Handleiding aaltjesmanagement in de akkerbouw Achtergronden



Dovnload 43.53 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte43.53 Kb.









Kenniscentrum

::

Beheersing nematoden

Handleiding aaltjesmanagement in de akkerbouw - Achtergronden


Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BV

Auteur: ir. L.P.G. Molendijk
Datum: maart 2000
Projectnummer: -




Inhoudsopgave

1. Aaltjes vind je overal
2. Plantparasitaire aaltjes
2.1. Cysteaaltjes
2.2. Wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne soorten)
2.3. Wortellesieaaltjes (Pratylenchus soorten)

2.4. Vrijlevende wortelaaltjes
2.5. Stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci)
3. Verspreiding
4. Aaltjesverwachtingen






1. Aaltjes vind je overal


Aaltjes of nematoden zijn minuscule wormpjes die in principe in vocht leven. Het maakt niet uit of dit vocht in zeeën, rivieren, grond, beesten of mensen zit. De spoelwormen en lintwormen van mens en dier behoren bijvoorbeeld tot de groep van de aaltjes. In grond en water komen in Nederland ongeveer 1200 soorten voor, waarvan zo’n 100 soorten voor planten schadelijk zijn (plantparasitair). Hiervan is slechts een kwart een probleem voor de landbouw. In een gezonde bodem zitten 30 tot 40 aaltjes in elke milliliter grond, dat zijn er 4 tot 10 miljoen per vierkante meter bouwvoor. Zijn het er veel minder dan is er iets mis met het milieu.
Plantparasitaire aaltjes zijn 0.2 mm tot 10 mm groot en met het blote oog meestal niet zichtbaar.
De meeste aaltjessoorten zijn de landbouw zeer behulpzaam. Het zijn bacterie-eters, schimmeleters of insectenparasieten. Een klein aantal soorten behoort tot de plantparasieten. Dat is op zich geen punt zolang hun aantal maar niet te hoog oploopt, want dan ontstaan er voor de landbouw problemen.
Het type probleem en de oplossing ervan is zeer afhankelijk van de aaltjessoort en het gewas waarin het zich voordoet. Inzicht in de levenswijze van de aaltjessoort en de sterke en zwakke punten binnen de levenscyclus, maakt een gerichte aanpak van een aaltjesprobleem mogelijk.




2. Plantparasitaire aaltjes


De wijze van denken over de beheersing van aaltjes in Nederland werd in het nabije verleden vooral bepaald door de aardappelcyste- en bietencysteaaltjes. In de aaltjeswereld zijn de cysteaaltjes echter een uitzonderlijke groep. Een aanpak van de algemene aaltjesproblematiek op basis van concepten vanuit de cysteaaltjesbestrijding is daarom niet effectief. De groep van de plantparasitaire aaltjes bestaat uit een bonte verzameling van beestjes die in vorm en levenswijze totaal kunnen verschillen. Eén ding hebben ze echter gemeen: de stekel, waarmee ze in staat zijn de wortel aan te prikken en de celinhoud te consumeren.
Afhankelijk van de soort leggen de vrouwtjes 30 tot 500 eieren. Uit het ei komt een larve. Na een aantal vervellingen ontstaat weer een volwassen aaltje waarmee de levenscyclus is voltooid. De tijdsduur die nodig is om een levenscyclus te volbrengen varieert van drie weken tot ruim een jaar. Aaltjes halen een leeftijd van enkele weken tot twee jaar.
De meeste soorten volbrengen hun gehele levenscyclus in de grond. Uitzondering zijn de blad- en stengelaaltjes die juist de bovengrondse plantdelen aantasten.
Er zijn aaltjessoorten, zoals de vrijlevende wortelaaltjes, die de wortel alleen maar van de buitenkant aanprikken (ectoparasieten). Andere soorten maken een opening in de wortel en gaan naar binnen (endoparasieten). Sommige van deze soorten kunnen in alle levensfasen de wortels in en uit gaan en blijven mobiel (wortellesieaaltjes). Andere worden immobiel als ze eenmaal binnen zitten en zetten de hele fysiologie van de plant naar hun hand (cysteaaltjes, wortelknobbelaaltjes).
Een ander kenmerkend verschil tussen de groepen plantparasitaire aaltjes is hun overlevingsvorm. De minst gespecialiseerde aaltjes leggen eieren los in de grond, die uitkomen zodra er vocht is en de temperatuur hoog genoeg is. De meest gespecialiseerde soorten zijn de cysteaaltjes. Bij de cysteaaltjes blijven de eieren in de verharde huid van het afgestorven vrouwtje zitten. Van de meeste cysteaaltjessoorten komen de eieren pas uit, als ze worden gewekt door lokstoffen die waardplanten uitscheiden. Groeien er geen waardplanten, dan kunnen de eieren in de cyste tot 15 jaar overleven.
Naast de schade die de aaltjes zelf teweeg brengen, kunnen ze problemen met schimmels en virussen veroorzaken of versterken.

Op basis van hun levenswijze en de symptomen die ze veroorzaken worden plantparasitaire aaltjes ingedeeld in:



  • Cysteaaltjes

  • Wortelknobbelaaltjes

  • Wortellesieaaltjes

  • Vrijlevende wortelaaltjes

  • Stengelaaltjes

  • Bladaaltjes

Elke groep heeft zijn eigen sterke en zwakke punten waarop ze kunnen worden aangepakt.

Afbeelding 1: De stekel maakt een aaltje tot plantenparasiet (vergroting 1000x)



2.1. Cysteaaltjes


De namen van de cysteaaltjes zijn gerelateerd aan de hoofdgewassen waarbij ze schade veroorzaken; peencysteaaltje, erwtencysteaaltje, bietencysteaaltje, aardappelcysteaaltje. Ze zijn sterk gespecialiseerd op één of enkele gewassen.
Deze aaltjes komen op alle grondsoorten voor.
De cyste is het afgestorven vrouwtje waarvan de huid is verhard en is geheel gevuld met eieren. In de cyste liggen de 300 tot 600 eieren in rust, goed beschut tegen de elementen, tot er wortels van een waardplant langs groeien. Jaarlijks komt een klein deel van de eieren spontaan uit, ook wanneer er geen waardplant groeit. Dit zorgt ervoor dat de besmetting langzaam afneemt. De mate van afname is sterk afhankelijk van de soort.
Zodra lokstoffen uit de plant de cyste bereiken, komen de larven uit de eieren en gaan ze op zoek naar hun gastheer. De larve dringt de wortel binnen net achter het groeipunt. Door signaalstoffen van de larven reageert de plant met de vorming van voedingscellen rond de kop van de larve. De plant transporteert voedingsstoffen naar de larve.
Vervolgens vervelt de larve en deze is dan niet meer mobiel. De larve ontwikkelt zich nu tot mannetje of vrouwtje. Het geslacht wordt bepaald door de voedselsituatie. Bij voldoende voedsel ontstaan vrouwtjes. Op plaatsen waar voedseltekort is, ontstaan mannetjes. De mannetjes zijn mobiel en verlaten de wortels. Het vrouwtje zwelt op en barst met haar achterlijf uit de wortel waarna ze door één of meer mannetjes bevrucht wordt. De eieren worden binnen het lijf afgezet. Het vrouwtje sterft en de huid verlooit tot de cystenwand waarbinnen de eieren hun kans afwachten.
De meeste cysteaaltjessoorten hebben één levenscyclus per groeiseizoen maar sommige hebben er twee tot drie.

De schade ontstaat in eerste instantie doordat de larven het wortelstelsel beschadigen maar ook door hormonale verstoring van de plantengroei. Als de larven de wortels binnendringen wordt via verstoring van de hormoonhuishouding, de fotosynthese in de bladeren geremd.



Resistentie tegen cysteaaltjes is gebaseerd op verstoring van de voedingscel. In resistente rassen komt de voedingscel niet goed tot ontwikkeling. Het gevolg is dat er weinig voedsel voor het aaltje beschikbaar is, waardoor alleen mannetjes worden gevormd. Doordat er geen eieren komen, kan het aaltje zich niet vermeerderen. Larven dringen dus eerst het wortelstelsel binnen en pas dan treedt het resistentiemechanisme in werking. Resistentie staat daarom los van schadegevoeligheid (tolerantie) voor het aaltje.

Afbeelding 2: Het volwassen vrouwtje verhardt tot een cyste gevuld met eieren



Afbeelding 3: Doorgedrukte cysten waar de eieren uitgeperst zijn



2.2. Wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne soorten)


Wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne soorten) danken hun naam aan de reactie van de wortel op het binnendringen van een larve. Net als bij cysteaaltjes heeft het aaltje een groot effect op de fysiologie van het wortelstelsel. Er worden reuzencellen gevormd op de plaats van binnendringen en de wortels zwellen op deze plaats op tot knobbeltjes.
De levenscyclus van deze groep is vergelijkbaar met die van de cysteaaltjes, met dit verschil dat de eieren (300-500) door het vrouwtje buiten het lichaam worden afgezet in een gelatinepakket in en op de knobbeltjes. In een dergelijk pakket zitten de eieren wel enigszins beschermd, maar lang niet zo goed als in een cyste. Dat hoeft ook niet omdat de wortelknobbelaaltjes een zeer brede waardplantenreeks hebben, zodat de kans groot is dat er in het volgende seizoen weer een geschikte gastheer langs groeit. Lokstoffen spelen bij wortelknobbelaaltjes geen rol. De larven komen spontaan uit de eieren zodra bodemvocht en temperatuur boven het minimum uitkomen. De natuurlijke sterfte onder zwarte braak of een niet-waard is daarom bijzonder groot. De meeste soorten hebben meerdere generaties per groeiseizoen zodat ze zich op een waardplant ook weer snel kunnen vermeerderen.
De wortelknobbelaaltjessoorten komen vooral voor op de zand-, dal- en lichtere kleigronden.

Afbeelding 4: Wortelknobbelaaltjes danken hun naam aan de reactie van de wortels. Deze foto toont knobbels van Meloidogyne fallax op bieten.



2.3. Wortellesieaaltjes (Pratylenchus soorten)


Wortellesieaaltjes (Pratylenchus soorten) hebben brede waardplantenreeksen en komen vooral voor op zand-, dal- en lichte zavelgrond. Wortellesieaaltjes zijn hun hele leven mobiel. Ze dringen de wortel binnen en banen zich een weg door de wortel tot in het centrale deel. De cellen waar ze geweest zijn, sterven af en verkleuren bruin. Deze bruine vlekjes (lesies) zijn kenmerkend voor de Pratylenchus soorten. Bij zware besmettingen rot het wortelstelsel weg.
De vrouwtjes leggen 30 tot 40 eieren los in het wortelstel of in de grond. Er zijn twee tot drie generaties per jaar.
Pratylenchus-soorten versterken het effect van lakschurft (Rhizoctonia) en vroege verwelkingsziekte (Verticillium dahliae). Lang is gedacht dat dit komt doordat het aaltje toegangspoorten creëert voor de schimmel. Het blijkt echter dat het aaltje de fysiologie van de plant zodanig verandert dat ook niet beschadigde wortels vatbaarder worden voor deze schimmels.

Afbeelding 5: Pratylenchus penetrans is een endoparasiet die zich door de wortelcellen beweegt (vergroting 1000 x). Hier een Pratylenchus penetrans-larve die de volgende cel open prikt.



2.4. Vrijlevende wortelaaltjes


De term vrijlevend is gereserveerd voor die aaltjessoorten die zich uitsluitend buiten de plant ophouden en de wortels oppervlakkig aansteken. Deze soorten zijn te vinden in de geslachten Rotylenchus, Paratylenchus, Tylenchorhynchus, Trichodorus en Paratrichodorus. Economisch gezien zijn de Trichodoridesoorten het belangrijkste. Zij komen voor op zandgrond en lichte zavel en zijn relatief mobiel. Paratrichodorus teres is de snelste en komt voor op mariene zandgrond. Trichodorus primitivus is minder mobiel en houdt van lichte zavelgrond. De overige soorten komen in wisselende samenstelling algemeen voor in de dekzandgebieden van Nederland.
Alle Trichodorus en Paratrichodorus soorten zijn in staat het Tabaksratelvirus (TRV) en het Erwtenverbruiningsvirus (PEBV) over te dragen.
Trichodorideaaltjes houden van vochtige omstandigheden. Droogt de grond uit dan geven ze snel de geest. Een grondbewerking bij drogend weer kan daarom een flinke doding veroorzaken. Een koel en vochtig voorjaar daarentegen leidt tot de combinatie van traag groeiende kiemplanten met vitale mobiele Trichodoriden. Directe schade is het gevolg.
De vrijlevende wortelaaltjes hebben zeer veel waardplanten.

2.5. Stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci)


Stengelaaltjes verkeren het grootste deel van hun leven bovengronds. Niet alleen stengels, maar ook bloemknoppen en bladscheden zijn favoriete verblijfsplaatsen van deze soorten. Ze dringen het plantenweefsel binnen en lossen de verbindingen tussen de cellen op, zodat het weefsel opzwelt en vergroeiingen ontstaan. Ten gevolge van een aantasting kunnen zijknoppen onbedoeld uitlopen en treedt bij granen extreme uitstoeling op.
De levenscyclus is bij 15° C in drie weken rond. Het vrouwtje legt per generatie tot 500 eieren. De minimum temperatuur voor het leggen van eieren ligt tussen de 1 en 5° C. Deze eigenschappen zorgen ervoor dat zeer lage besmettingsniveaus vroeg in het groeiseizoen oplopen tot zware besmettingen en leiden tot problemen met de groei. Vooral bij vochtig weer verspreidt de besmetting zich vlot over het veld. Wanneer het droog wordt, kruipen larven van het vierde stadium bij elkaar en vormen een kluwen aaltjeswol. De buitenste dieren sterven en beschermen de soortgenoten in de kern. Op deze wijze kunnen de larven vele jaren overleven, zowel in de grond als op plantmateriaal en op zaad. De overleving is in zware grond langer dan op de zandgronden. In klei met afslibbaarheidspercentage hoger dan 30% kunnen de stengelaaltjes het meer dan 10 jaar zonder waardplant uithouden.
Er zijn inmiddels meer dan 20 verschillende rassen stengelaaltjes bekend met kleine verschillen in waardplantreeks. Uiterlijk zijn de rassen niet van elkaar te onderscheiden. De lange overleving en de moeilijkheden bij de identificatie van het ras maken een goede advisering op het gebied van vruchtwisseling onmogelijk.
Schoon uitgangsmateriaal door ontsmetting van zaaizaad en plantgoed is bij deze soorten cruciaal. Warmwaterbehandeling wordt in de bollen en vaste planten algemeen toegepast.
Stengelaaltjes kunnen in principe op alle grondsoorten voorkomen. Vanwege de lange overleving vormen ze op zware gronden vaker een probleem.




3. Verspreiding


Grondtransport betekent aaltjestransport! Met name rooiers zijn belangrijke transporteurs van aaltjesproblemen. Zeker wanneer, onder de tijdsdruk van de oogst, het schoonmaken van de machines sluitpost wordt, vindt er veel ‘veetransport’ plaats. Sorteergrond is een andere belangrijke bron. In gebieden waar stuiven voorkomt, is luchttransport ook een mogelijkheid.
Ondanks keuringseisen aan plant- en pootgoed is uitgangsmateriaal een risicofactor van belang. Niet alleen in geval van aanhangende grond maar ook doordat aaltjes in knol of wortelmateriaal kunnen zitten. Zo is in de IJsselmeerpolders aangetoond dat wortellesieaaltjes en Trichodoriden zijn binnengebracht met erfbeplanting. In minder dan 15 jaar na de inpoldering van ‘aaltjesvrije’ grond waren de aaltjesproblemen van het 'oude land' ook in de nieuwe polders een feit.




4. Aaltjesverwachtingen


De aaltjesproblemen van de jaren ‘50 en ‘60 zijn, met de opkomst van de natte grondontsmetting eind jaren zestig, grotendeels uit de aandacht van de landbouwpraktijk verdwenen. Grondontsmetting werd breed ingezet met name ter preventie en beheersing van aardappelmoeheid. Met het verminderen van de inzet van nematiciden is een aantal van de oude problemen terug van weggeweest. Op basis van de historische gegevens is te voorspellen welke problemen weer op zullen duiken.
Hoe zwaarder de grond des te minder aaltjessoorten voorkomen en een probleem vormen. Op lichte zavel en zeker op de zand- en dalgronden voelt een breed assortiment aaltjessoorten zich thuis en is de schade aan gewassen groter. In onderstaande tabel is een grove indeling van de verwachte problemen weergegeven:

Zware grond

Lichte grond

Aardappelcysteaaltje

cysteaaltjes

Bietencysteaaltje

Wortelknobbelaaltjes

Speldaaltje

Trichodoriden

Stengelaaltje

Wortellesieaaltjes




Speldaaltje




Xiphinema




Longidorus




Andere relevante informatie

Andere hoofdstukken van de handleiding:

Een Aaltjes Beheersings Strategie
Cysteaaltjes
Wortelknobbelaaltjes
Wortellesieaaltjes
Vrijlevende aaltjes

Stengelaaltjes
Een aaltjesbeheersstrategie in de praktijk
Aaltjesschema
Links









Copyright: ©2000 Wageningen, Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. Alle rechten voorbehouden. | disclaimer
: WebQuery -> file -> lom
lom -> Handleiding aaltjesmanagement in de akkerbouw Vrijlevende aaltjes
lom -> Onkruidbestrijding Teelthandleiding pootaardappelen Onkruidbestrijding
lom -> Bodem en grondbewerking Teelthandleiding pootaardappelen Poten en pootmachines
lom -> Bodem en grondbewerking Teelthandleiding pootaardappelen Rugopbouw
lom -> Veredeling en rassen Teelthandleiding pootaardappelen Rassen
lom -> Teelthandleiding pootaardappelen De morfologie (vorm en bouw) van de aardappelplant
lom -> Teelthandleiding pootaardappelen Hoe komt de knolopbrengst tot stand?
lom -> Handleidingen Teelthandleiding pootaardappelen Ziekten en plagen
lom -> Beheersing schimmel- en bacterieziekten Teelthandleiding consumptieaardappelen Ziekten en plagen
lom -> Teelthandleiding pootaardappelen Bedrijfshygiëne Praktijkonderzoek Plant & Omgeving bv




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina