Hoe meer kleur hoe beter, maar het moet wel passen



Dovnload 335.52 Kb.
Pagina1/6
Datum23.07.2016
Grootte335.52 Kb.
  1   2   3   4   5   6
Hoe meer kleur hoe beter, maar het moet wel passen.”

Een kwalitatief onderzoek naar de constructie van etnische diversiteit in Nederlandse fictieseries en de beoordeling hiervan door jongeren.

Doctoraalscriptie van René Aarden, 0108464

Begeleider: Dr. L. S. J. d’Haenens

Tweede lezer: Dr. M. R. M. Vergeer

Vakgroep communicatiewetenschappen

December 2006

Voorwoord


Met deze scriptie komt een einde aan mijn studie communicatiewetenschap. Een studie die, zo bleek, ontzettend breed is opgezet en die mij in het eerste jaar ook een enkele keer aan het twijfelen bracht over de juistheid van mijn keuze. Gelukkig waren er net op tijd een aantal vakken die wel inhielden wat ik me bij de studie had voorgesteld en die me behoed hebben voor een vroegtijdig einde van mijn wetenschappelijke opleiding. Rond dezelfde periode ben ik ook begonnen met vrijwilligerswerk in een multiculturele jongerenorganisatie. Dat dit mijn studievoortgang enigszins vertraagd heeft neem ik voor lief, want het heeft me uiteindelijk wel bij het onderwerp van deze scriptie gebracht. Wij hielden erg van discussiëren in deze club van multiculturele jongeren en meerdere malen gingen deze discussies ook over de manier waarop de media bepaalde problemen omtrent etnische diversiteit in beeld brengen. Aangezien ik beschouwd werd als de deskundige leek het me wel handig om me hierin dan ook maar echt te gaan verdiepen. Gelukkig was daar binnen de opleiding communicatiewetenschap ruimte voor. Zo kwam ik in het onderzoeksveld van “media en minderheden” terecht en kwam ik op het idee om hier mijn afstudeeronderwerp van te maken. De scriptie die u nu open heeft is het resultaat van deze interesse voor de relatie tussen media en minderheden.

Deze scriptie is natuurlijk niet zomaar tot stand gekomen en een aantal bedankjes voor de mensen die daar een positieve bijdrage aan hebben geleverd zijn hier dan ook wel op zijn plaats. Als eerste wil ik mijn begeleider, mevrouw d’Haenens, bedanken voor haar kritiek en haar aanwijzingen die mij iedere keer weer verder brachten in het lange proces van het doen van onderzoek. Ook al raakte ik weleens de weg kwijt in de woordenstroom die over me heen gestort werd tijdens onze afspraken, ik ging altijd weg met een beter beeld van wat me te doen stond. Vervolgens wil ik natuurlijk alle mediaprofessionals bedanken voor hun medewerking aan de interviews die het belangrijkste deel van deze scriptie vormen. Ook de jongeren die mee wilden doen met de groepsinterviews wil ik graag bedanken.

Op persoonlijk vlak wil ik mijn ouders bedanken, die me gedurende mijn studie op alle manieren gesteund hebben en vrijgelaten hebben om het op mijn eigen manier te doen. Ook wil ik Dirk bedanken voor het meehelpen met de selectie van jongeren. Tenslotte muchas gracias a Virginia voor het constante geloof in mijn kunnen en in de goede afloop van dit project.

Inhoudsopgave



Voorwoord 2

Inhoudsopgave 3

1. Aanleiding en probleemstelling 5

Inleiding 5

1.1 De multiculturele samenleving in Nederland 6

1.2 Televisie 7



1.2.1 Geschiedenis van televisie in Nederland 8

1.2.2 De Publieke Omroep in de toekomst 8

1.3 etnische diversiteit en televisie 10



1.3.1 aanbod 10

1.3.2 Gebruik 11

1.4 onderzoek naar etnische diversiteit en televisie 12



1.4.1 recent onderzoek 12

1.4.3 monitor diversiteit 13

1.4.2 internationaal 14

1.5 Probleemstelling 15

1.6 Opbouw van de studie 16

2. Theorie 17

Inleiding 17

2.1 Cultural studies 17

2.2 De productie van fictie 20



3.2.1 commerciële en publieke omroep 20

3.2.2 De makers van televisieprogramma’s zelf 24

3.2.3 Genrekenmerken 25

2.2.4 Medialogica 29

2.2.5 Onderzoeksvragen 30

2.3 Receptie van fictie 30



2.3.1 omgang van mensen met media 31

2.3.2 waardering 33

2.3.3 onderzoeksvragen 34

3. Methoden van onderzoek 36

Inleiding 36

3.1 Kwalitatief onderzoek 36

3.2 De gefundeerde theorie 37

3.3 Productie van fictie 38

3.2.1 Selectie en werving 39

3.2.2 De onderzochte series 39

3.2.3 Analyse 41

3.4 Receptie van fictie 42



3.3.1 Selectie en werving 43

3.3.2 Analyse 43

3.3.3 Betrouwbaarheid en geldigheid 43

4. Resultaten 45

Inleiding 45

4.1 Productie van fictie 45

4.1.1 Exploratie 45

4.1.2 Specificatie 49

4.1.3 Reductie en integratie 65

4.2 Omgang van jongeren met televisie 66



4.2.1 Exploratie en specificatie 66

4.2.2 Reductie en integratie 71

5. Conclusies en aanbevelingen 73

Inleiding 73

5.1 Achtergrond 73

5.2 Algemene conclusie 74

5.3 Conclusies: productie van fictie 75

5.4 Conclusies: receptie van fictie 79

5.5 Aanbevelingen 81

6. Discussie 83

Inleiding 83

6.1 Discussie van de theorie 83

6.2 Discussie van de methoden van onderzoek 84

6.3 Discussie van de resultaten 85

Referenties 87


1. Aanleiding en probleemstelling
Inleiding
Nederland kent een samenleving met grote groepen mensen die niet in Nederland zijn geboren, of waarvan één of meerdere ouders niet in Nederland zijn geboren. Dit maakt Nederland een multiculturele samenleving. De multiculturele samenleving in Nederland is de laatste tijd vaak onderwerp van discussie. Het thema multiculturaliteit staat hoog op de politieke agenda, zoals onder meer de partijprogramma’s van de laatste drie verkiezingen wel lieten zien. Ook de media hebben veel aandacht voor dit thema. Door veel mensen wordt de multiculturele samenleving met allerlei problemen in verband gebracht. Hoge werkloosheid onder allochtone jongeren, ouderen die de taal niet spreken en moslimjongeren die radicaliseren zijn hier enkele voorbeelden van. De verharding die op dit gebied is ontstaan sinds de opkomst van en de moord op Pim Fortuyn op 6 mei 2002 geven deze geluiden alleen maar meer ruimte. Voorstanders van een multiculturele samenleving vinden hierdoor ook steeds minder aanhang. Ongeacht de positie die men in het debat aanneemt, feit blijft dat er veel mensen met veel verschillende culturen hier in Nederland wonen en dat hier op alle terreinen van de samenleving rekening mee gehouden dient te worden. Een van die terreinen is het mediabeleid in Nederland. Aangezien er in Nederland meer dan drie miljoen mensen behoren tot de eerste of tweede generatie allochtonen en daarmee een vijfde deel van het potentiële publiek van de Nederlandstalige media bestaat uit eerste of tweede generatie allochtonen, kunnen ook de media niet om de multiculturele samenleving heen.
De multiculturele samenleving en de media vormen het aandachtsveld van dit onderzoek. Op welke manier tot dit aandachtsveld is gekomen wordt in dit hoofdstuk besproken. Eerst wordt gekeken naar de publieke discussie rondom de multiculturele samenleving, daarna zijn de media aan de beurt. Verder worden tegen een achtergrond van reeds uitgevoerd onderzoek op het terrein van media en etnische minderheden de probleemstelling en onderzoeksvraag van voorliggend onderzoek gepresenteerd.

1.1 De multiculturele samenleving in Nederland


Afgaande op cijfers van het centraal bureau voor de statistiek (CBS) wonen er in Nederland op dit moment meer dan anderhalf miljoen allochtonen van de eerste generatie en even zoveel allochtonen van de tweede generatie in Nederland. Samen zijn zij goed voor twintig procent van de Nederlandse bevolking (www.cbs.nl). Zoals te zien is in figuur 1 bestaat de grootste groep allochtonen uit Turken, gevolgd door Surinamers en Marokkanen. Wat opvalt is dat dit aantal alleen maar zal toenemen in de komende veertig jaar. Volgens prognoses van het CBS zullen er in 2050 bijna drieënneenhalf miljoen niet-westerse allochtonen en meer dan twee miljoen westerse allochtonen van de eerste en tweede generatie wonen in Nederland. Dit is tweederde van de bevolking, die dan volgens dezelfde prognoses uit ongeveer zeventien miljoen mensen zal bestaan. Hierbij valt op dat het aantal Marokkanen en Turken fors zal toenemen, terwijl het aantal Surinamers slechts mondjesmaat zal toenemen.
Tabel 1.1 bevolkingsopbouw Nederland (www.cbs.nl)

Herkomst

Absolute aantal

Autochtoon

13 182 809

Niet-westerse allochtoon

1 699 042

Westers allochtoon

1 423 675

Turkije

358 846

Suriname

329 430

Marokko

315 821

Nederlandse Antillen

130 538

Het beleid aangaande etnische minderheden zal bij zo’n groei steeds belangrijker worden. Castles en Miller (in d’Haenens et al., 2004) hebben een drietal modellen ontwikkeld die beschrijven op welke manier een land vorm kan geven aan zijn minderhedenbeleid. De eerste manier is het ‘exclusion model’. Hierin beschouwt het land zich niet als immigratieland en is het voor immigranten ook zeer moeilijk om volwaardig burgerschap te verkrijgen. In het tweede model, dat ‘republican’ of ‘inclusion model’ genoemd wordt, beschouwt het land zich wel als immigratieland. Burgerschap kan vrij snel verkregen worden op voorwaarde dat men zich aanpast aan de cultuur van het ontvangende land. Dit impliceert dat men de eigen cultuur als superieur ervaart. Frankrijk heeft al lange tijd een beleid dat op dit model gestoeld is. Het derde model is het ‘multicultural’ of ‘pluralistic model.’ Dit model wil ook graag de allochtonen in de eigen samenleving opnemen, maar biedt meer ruimte voor het behoud van de eigen culturele tradities en gewoonten van de allochtonen. Idee daarachter is dat deze verschillende culturen het land juist verrijken. Het beleid van de Nederlandse regering kenmerkt zich de laatste jaren door een steeds hardere opstelling aangaande migranten. Dit wordt nog versterkt door het rechtlijnige optreden en de spierballentaal van minister van Integratie en Vreemdelingenzaken Verdonk. De modellen volgend van Castles en Miller is Nederland terechtgekomen in het inclusiemodel. Aanpassing wordt op steeds verdergaande manier gevraagd van allochtonen (d’Haenens et al., 2004).


Naast het beleid laat ook de algehele trend in de samenleving verharding zien ten opzichte van allochtonen. Dit lijkt echter alleen te gelden voor niet-westerse allochtonen en dan vooral moslims, een groep die steeds vaker ten onrechte als etnische groep wordt gezien. Nadat Pim Fortuyn in zijn befaamde interview in de Volkskrant voor het eerst stelde dat de moslimcultuur achterlijk was en niet te matchen met de Nederlandse samenleving (De Volkskrant, 9 februari, 2002) is hier constant discussie over geweest. Dit heeft zijn weerslag gehad op zowel autochtonen als allochtonen. De kloof tussen de twee groepen lijkt groter geworden. Zeker sinds de aanslagen in New York, Madrid en London en de moord op Theo van Gogh heeft het land de grootste moeite met het tevreden houden van alle diverse groepen in de samenleving, of, zoals Job Cohen, burgemeester van Amsterdam het stelt, “de boel bij elkaar te houden”(De Volkskrant, 8 juni 2006), Allochtonen lijken zich weer verder terug te trekken in de eigen kring, met als uiterste voorbeeld hiervan de radicalisering van sommige allochtone jongeren. Autochtonen op hun beurt lijken steeds minder ruimte te geven aan allochtonen om hun eigen cultuur uit te dragen. Multiculturalisme lijkt weer een vies woord geworden te zijn en interesse in de ander heeft bij veel mensen weer plaatsgemaakt voor angst.
1.2 Televisie

Televisie neemt, ondanks de opkomst van het nieuwere medium internet, nog steeds een belangrijke plaats in de vrijetijdsbesteding van mensen in. Volgens cijfers van het CBS kijkt 33 procent van de Nederlanders meer dan twintig uur per week televisie en kijkt 38 procent tien tot negentien uur per week televisie (www.cbs.nl). Sinds de eerste uitzending in oktober 1951 (Bakker & Scholten, 1999) heeft bijna iedereen de mogelijkheid om televisieprogramma’s te ontvangen. Hieronder wordt een korte geschiedenis van het medium televisie in Nederland geschetst. Speciale aandacht is er hierbij voor de functie van de Publieke Omroep in het huidige duale bestel in Nederland. Hierna wordt er uitvoerig stilgestaan bij de gevolgen van de multiculturele samenleving voor het medium televisie. Beide thema’s worden zowel van de aanbodzijde als van de gebruikerszijde belicht.


1.2.1 Geschiedenis van televisie in Nederland

De televisie bestaat sinds de eerste uitzending in 1951 tot aan het einde van de jaren ’80 slechts uit publieke zenders. De bestaande radio- omroepen (AVRO, KRO, NCRV, VARA en VPRO), voortgekomen uit de verzuilde Nederlandse samenleving, verzorgen op deze netten de uitzendingen. Wanneer in 1969 de Omroepwet van kracht wordt (Overdijk-Francis, 2005) wordt dit vijftal omroepen aangevuld met de TROS en de EO. Vanaf de eerste jaren dat televisie-uitzendingen voorkomen in Nederland staan er mensen klaar om op commerciële basis uitzendingen te verzorgen. Dit wordt echter tegengehouden door de Nederlandse regering, die het bestel geruime tijd gesloten houdt voor commerciële omroepen. Dit verandert in 1988 met de Mediawet, de opvolger van de Omroepwet. In deze Mediawet wordt er voor het eerst voorzichtig plaats gemaakt voor commerciële omroepen, doordat uitzenden via de ether mogelijk gemaakt wordt voor commerciële omroepen en publieke omroepen uit het publieke bestel mogen stappen om als commerciële omroep verder te gaan. Na een wijziging in de Mediawet ligt de weg voor commerciële omroepen helemaal open. Hierop start RTL 4 in 1989 met uitzenden in Nederland. In de jaren ’90 komen er steeds meer Nederlandse commerciële zenders bij en verdeelt het publiek zich over al deze zenders. Op dit moment heeft de publieke omroep in Nederland drie zenders. Verder zijn er inmiddels tien commerciële omroepen. Holland Media Group (HMG) heeft RTL 4, RTL5 en RTL 7, SBS broadcasting bezit SBS6, NET 5 en Veronica en MTV networks zendt uit met MTV, TMF en the Box. Nieuw is Talpa, de zender van John de Mol, die sinds september 2005 te zien is.


1.2.2 De Publieke Omroep in de toekomst

De commerciële omroepen hebben met hun uitzendingen veel kijkers weggetrokken bij de Publieke Omroep. Waar de Publieke Omroep eind jaren ’80 nog een marktaandeel had van 81 procent is dat tien jaar later gedaald tot 40 procent (Bakker & Scholten, 1999). Dit zet de financiering van de Publieke Omroep onder druk. Niet alleen wordt het voor adverteerder ongunstiger om reclames uit te zenden op de Publieke Omroep, ook de overheidssteun voor de Publieke Omroep wordt onderwerp van discussie wanneer niemand naar deze Publieke Omroep kijkt. Bovendien heeft de Publieke Omroep een publieke functie. Dit wil zeggen: “het waarborgen van een pluriform, kwalitatief hoogwaardig en onafhankelijk aanbod dat voor iedereen toegankelijk is en waarin bijzondere aandacht is voor onafhankelijke nieuwsvoorziening, educatie, democratie en debat, cultuur en innovatie (WRR, 2005).” Commerciële omroepen beweren echter dat zij inmiddels ook in (een deel van) deze behoefte voorzien. Kortom het gehele publieke bestel is onderwerp van discussie. De Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft hier onderzoek naar gedaan en heeft in 2005 het rapport “focus op functies” uitgebracht (WRR, 2005). De raad meent dat het technisch snel ontwikkelde en sterk vercommercialiseerde medialandschap in Nederland niet langer opgevat dient te worden als een verzameling van verschillende typen media. In plaats daarvan ziet de raad het medialandschap als een bundeling van een zestal maatschappelijke functies die vervuld worden. Deze functies zijn: nieuwsvoorziening, opinievorming & achtergrond, vermaak, kunst & cultuur, specifieke informatievoorziening en reclame & voorlichting (WRR, 2005). Deze functiegerichte benadering moet volgens de raad uitgangspunt zijn van het beleid dat men heeft over dit medialandschap. Het bestel dat de raad voor ogen heeft in de komende jaren is dan ook een gecombineerd open en besloten bestel, waarin de hoofdfunctie (volgens de raad) nieuwsvoorziening een taak blijft voor de Publieke Omroep, gefinancierd door het publiek. De functie opinievorming & achtergrond wordt verzorgd en gefinancierd door toegelaten organisaties, zoals bijvoorbeeld de huidige omroeporganisaties. Voor de andere functies wordt op de Publieke Omroep een tender vastgesteld waar aan voldaan moet worden. Deze kunnen dan uitgevoerd worden door allerlei soorten van organisaties. Voordeel van dit stelsel is volgens de raad een bestel dat open is, maar wat niet persé vermaak als taak geeft aan de Publieke Omroep en dat de Nederlandse traditie om maatschappelijke stromingen een eigen rol in het omroepbestel te geven handhaaft (WRR, 2005). Onderzoeksorganisatie TNO heeft dit rapport kritisch geanalyseerd en komt tot de conclusie dat het focussen op functies geen goede manier is om mediabeleid mee te bepalen (Rutten, Leurdijk & Frissen, 2005). Volgens TNO heeft de Publieke Omroep op dit moment geen behoefte aan een overheid die zich bemoeit met de inhoud van programma’s en functies van de Publieke Omroep. Deze wordt daardoor teveel gebonden en beperkt in haar mogelijkheden. TNO benoemt op dit punt bijvoorbeeld de onderschatting van vermaak als publieke functie in het rapport van de raad, en de vaagheid van de conceptualisatie van het begrip functie. Volgens TNO moet de Publieke Omroep juist een brede opdracht meekrijgen, die op waarden geïnspireerd is en die verantwoord moet worden op grond van de inhoudelijke invulling en de doelstellingen van de Publieke Omroep (Rutten, Leurdijk & Frissen, 2005). Hierin krijgen ze bijval van Bardoel en d’Haenens (2006) die in hun analyse van de Publieke Omroep in Europa stellen dat een publieke omroep alleen zijn publieke functie kan vervullen als hij genoeg publiek heeft. De invulling van de programma’s van de publieke omroepen dient daarom niet te smal te zijn. Het wachten is nu op de plannen voor de Publieke Omroep van het nog te vormen nieuwe kabinet. De Publieke Omroep zelf heeft inmiddels de drie netten opnieuw ingedeeld, om op die manier iedere zender een herkenbaar profiel te geven.
1.3 etnische diversiteit en televisie
Omdat het televisielandschap in Nederland te maken heeft met een hevige concurrentie tussen commerciële en publieke omroepen en als medium in het geheel steeds vaker geconfronteerd wordt met concurrentie van nieuwe media, is het belangrijk voor alle omroepen, zowel commercieel als publiek, een groot publiek aan te spreken. In het licht van een steeds multicultureler wordende samenleving is het daarom van belang dat omroepen zoveel mogelijk groepen in de samenleving aan zich weten te binden.
1.3.1 aanbod

De Publieke Omroep in Nederland kent een specifiek minderhedenbeleid. Dit is echter niet altijd zo geweest. Pas in 1983 is er voor de eerste keer aandacht voor media en minderheden. Dit beleid is ingegeven door het streven van de regering naar gelijkwaardige deelname en ontplooiingskansen voor iedereen in de samenleving (Overdijk–Francis, 2005). Hierdoor komen er speciale programma’s voor migranten op radio en televisie. Eind jaren ’80 verdwijnen deze weer aangezien de NOS vindt dat allochtonen prima bediend worden met programma’s uit het herkomstland via de satelliet. Eind jaren ’90 wordt er binnen het algehele integratiebeleid ook een paragraaf gewijd aan media en minderheden. Sleutelwoorden zijn ontmoeting en confrontatie. Dit met het oog op de vele allochtonen van de tweede en derde generatie. De gedachte is dat dit interculturele beleid de mensen kan binden aan de Nederlandse media. Het kijken naar programma’s via de satelliet is volgens de overheid ongewenst, aangezien dit de integratie volgens hen niet bevordert. Aansluitend hierop worden in het begin van de eenentwintigste eeuw meerdere initiatieven ontplooid met steun van de overheid die op media en minderheden gericht zijn. Voorbeelden hiervan zijn Perslink, die de zichtbaarheid van allochtonen in de Nederlandse media wil vergroten en Mira Media, die zich inzet voor evenredige deelname van allochtonen in de mediawereld.Tegenwoordig is in de Mediawet vastgelegd dat de publieke omroep onderscheidende programma’s moet maken die kwalitatief hoogstaand zijn. Bovendien moeten de programma’s een afspiegeling zijn van de Nederlandse samenleving (Overdijk–Francis, 2005).Deze taak kan op twee manieren worden opgevat. Ten eerste kunnen er programma’s worden gemaakt die het thema multiculturele samenleving dragen. Zo heeft de NPS de populaire kinderserie ‘Dunya en Desie’ gemaakt, wat gaat over de vriendschap tussen een Nederlands meisje en een meisje van Marokkaanse afkomst. Inmiddels wordt hier ook een film van gemaakt. Van de AVRO komt ‘Najib en Julia’, een dramaserie over de liefde tussen een Nederlands meisje van goede komaf en een Marokkaanse jongen. Ook ‘Raymann is Laat’ van de NPS zou tot deze categorie gerekend kunnen worden. Aan de andere kant kan de Publieke Omroep al haar programma’s voor een zo divers mogelijk publiek maken door zo veel mogelijk verschillende bevolkingsgroepen een gezicht te geven in haar programma’s.

De commerciële omroepen zijn noch gebonden aan deze programmavoorschriften van de overheid, noch hebben ze zelf een multicultureel beleid. Wel hebben ze, misschien nog wel meer dan de Publieke Omroep, de intentie om een groot publiek aan te spreken. Het mag dan ook verwacht worden dat in de programma’s terug te zien is dat deze bedoeld zijn voor zoveel mogelijk verschillende mensen. Mensen met een andere etnische achtergrond zouden zich op deze manier terug moeten kunnen zien in de programma’s. Toch hebben alleen Talpa en the Box een programma waarin dit duidelijk naar voren komt. The Box zendt het programma ‘Moccah’ uit, een vijftien minuten durend magazine over de ‘urban lifestyle’ van dit moment. Talpa is onlangs gestart met de politieserie ‘Van Speijk’, die zich afspeelt in de Baarsjes, een multiculturele wijk in Amsterdam.
1.3.2 Gebruik

Zoals al eerder bleek is het de intentie van de overheid om allochtonen te betrekken bij de Nederlandse media, om zo de integratie te bevorderen. Dit is nodig aangezien allochtonen zich nog weinig herkennen in Nederlandse media. Bovendien bekritiseren ze de eenzijdige negatieve beeldvorming. (d’Haenens et al., 2004). Volgens Brants, Crone & Leurdijk (1998, in d’Haenens et al., 2004) heeft er een verschuiving plaatsgevonden onder allochtonen in Nederland wat betreft hun informatiebehoefte. Waar men eerst vooral geïnteresseerd is in informatie over het leven in Nederland, komt daar later informatie en amusement uit het herkomstland bij. Tegenwoordig is er een tweesporige behoefte te zien bij allochtonen. Aan de ene kant wil men informatie die het leven hier vergemakkelijkt, aan de andere kant wil men op de hoogte blijven van zaken uit het land van herkomst. Onderzoek naar het mediagebruik van allochtone jongeren (d’Haenens et al., 2004) laat zien dat allochtone jongeren het grootste deel van hun kijktijd besteden aan het kijken naar programma’s van Nederlandse zenders. Wel zijn er verschillende typen mediaconsumenten onder allochtone jongeren te vinden. D’Haenens et al. (2004) onderscheiden drie categorieën: de “homelanders”, met vooral aandacht voor media uit het herkomstland, de “adapters”, met vooral aandacht voor Nederlandse media, en de “omnivoren”, die er tussenin zitten.



: media -> files
files -> Stepping Stones 1 vmbo kgt Stonesvertalingen Vierde editie Noordhoff Uitgevers, Groningen auteurs eindredactie
files -> Stepping Stones 2 vmbo b/lwoo Stonesvertalingen Vierde editie Noordhoff Uitgevers, Groningen auteurs eindredactie
files -> Stepping Stones 4 vmbo k Stonesvertalingen Vierde editie Noordhoff Uitgevers, Groningen Auteurs Eindredactie
files -> AI0121, Gerechtshof 's-Gravenhage, bk-02/01565
files -> Persbericht cirk! 2014 Editie om van te snoepen Op vrijdag 22, zaterdag 23 en zondag 24 augustus palmen de artiesten van Cirk! opnieuw de binnenstad in. Tijdens deze zesde editie feest Rechteroever voor het eerst mee
files -> Collectieve Arbeidsovereenkomst sca hygiene products hoogezand b. V
files -> Mba in één dag Het boek Het nieuwe boek van Ben Tiggelaar
files -> Stepping Stones 2 vmbo kgt Stonesvertalingen Vierde editie Noordhoff Uitgevers, Groningen auteurs eindredactie
files -> Stepping Stones 2 vmbo bk Stonesvertalingen Vierde editie Noordhoff Uitgevers, Groningen auteurs eindredactie
files -> Stepping Stones 3 vmbo b Stonesvertalingen Vierde editie Noordhoff Uitgevers, Groningen auteurs eindredactie


  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina