bij de progressief liberalen die willen dat ook de groep arbeiders dezelfde rechten krijgen, zij willen de ergste ongelijkheden wegwerken. De socialisten moeten wachten tot zij voldoende steun krijgen.
De eenvoudigste sleutel tot verandering is de afschaffing van het cijnskiesrecht.
1893: België invoering van het algemeen meervoudig kiesrecht voor mannen.
Fasen van de democratisering:


  1. invoering van het meervoudig kiesrecht voor mannen: door dit kunstmatig kiesstelsel blijft de conservatief liberale klasse aan de macht.

  2. algemeen enkelvoudig kiesrecht voor mannen.

  3. algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen.



Politieke besluitvorming wordt een democratisch proces.

Maar de democratisering beperkt zich niet tot de politiek, men wil grote onrechtvaardigheden uit de wereld helpen door sociale wetten, een sociaal opvangnet (RSZ).

De erkenning van vakbonden als vertegenwoordigers van de arbeiders laat op zich wachten, dan moet men immers rekening met hen houden. Na WO II worden zij als volwaardige partner gezien.
Democratisering:

Democratisering = toegankelijk maken voor iedereen.


De afschaffing van kinderarbeid, de invoering van de leerplicht en studiebeurzen zorgt voor de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs.
Conservatief liberalisme: het individu. De rijken bepalen de wetten, zitten in het parlement; Zij willen hun eigen belangen beschermen. Principe: geen staatsinmenging, op termijn zal iedereen meer welvaart kennen.
Socialisme: voor de groep.

Marx: bezit is de basis van ongelijkheid, dus bezit afschaffen, een klasseloze maatschappij.

Hij preekt de revolutie: vb. Rusland 1917

In de meeste landen is er een afwijking van het Marxisme: privébezit kan wel.


Sociaal- Democraten: geen collectivisme, wel gelijkheid.
Het zijn allemaal wegen naar hetzelfde doel: zoveel mogelijk welvaart voor zoveel mogelijk mensen. Politiek draait rond vrijheid en gelijkheid.
Communisme: alle mensen gelijk, geen bezit. Nadeel: dit gebeurt onder dwang, de dictatuur van de gelijkheid.
Sovjet-Unie: Lenin wil wereldcommunisme door wereldrevolutie. Hij ondersteunt revoluties in andere landen. Hij roept onderdrukte volken op om in opstand te komen tegen het koloniaal bewind. (kolonisatie 19de eeuw: doel = goedkope grondstoffen).
(ook binnen de communistische partij ontstond een elite: de apparatjiks, ook in de communistische dictatuur heerst dus ongelijkheid, een klassenverschil = verklaring waarom het communisme ingestort is. Wanneer de druk van boven wegvalt onder Gorbatsjov stort het communisme in).
Fascisme: enkele mensen die met geweld andere mensen onderdrukken. Is tegen de democratie. Men wil met geweld de tijd terugdringen en terugkeren naar het Ancien Regime.

Fascisme is gebaseerd op ongelijkheid en geweld.



De Belgische revolutie
Willem I regeert als een verlicht despoot over de Verenigde Nederlanden.

In de Zuidelijke Nederlanden wou men inspraak. Liberalen (willen inspraak) en Katolieken (hopen dat de katolieke godsdienst staatsgodsdienst wordt) sluiten een monsterverbond.


1830: De Belgische revolutie

De burgerij richt een burgerwacht op om de opstand van de arbeiders te onderdrukken. Zij gaan onderhandelen met Willem I. Zij willen binnen de Verenigde Nederlanden een onafhankelijke politieke weg volgen voor de Zuidelijke Nederlanden.


Willem I staat niet open voor onderhandelingen hierover en er komt een afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden (België).
De grondwet van 1830 is gemaakt door de rijke burgerij, er is cijns- en kapaciteitskiesrecht.

In de grondwet worden veel vrijheden opgesomd, maar het is een conservatief-liberale grondwet, gebaseerd op een elitair systeem. Dit blijft zo tot 1893 (invoering algemeen kiesrecht).


De Belgische grondwet is de meest liberale grondwet, maar in de praktijk is er pas in 1893 werk gemaakt van gelijke kansen en gelijkhied.

Men kan gelijkheid moeilijk opdringen, daarom gelijke kansen creëren.
De monarchie

Ondanks de republikeinse instelling van de grondleggers van België kiest men voor een monarchie. De Britten willen België wel erkennen, maar zij wensen geen republiek, wel een grondwettelijke monarchie.


Grondwettelijke monarchie: geen persoonlijke macht voor de koning, de regering is verantwoordelijk.

Beeldspraak: koning en regering zitten samen op een tandem: de regering stuurt, de koning zit achteraan, hij kan raad geven maar niet beslissen.

Men gaat op zoek naar een koning. Het feit dat de eerste keuze de 16 jarige zoon is van de Franse koning is een teken dat men het koningschap niet als een belangrijke functie ziet.


Uiteindelijk kiest men voor Leopold I, de zoon van de hertog van Saxen-Coburg. Voor de hertog was zijn wil wet.
Ondanks de bepalingen in de grondwet neemt Leopold I zelf het opperbevel van het leger op zich. Hij onderhandelt mee, zit de ministerraad voor en legt zo de grondwet langs zich neer.

De macht die Leopold I naar zich toe trekt is niet grondwettelijk zo beschreven, maar het parlement legt hem niets in de weg.


1830: katolieke meerderheid
1846: oprichting liberale partij

Een groep vrijzinnigen wil de in de grondwet ingeschreven vrijheid van godsdienst waarmaken. Er is wel vrijheid van godsdienst maar in de scholen krijgen de kinderen katolieke godsdienst. De liberalen willen ook dat meer mensen kunnen stemmen: afschaffing van het cijnskiesrecht.

De liberale partij wordt gezien als een tegenstander van de koning, als concurrentie.
1884: oprichting katolieke partij
1885: oprichting socialistische partij.
Na 1893, met de invoering van het algemeen kiesstelsel, worden de partijen belangrijker.
Particratie: de democratie wordt door partijen geregeerd.
Leopold II: heeft minder macht dan Leopold I. Hij moet bijvoorbeeld 30 jaar vechten om de militiewet erdoor te krijgen.
Albert I: heeft veel aanzien na WO I. Onder zijn bewind komt er enkelvoudig kiesrecht. Hij wordt scheidsrechter bij de verkiezingen, zorgt voor continuïteit van het bestuur.

Albert I wil zo weinig mogelijk socialisten in de regering. Zijn politiek is gericht op steun aan de conservatieven.


Ook binnen de partijen waren er tegenstellingen, er was interne verdeeldheid. Dat is het drama van de politieke jaren 30: zwakke politieke partijen.
Zowel Albert I als Leopold III veroordelen de partijen.
Leopold III (1934) is aan de macht ten tijde van Mussolini en Hitler. Ogenschijnlijk gaat het beter in de dictatuur dan in de democratie.

Leopold III wil een sterke regering onder de koning, hij gelooft in een autoritair systeem.


WO II: de koning blijft krijgsgevangen met zijn soldaten vanuit de idee dat er een Duitse periode in de geschiedenis is aangebroken. Hij wil hierin een rol blijven spelen en vraagt aan Hitler zijn grondgebied terug, wetende dat er dan geen democratie meer is. Hij wil een sterk staatshoofd. Hij laat een nieuwe grondwet maken waarin het parlement enkel een adviserende bevoegdheid heeft. Hitler heeft dit aanbod afgewezen.

Na WO II wordt Leopold III afgerekend: niet owv zijn onderhandelingen met Hitler (hierover is bij het volk weinig bekend), maar omdat hij geen lessen geleerd heeft, hij blijft in zijn eigen gelijk geloven.


Leopold III wordt meegevoerd door de Duitsers, hij heeft zelf geen gevolgen ondervonden van de bezetting, is zelfs getrouwd in de bezettingsperiode. Hij laat een politiek testament na waarin hij waarschuwt voor de Amerikanen.
De regering wil de spons vegen over de gebeurtenissen van 1940, zij vragen de koning terug te keren naar België. Hij moet dan wel in het parlement hulde brengen aan de bevrijders, maar de koning weigert mee te komen, hij wenst excuses.
Men vraagt zich af of men de koning nog wel kan aanvaarden als Koning van België.

Enkel de CVP steunt de koning owv electorale redenen.


In 1949, onder de coalitie van CVP en Liberalen wordt er een volksraadpleging gehouden omtrent de terugkeer van de koning. Een volksraadpleging heeft enkel een consultatieve waarde maar men laat het volk denken dat het beslissend is.
57% stemt ja, maar de regio’s stemmen verschillend. Een belangrijke minderheid erkent de koning niet meer. Wanneer de koning toch terugkomt, staat België op de rand van een burgeroorlog.
Uiteindelijk doet Leopold III toch troonsafstand. Hij was de laatste autoritaire koning.
Boudewijn I
Onder Boudewijn ontstaat een ander koningsschap. De leiders van de partijen leren hem koning te zijn in een democratische monarchie. Maar Boudewijn blijft onder invloed van Leopold III (dyarchie: Leopold is een koning achter de schermen).

Wanneer Boudewijn trouwt met Fabiola beslist de regering dat Leopold weg moet uit Laken.

Bevrijd van de dictatuur van zijn vader, leert Boudewijn hoe hij koning moet zijn in een democratie. De politieke partijen maken onderling uit wie de regering vormt.

De macht van de koning verdwijnt, maar zijn invloed blijft wel bestaan.

De staatshervorming verkleint de macht van de koning nog meer.
Mini-koningskwestie: Boudewijn weigert de arbortuswetgeving te ondertekenen en houdt zich daardoor niet aan de grondwet: de koning bekrachtigt de wetten, hij kan niet weigeren.

Oh dierbaar België
België is oorspronkelijk een unitaire staat (een eenheidsstaat). Frans is de officiële taal.

Er ontstaat een spanningsveld, vraag naar gelijkheid van taal.


1930: oprichting van regionale partijen (VNV, REX)

Zij willen een onafhankelijk Vlaanderen.

Collaboratie: Onder de Duitsers een onafhankelijk Vlaanderen verkrijgen is het motief voor de Vlaamse collaboratie. De VNV is een belangrijke partij. De Vlaamse collaboratie had een idealistisch motief.

De collaboratie aan Franstalige kant was fanatieker, meer crimineel.


Hierdoor was amnestie niet bespreekbaar aan Waalse kant, omdat de collaboratie in Wallonië zoveel fanatieker en gruwelijker was.
Na WO II
Verdeeldheid tussen Vlaanderen en Wallonië over:


  • de koningskwestie

  • de epuratie (de burgerlijke vervolging na WO II)

  • de repressie (over het algemeen zijn meer Vlamingen getroffen dor de repressie en de epuratie, maar er zijn meer terdoodveroordelingen aan Franse kant).

Er ontstaat een verdeeldheid onder Nederlandstaligen en Franstaligen.


Jaren 50: de schoolkwestie
Voor het middelbaar onderwijs moest men schoolgeld betalen.

Slechts ¼ van de middelbare scholen was rijksonderwijs. Men vraagt een inhaaloperatie, er moet echte keuzevrijheid van onderwijs zijn.


Wet Collard: benadeelde het katoliek onderwijs niet, maar zorgde voor meer rijksonderwijs.
Hierop kwam protest vanuit Vlaanderen.
1958: de paarse regering gaat onderuit, de katolieken behalen een grote overwinning.
Schoolpactcommissie: in de commissie zijn alle partijen vertegenwoordigd. Het is een compromis. De commissie houdt toezicht.
Jaren 60:
Opkomst van de regionale partijen, de bestaande unitaire partijen staan onder druk en worden ook geregionaliseerd. Alles wordt nu communautair gekleurd. Politiek, maar ook economisch.
In Wallonië gaat de economie slecht: er zijn mijnsluitingen, de zware nijverheid verdwijnt.

In syndicale kringen aan Waalse zijde heerst het idee:”wat we zelf doen, doen we beter”.

Het federalisme in Wallonië is geïnspireerd door een economisch standpunt: vandaar dat in Wallonië het gewest belangrijk is.
In Vlaanderen is het federalisme geïnspireerd door de strijd voor cultuur en taal. Vandaar het belang van de cultuurgemeenschap.
Dit is het stramien voor de staatshervorming.
Economische zelfstandigheid: Gewesten

Cultuur, persoonsgebonden materies: Gemeenschappen


Gewesten en Gemeenschappen overlappen elkaar.
In Vlaanderen is de Gemeenschap het belangrijkst, er is een fusie tussen gemeenschap en Gewest.
In Wallonië is het Gewest belangrijk.

Deze verschillende klemtonen blijven bestaan.


Omdat voor een grondwetswijziging een 2/3 meerderheid nodig is, werden telkens grote compromissen gesloten.
Vlaanderen is aanvankelijk terughoudend over de Gewestvorming.

Brussel is het struikelblok.


Jaren 80
Er komt een Brussels hoofdstedelijk gewest, maar niet met dezelfde bevoegdheden.

Nederlandstaligen krijgen een paritaire regering, ondanks het feit dat zij in de minderheid zijn.


1993: het sluitstuk van de staatshervormingen
2001: het Lambermont akkoord: gemeenten en provincies vallen ook onder de bevoegdheid van de gewesten.
België na 1945
Het politieke spectrum is rijker geworden. Men onderhandelt niet meer tussen de verschillende politieke families maar van gemeenschap tot gemeenschap.
Het fundament van de federale staat is het solidariteitsprincipe, sommige thema’s blijven nationaal.
Opties koningschap:
Men kiest niet voor een protocolair koningsschap zoals bvb in Zweden.
De koning blijft raadgever, maar de opinie van de koning blijft binnenskamer (de kroon wordt niet ontbloot).

De koning staat buiten de politiek, maar kan suggesties doen en raad geven. Deze raad is vrijblijvend voor de regering.


Men kiest dus voor een semi-protocolair koningsschap: de koning heeft geen macht, wel invloed.
Het koningsschap ontdaan van politieke macht is een goed compromis voor een land als België.
HANDBOEK: Internationale politiek + laatste deel reader

In de 19de eeuw was Groot-Brittanië oppermachtig (te vergelijken met Amerika nu).

GB kende 100 jaar voor Frankrijk een liberale omwenteling.

Daardoor ontstond er ook vroeger een industriële omwenteling, waardoor men meer grondstoffen nodig had. De kolonisatie begon in GB dan ook vroeger dan elders, zij bouwden een groot koloniaal rijk uit.


1815: het congres van Wenen

Na de overwinning op Napoleon zit ook GB in het congres van Wenen.

GB handhaaft zijn macht. Met de tweede industriële revolutie op het vaste land, doet ook GB weer mee aan de kolonisatie. Zij willen de grootste blijven.
Theoretisch gezien is Rusland machtiger, maar Rusland is een agrarische maatschappij, die pas later een industriële revolutie kent. Het is een machtig keizerrijk, maar een versnipperd rijk.

De Britse koning is machtiger op economisch vlak.

Enkel Pruisen is even machtig.

Pruisen heeft ook een aandeel in de overwinning op Frankrijk en krijgt een verdubbeling van zijn grondgebied. Het blijft wel één van de Duitse staten.


1856: Pruisen in oorlog met Oostenrijk. Zij behalen de overwinning maar vernederen Oostenrijk niet, zij rekenen op latere vriendschappelijke banden.

Pruisen wil een Groot Duitsland. Bismark zoekt een gemeenschappelijke vijand voor de Noordelijke en Zuidelijke Duitse Staten.

In Frankrijk zit een neef van Napoleon op de troon die hoopt door een oorlog met Duitsland zijn blazoen op te poetsen.

Dit leidt tot een nederlaag voor Frankrijk in 1870.


In Versailles wordt het nieuwe Duitse Keizerrijk uitgeroepen. De Pruisische koning is keizer van alle Duitstaligen.

Het principe: wie de oorlog verliest, betaalt = een Duits principe (ook zo voor de Duitsers na WO I: herstelbetalingen).


De Frans-Pruisische oorlog tekent het politiek beeld. Van 1871 tot 1914 heerst er een revanchegedachte bij de Fransen. Het nationalisme wordt opgezweept langs twee kanten.

Dit verklaart waarom Frankrijk Duitsland wil vernietigen na WO I.


De Britten kozen de zijde van de Fransen, niet met het doel oorlog te voeren.

Als de Duitsers het neutrale België binnenvallen voelen de Britten zich verplicht te helpen.


Duitsland heeft de ambitie om een grote mogendheid te zijn, zij willen een zeemacht uitbouwen.

GB heeft een grote zeevloot en wil Duitsland tegenhouden.

De politiek van GB = evenwicht op het vaste land.
GB probeert in WO I de ambities van Duitsland in te tomen. Hierdoor hebben zij geen oog voor de ontwikkelingen in Amerika. In Noord-Amerika is een grote natie ontstaan van immigranten. Zij veroveren het continent van de Oost- tot de Westkust.

De geschiedenis van Amerika is een bloedige geschiedenis: de oorspronkelijke inwoners worden uitgemoord of in reservaten geplaatst.

Er ontstaat een concurrentiekracht in Amerika: er zijn grondstoffen en voldoende arbeiders (zowel immigranten als slaven).
In 1917 vecht Duitsland op twee fronten: aan de grens met Rusland en de loopgravenoorlog op het Westelijk front.

Duitsland is niet uitgerust voor een langdurige oorlog, wel voor een Blitzkrieg.


1917; Russische revolutie

Lenin verlaat het bondgenootschap tegen Duitsland. De Duitse troepen worden overgebracht naar het Westelijk front.


De Amerikanen hebben ondertussen leningen gegeven aan Europa en wapens geleverd. President Wilson wordt onder druk gezet, wanneer men verliest tegen Duitsland, ziet men niets terug van deze investeringen. Daarbij wil Amerika ook invloed in Europa. Vandaar de Amerikaanse participatie aan de oorlog.

De aanleiding was de aanval van Duitse U-boten op Amerikaanse schepen.


Frankrijk wil na WO I Duitsland vernietigen, maar GB en Amerika willen het evenwicht bewaren. Duitsland blijft bestaan maar onder strikte voorwaarden. Het mag oa. Geen eigen leger hebben.
In de jaren 20 en 30 speelt de economische crisis de Nazi’s in de kaart.
In 1935 wordt een nieuw Duits leger opgericht, ondanks het verdrag van Versailles.

Op dat moment zijn er verkiezingen in Frankrijk en niemand wil onpopulaire maatregelen nemen, men laat Duitsland zijn gang gaan.


In Spanje is er de opkomst van Franco. Die zoekt eerst steun bij Frankrijk en GB, wanneer hij die hier niet krijgt, wendt hij zich tot Mussolini en Hitler.
GB en Amerika verkiezen Hitler boven Stalin en zijn laks tov zijn beleid.
1939: Duitsland valt Polen binnen: het begin van WO II.

(de les die de Britten en Fransen hieruit trekken is: je mag geen duimbreed toegeven, vandaar hun strakke opstelling tijdens de Koude Oorlog: men wil een sterke macht opbouwen en de vergeldingskracht vergroten).


In WO II staan dezelfde krachten tegenover elkaar als in WO I.

Hitler wil een groot rijk uitbouwen (uitbreiding naar het Oosten). Duitsland valt België,Nederland en Frankrijk binnen. Enkel GB houdt stand.

Hitler valt Rusland aan, ondanks het niet-aanvalspact met Stalin.
Niet de Europese landen maar Rusland en de Amerikanen winnen de oorlog. GB wordt een derderangsmogendheid.
Einde WO II: Japan wordt militair verslagen (atoombom).

Duitsland wordt verslagen: het Russische Rode Leger palmt de landen in die het bevrijdt van Duitsland (Oostblok).

Amerika behoudt zijn invloed op West-Europa.
In tegenstelling tot WO I komen er geen vredesverdragen. Er ontstaan twee invloedsferen: Sovjet-Unie en Amerika.
Duitsland wordt opgesplitst, en ook Korea en Vietnam worden in twee delen opgedeeld.

De wereld wordt opgesplitst in twee invloedssferen: dit is de start van de Koude Oorlog.

De Koude Oorlog is geen ideologische oorlog. Het is de strijd om invloed op een zo groot mogelijk deel van de wereld. Er wordt niet effectief gevochten (vandaar Koude Oorlog) maar men houdt elkaar goed in de gaten.
De combinatie van de Duitse precisieraketten en het Amerikaans atoomwapen leidt tot de ontwikkeling van kernwapens.
De dekolonisatie wordt aangemoedigd door zowel Amerika als Rusland. Zij proberen de nieuw ontstane landen in hun invloedssfeer te krijgen.
Politiek president Truman: alle regeringen helpen die last krijgen van het communisme.
Truman stuurt Marshall hulp naar Europa, die bestaat uit schenkingen en leningen.

In ruil voor de Marshall hulp moet men Amerikaanse producten kopen. De Amerikaanse industrie vaart hier wel bij.


België is redelijk ongeschonden uit de oorlog gekomen en krijgt minder Marshall dollars. Het gebruikt deze hulp om de Waalse steenkoolmijnen nieuw leven in te blazen. Dit is echter een bodemloze put. Na een achttal jaren worden de mijnen gesloten.
Nederland gebruikt de Marshall dollars om de haven van Rotterdam uit te bouwen, Frankrijk voor een nieuw elektriciteitsnet.
In de jaren 50 is de industrie in België verouderde, de economie hervat pas in de jaren 60.
In West-Europa heerst de vraag of men veilig is tegen Rusland. Zal Amerika zijn raketten inzetten voor Europa?
De BENELUX en GB sluiten het Pact van Brussel, zogenaamd tegen Duitse weerwraak, maar in feite uit angst voor de Sovjet-Unie.
België levert ondertussen uranium aan Amerika tegen kostprijs en wordt gezien als bondgenoot. Dit verschilt met hun neutrale statuut van vroeger.
In de eerst periode van de opbouw van de Koude Oorlog is Spaak een bondgenoot voor Amerika. Hij voert een pro-Atlantische politiek en wordt later ook secretaris-generaal van de NAVO.
NAVO: de legerleiding is in handen van Amerika, de troepen komen uit Europa. De burgerlijke zaken vallen onder Europees leiderschap.
In 1955 wordt ook West-Duitsland lid van de NAVO. Rusland heeft in de beide oorlogen veel verloren aan Duitsland en sticht als reactie het Warschau-pact.

De Russen proberen even machtig te worden als Amerika maar hebben hiertoe de economische middelen niet. Zij moeten investeren in kernwapens en in conventionele wapens.


De Koude Oorlog draait rond afschrikking. Men wil de vijand overtuigen dat men terug kan slaan bij een aanval.

Het is zowel een psychologische oorlog als een machtsafschrikking.


Men overtuigt het eigen volk door propaganda dat de anderen sterker zijn.

Balance of Terror: men doet de mensen geloven dat er een derde oorlog komt.


De oorlog in Korea in 1950 versterkt dit schrikbeeld. In België beginnen mensen te hamsteren.

Door de angst voor een derde oorlog stemt het Belgische parlement er in toe om 20% te investeren in het leger.


De oorlogsindustrie bloeit, en wil dat zo houden. Als er geen crisis is, wekken zij een crisis op, men zaait paniek en manipuleert de publieke opinie.

De wapenlobby’s houden de Koude Oorlog in stand door geruchten te verspreiden om zo door de publieke opinie de regering te dwingen te blijven investeren in wapens.


Dit houdt in dat ook Rusland nieuwe raketten moet bouwen om de balans in evenwicht te houden. Dit vraagt veel van het Russische staatsbudget, geld dat men niet in de economie kan pompen.
De Oorlog in Korea:
Noord-Korea leunt aan bij China. Wanneer China communistisch wordt, wil Noord-Korea heel Korea onder communistische invloed. Stalin is akkoord maar stuurt geen troepen. Chinese vrijwilligers bieden militaire ondersteuning.
De Amerikanen erkennen China niet, en uit protest daartegen bleven de Russen weg uit de veiligheidsraad. Hierdoor kreeg Amerika de kans om Zuid-Korea te steunen in de oorlog, zonder hiervoor op een veto van Rusland te stoten.
Korea is wat dat betreft de uitzondering: normaal geeft of Amerika of Rusland een veto voor het ingrijpen in andere landen.
De Koreaanse oorlog blijft onbeslist, men laat de dingen zoals ze zijn. Dit is de eerste oorlog die de Amerikanen niet kunnen winnen.
In deze periode worden de Fransen verdreven uit Vietnam. (dekolonisatie oorlog).

De Vietmin hebben de Japanners verdreven en Frankrijk eist zijn kolonie weer op. Dit stuit op protest van de Vietmin. Het vreemdelingenlegioen trekt ten strijde tegen het guerillaleger van de Vietmin. Het Franse leger is niet opgewassen tegen de guerillatactieken en geeft zich over.

Er komen besprekingen over Vietnam.
Amerika stuurt adviseurs om een Zuid-Vietnamees leger te steunen. Amerika wenst geen verkiezingen in Vietnam, zij vrezen dat Noord-Vietnam zal overwinnen, en dat valt in de communistische invloedssfeer.
Tussen 1956 en 76 proberen de Amerikanen Vietnam in handen te krijgen. Dit is de eerste oorlog die op TV uitgezonden wordt. De Amerikanen zien gecensureerde beelden, men ziet enkel Vietnamezen sneuvelen. In deze oorlog worden chemische wapens (agent orange) ingezet.
Desondanks verliezen de Amerikanen de oorlog, dit is een vernedering voor Amerika.
Waarom was Vietnam zo belangrijk voor Amerika?

Men vreesde voor het domino effect: wanneer 1 land uit de invloedssfeer valt, volgt de rest.


Vanuit diezelfde dominotheorie reageert Rusland zo sterk op de Hongaarse opstande.
2de fase van de Koude Oorlog

Zowel de oorlog in Vietnam als de voortdurende bewapening kosten veel geld. Er komt een oorlogsmoeheid. Dit is de inzet van de jaren 70.

De opbouw van de Koude Oorlog duurde van 47 tot de jaren 70. Mede door het einde van de Vietnam oorlog en de inzet van nieuwe raketten (MIRV) komt er een toenadering tussen Oost en West.

(voor de Belgische politiek: zie laatste hoofdstuk reader).


HARMEL krijgt de opdracht van de NAVO om een nieuwe doctrine op te maken.

Hierin staan twee belangrijke punten:




  • De NAVO moet zowel politiek als economisch en militair sterk blijven

  • Men moet toenadering zoeken, niet door grote conferenties maar door pendeldiplomatie. Het doel hiervan is dat het vijandsbeeld wordt bijgesteld.

Harmel gaat bij verschillende Oostbloklanden op bezoek.


HELSINKI = sleutelmoment
De conferentie in Helsinki is een moment van toenadering tussen Oost en West.

Er komt geen ontwapening maar een regulering van de bewapeningswedloop.


Overkill: er zijn voldoende wapens om de wereld 7 tot 8 maal te vernietigen.
Men wil komaf maken met de dingen die Oost en West uit elkaar houden.


  • Na WO II ontbrak er een vredesakkoord. De situatie zoals ze nu is (de grenzen zoals ze nu zijn), wordt de facto erkend.

  • Veiligheid en samenwerking in Europa: mensenrechten worden belangrijk. Erkenning van de basismensenrechten (dit is een steun aan de Russische dissidenten).

  • Elk land moet vertrouwenwekkende maatregelen op papier zetten (bvb. Bij maneuvers kan de tegenpartij komen kijken).

Afspraak: men maakt nu een begin van de toenadering tussen Oost en West, en om de twee jaar is er een toetsingsconferentie.


Probleem: Helsinki wordt doorkruist door de oorlog in Afganistan.Rusland valt Afganistan binnen uit vreest dat via de fundamentalistische opstand in Iran, via Afganistan de Zuidelijke staten van Rusland onder een fundamentalistische invloed zouden komen.

Afganistan wordt het Vietnam van Rusland.


De Amerikanen sturen geen troepen naar Afganistan, maar zij steunen de verzetsbeweging. Zij richten een Afgaans bureau op: een leger dat een mohammedaanse oorlog voert tegen Rusland. (Osama Bin Laden werkte op dit door Amerika gesteunde bureau).

Uit dit Afgaans bureau groeit Al Quaeda. Aanvankelijk wordt deze overtuigd fundamentalistische organisatie gesteund door Amerika om tegen Rusland te vechten.

Later keren diezelfde mensen zich tegen Amerika, oa met aanslagen op Amerikaanse ambassades (+ 9:11)
1990: de bevrijding van Koeweit onder Bush sr. De weg naar Irak ligt open.
SOVJET – UNIE
Het evenwicht in de Koude Oorlog vraagt om afschrikking. De economie verslechtert, de Koude Oorlog kost bergen geld. En ondanks al de investeringen kan Rusland Amerika niet bijbenen.
1985: Gorbatsjov, de eerste realist. Hij wil geen geld meer pompen in de bewapeningswedloop.
Het Sovjetsysteem verzand: Gorbatsjov wil een andere politiek voeren.

Voor hem is de economie de motor van alles, hij wil de economie hervormen maar hiertoe leent het politieke systeem zich niet.


Gorbatsjov brengt inspraak op de kaart,hierdoor ontstaat de opkomst van andere, niet-communistische, meningen.

Gorbatsjov wil de macht van de president (= zijn eigen macht) vergroten, maar dit wordt door het parlement geweigerd.


Een aantal republieken binnen de Sovjet-Unie wil een onafhankelijke koers varen. Nationalisme komt naar boven. De Sovjet-Unie spat in elkaar.
In 1991 verijdelt Jeltsin een staatsgreep van de Stalinisten.
Gorbatsjov voert een “ieder voor zich” politiek in. De landen uit de Sovjet-Unie gaan hun eigen weg, sommigen kiezen voor democratie, andere voor gemengde systemen.
Er ontstaat een unipolaire wereld.
Maar ondertussen is Europa begonnen aan een economische hervatting, integratiepolitiek.
EUROPA
SCHUMAN (Frankrijk): vanaf 1870 is er vijandschap tussen Frankrijk en Duitsland. Hij wil via economische samenwerking deze vijandschap afbouwen.

Het idee van samenwerking tussen verschillende Europese landen: de unie van Kolen en Staal.


De BENELUX (de eerste vorm van samenwerking in Europa) samen met West-Duitsland, Italië en Frankrijk sluiten een akkoord voor een Europese integratiepolitiek.

Ook Spaak speelt hierin een rol.


Het doel is om via economische samenwerking tot politieke samenwerking te komen. Zij dromen van een politieke unie. Voorlopig vormen zij echter een gemeenschap.
Binnen de Europese gemeenschap zijn er twee strekkingen:


  • Federalisten: buitenlandse politiek afstaan aan de unie, een grote macht vormen door stukjes politieke macht af te geven aan de Unie.

  • Unionisten: een Europa van de vaderlanden, iedereen behoudt beslissingsrecht.

Beslissingen binnen de Unie worden bij unanimiteit genomen.

Dit ging nog toen men met zes was.
Met de uitbreiding van de Europese Unie is dit niet meer vol te houden.
Er werd een grondwet voor Europa opgesteld waarin staat dat de unanimiteit vervangen wordt door 55% van de landen met 60% van de bevolking.
Nederland en Frankrijk hielden een volksraadpleging en de grondwet werd afgewezen.

De regeringen hebben de grondwet wel ondertekend maar het parlement moet nog ratificeren.


Door deze afwijzing van de Europese grondwet is de Europese Unie lamgelegd.
Verdrag van Maastricht: Euro muntunie+ 1 buitenlandse politiek.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina