Hoofdstuk De economie



Dovnload 235.01 Kb.
Pagina1/6
Datum26.08.2016
Grootte235.01 Kb.
  1   2   3   4   5   6
Hoofdstuk 2. De economie

Piet van Cruyningen

De zeventiende eeuw staat bekend als Nederland’s Gouden Eeuw, zeker ook in economische zin. Ook Zeeland had deel aan deze economische bloeiperiode, die al in de zestiende eeuw inzette. Veelal wordt echter aangenomen dat in dit gewest na een korte, felle bloeitijd al aan het begin van de zeventiende eeuw een lange periode van neergang begon. Illustratief zijn de verlagingen van het aandeel van Zeeland in het budget van de Republiek in 1612 en 1616. Hierbij werd de bijdrage van het gewest in de kosten van de generaliteit met veertig procent teruggebracht vanwege de achteruitgang van de Zeeuwse economie.1 Het peil van de late zestiende eeuw heeft de Zeeuwse economie in de twee opvolgende eeuwen nooit meer weten te bereiken.

Men mag echter niet vergeten dat het laatste kwart van de zestiende eeuw een heel uitzonderlijke periode was in de economische geschiedenis van Zeeland. In de geschiedschrijving bestaat de neiging als wat volgde af te zetten tegen de schittering van die korte bloeiperiode en dan lijkt alles wat volgde dof en grauw. Wanneer de ontwikkeling in de zeventiende eeuw los daarvan bekeken wordt, dan kan eerder gesproken worden van een succesverhaal. Er ontstaat dan een nieuw beeld van een klein gewest met een beperkt economisch potentieel, dat door de scheiding van de Nederlanden aan het eind van de zestiende eeuw zijn belangrijkste troef – de functie van voorhaven van Antwerpen – had verloren, maar zich economisch verrassend goed wist te handhaven. Dat gebeurde door investeringen in de landbouw – ook in Staats-Vlaanderen – in handelscompagnieën als de Oost- en West-Indische Compagnie en door het succesvol zoeken naar niches waar de Zeeuwen zich konden nestelen zonder concurrentie van het machtige Holland.

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van de Zeeuwse economie van 1550 tot 1700 bekeken per economische sector: landbouw en visserij, nijverheid en handel en scheepvaart. Die ontwikkeling is echter moeilijk te begrijpen zonder kennis van de economische conjunctuur en van de verschuiving van het zwaartepunt van de Europese economie die zich in de tweede helft van de zestiende eeuw voltrok. De economische ontwikkeling van Zeeland was immers afhankelijk van de golfbeweging van de Europese economie en van de lotgevallen van aangrenzende gebieden waar de Zeeuwen economische betrekkingen mee onderhielden. Derhalve begint dit hoofdstuk met een kort overzicht van de economische geschiedenis van de Lage Landen in deze anderhalve eeuw.

De economie van de Nederlanden, 1550-1700

Omstreeks 1550 was Antwerpen nog het belangrijkste handelscentrum van de Lage Landen en zelfs van Europa als geheel. De Scheldestad vormde de spil in de handel in Engels laken, door de Portugezen vanuit de Oost ingevoerde specerijen en door Zuid-Duitsers ingevoerde (edel)metalen. Later kwam daar ook nog uit Amerika ingevoerd zilver bij. Door de invoer van edelmetalen en hoogontwikkelde financiële technieken was Antwerpen ook het belangrijkste centrum van het internationale betalingsverkeer van die tijd. Maar toch waren er tekenen dat de stad over zijn hoogtepunt heen was, zoals het teruglopen van de landhandel met Italië. Een conjuncturele crisis die inzette in 1565 luidde het einde in van de Antwerpse hegemonie. Oorlogen in het Oostzeegebied maakten de toegang tot dat gebied voor schepen uit de Nederlanden onzeker, wederzijdse handelsembargo’s tussen Engeland en de Lage Landen hinderden de belangrijke handel in textiel en de uitgebroken opstand in de Nederlanden leidde ertoe dat de vaart op Spanje gevaarlijk werd. Natuurlijk leden ook de noordelijke Nederlanden hieronder, en zeker de Amsterdammers, voor wie de vaart op de Oostzee de ‘moedernegotie’ was. Toch werd Antwerpen het zwaarst getroffen. De positie van Antwerpen rustte op de commerciële en financiële belangen van het Habsburgse rijk. Toen dat in economische problemen raakte en bovendien politiek verscheurd werd door de Nederlandse Opstand, luidde dat het einde in van de Antwerpse hegemonie.2 Het lot van de stad werd bezegeld door de overgave aan de Spanjaarden in 1585. De opstandelingen hadden de oevers van de Westerschelde in handen en blokkeerden de rivier. Dat betekende overigens niet dat de handel op Antwerpen ophield: het hield vooral in dat de Republiek een hoge belasting hief op ladingen met bestemming Antwerpen.

Het leek aanvankelijk verre van vanzelfsprekend dat Amsterdam de rol van Antwerpen zou overnemen. De voor Holland en Amsterdam zo belangrijke handel en scheepvaart werden zwaar getroffen door de in 1565 ingezette crisis. De scheepvaart op het Oostzeegebied werd van 1568 op 1569 bijna gehalveerd en bleef daarna jarenlang onder het vroegere niveau. De oorlog met Spanje leidde ook tot problemen doordat de vaart op dat land gevaarlijk was en Noord-Nederlandse schepen soms ook niet tot Spaanse havens werden toegelaten. Vanaf 1580 gold dat embargo ook voor het door Spanje bezette Portugal. Bovendien kwamen de opstandige gewesten in de jaren 1580 steeds meer in het nauw door Parma’s militaire successen.3 Gedurende een korte tijd leek het erop dat Middelburg een grote rol zou gaan spelen, maar aan die bloeiperiode van de Zeeuwse hoofdstad kwam al vóór 1600 een eind.

De militaire druk verminderde door de ondergang van de Spaanse Armada (1588) en de inmenging van Philips II in de Franse godsdienstoorlogen, waardoor het offensief van Parma in de Nederlanden rond 1590 tot stilstand kwam. Bovendien begon ook het economische tij te keren. De Hollandse textielnijverheid, vooral die in Leiden en Haarlem, begon spectaculair te groeien door de toevloed van duizenden textielarbeiders die uit Vlaanderen en Brabant waren gevlucht. De textielexport zou een belangrijke factor blijken voor de economische expansie van de Republiek, ook in de zeventiende eeuw. Verder bleven Hollandse schippers oppermachtig in de vaart op het Oostzeegebied. Dat dwong Philips II in 1590 zijn embargo op Nederlandse schepen op te heffen omdat hij de Nederlanders nodig had voor de bevoorrading van Spanje met graan en scheepsbenodigdheden als hout en teer uit het Balticum. Eén van de meest opvallende aspecten van de strijd tussen de Republiek en Spanje was dat beide partijen elkaar nodig hadden. De Spanjaarden moesten door de Nederlanders bevoorraad worden en de Nederlanders hadden de inkomsten uit de handel op de vijand nodig om de oorlog te kunnen financieren.4

Haringvangst, textielindustrie en de handel in graan, wijn, hout en zout vormden de basis van een handelssysteem dat zich uitstrekte van het Balticum tot het Iberisch schiereiland. De Nederlandse kustgewesten vormden zo een scharnier tussen ver uiteengelegen delen van Europa. Amsterdam werd de stapelmarkt waarop producten van het hele continent uitgewisseld werden. Dit handelssysteem bouwde men steeds verder uit. Vanaf 1590 werd er het Middellandse Zee gebied aan toegevoegd, toen kooplieden uit Amsterdam en Hoorn daar graan naar uitvoerden wegens voedselschaarste in Italië. Eind zestiende eeuw begonnen Nederlandse schepen ook naar de kusten van West-Afrika en Midden-Amerika te varen. Naar dat laatste gebied werden ze vooral gelokt door de Venezolaanse zoutpannen en de Portugese suikerplantages.5

In 1595 zeilde voor het eerst een Nederlandse vloot onder commando van Cornelis de Houtman om de Kaap de Goede Hoop naar Azië. Hollandse en Zeeuwse kooplieden wilden zelf gaan handelen in peper en specerijen die tot dan toe in Europa werden aangevoerd door de Portugezen. Het Portugese koloniale systeem functioneerde echter niet efficiënt, waardoor de prijs van peper in Europa zeer hoog was. Na 1595 rustten verschillende compagnieën van kooplieden schepen uit voor de vaart op de Oost. Het Portugese koloniale rijk daar bleek zwak te zijn en als de Hollandse en Zeeuwse kooplieden de handen ineen zouden slaan, zouden zij de macht daar kunnen overnemen en Engelse concurrentie het hoofd kunnen bieden. Derhalve werd met actieve steun van raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1602 de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) opgericht, die het monopolie kreeg op de handel op het hele gebied ten oosten van de Kaap de Goede Hoop.6 Na een moeizame start zou de VOC een zeer winstgevend bedrijf blijken. Naar het voorbeeld van de VOC werd in 1621 voor de handel op Afrika en Amerika de Verenigde West Indische Compagnie (WIC) opgericht. Die richtte zich niet alleen op de handel, maar ook op het stichten van vestigingskoloniën in Noord- en Zuid-Amerika, zoals Nieuw-Amsterdam (het huidige New York) en een kolonie in het noordoosten van Brazilië. De WIC was aanzienlijk minder succesvol dan de VOC, maar het resultaat van de oprichting van beide compagnieën was wel dat de Nederlandse handel vrijwel de hele wereldbol bestreek.

De expansie van handel en nijverheid in de zeegewesten van de Republiek leidde ook tot sterke bevolkingsgroei, vooral in de steden. Het sterkst was de groei van Holland, waar de bevolking toenam van 275.000 in 1514 tot 672.000 in 1622. Het deel daarvan dat in steden woonde, groeide van 44 procent rond 1525 tot 61 procent anderhalve eeuw later. De industriesteden Leiden, Haarlem en Delft groeiden zeer sterk, maar de grootste groeier was toch Amsterdam, de centrale stapelmarkt. Deze stad zag het inwonertal toenemen tot 220.000 rond 1680, waarmee het destijds één van de grootste steden van Europa was.7 Die toenemende bevolking leidde ook weer tot toenemende welvaart doordat de vraag naar allerlei goederen en diensten groter werd. Ook het platteland profiteerde daarvan.

Het economische succes van de Republiek was niet alleen gebaseerd op handel, scheepvaart en nijverheid. Ook de agrarische sector was niet te verwaarlozen. In grote delen van Holland en Utrecht bleek akkerbouw vanaf de late Middeleeuwen niet langer mogelijk. Door het oxideren en inklinken van het veen daalde het bodempeil en werd de grond te drassig om er graan op te kunnen telen. Het daardoor ontstane tekort werd gecompenseerd door de invoer van vooral rogge uit het Baltische gebied. Het graantekort in de eigen regio betekende dus een stimulans voor de graanhandel op het Oostzeegebied. Maar de import van Baltisch graan betekende niet dat de rol van de Hollandse landbouw uitgespeeld was. Boeren in de laaggelegen veengebieden specialiseerden zich in melkveehouderij en leverden zuivelproducten aan de bevolking van de sterk expanderende steden. Ook boeren die verder weg woonden, profiteerden van de stedelijke markt in het westen van het land. Vanuit de kustgebieden van Friesland, Groningen en Zeeland en vanuit het rivierengebied werden graan en vee naar Holland uitgevoerd. Zelfs in het afgelegen Drenthe hielden boeren ossen die bestemd waren voor de Hollandse markt. Vooral in de kuststreken stimuleerde de Hollandse markt de opkomst van een hoog productieve, gespecialiseerde landbouw.8


Tot het na midden van de zeventiende eeuw is de economische geschiedenis van de kustgewesten van de Republiek een succesverhaal. Rond 1660 echter kwam een eind aan een lange periode van economische groei en begon de Europese economie te krimpen. De inzettende daling van de prijzen had natuurlijk ook gevolgen voor de economische grootmacht van die tijd, de Republiek der Verenigde Nederlanden. Veel regeringen hingen destijds de theorie van het mercantilisme aan, die inhield dat de rijkdom van een land bepaald wordt door de hoeveelheid edelmetaal die het bezit. Die hoeveelheid kan vergroot worden door het drijven van handel, maar handel en scheepvaart in Europa waren rond het midden van de zeventiende eeuw voor een onevenredig groot deel in handen van de Nederlanders.

Toen in de tweede helft van de zeventiende eeuw het economische tij keerde, werd dat Nederlandse overwicht steeds meer een doorn in het oog van vooral de Franse en Engelse regeringen. Frankrijk voerde in 1659 hoge invoerrechten in en verhoogde die nog eens in 1667, waardoor invoer vanuit de Republiek vrijwel onmogelijk werd. Ernstiger nog voor de Republiek waren de vanaf 1651 in Engeland ingevoerde Navigation Acts, die bepaalden dat goederen voortaan alleen nog in Engeland mochten worden ingevoerd door Engelse schepen of vaartuigen uit het land van herkomst. Waren die wetten effectief geweest, dan hadden ze de handel tussen de Republiek en Engeland beperkt tot uitsluitend goederen uit die twee staten zelf en daarmee de stapelmarkt een zware slag toegebracht. Gelukkig voor Amsterdam werden de wetten op grote schaal ontdoken zodat de handel voortgang kon vinden.9

Grote problemen kreeg de Republiek wel. In 1652-1654 en 1665-1667 werden twee zeeoorlogen gevoerd tegen Engeland om de handelsbelangen te verdedigen. In 1672 vielen Frankrijk en Engeland, gesteund door twee Duitse bisschoppen, de Republiek aan om haar definitief op de knieën te dwingen. Uit al die oorlogen kwam het land redelijk ongeschonden te voorschijn. Het bleef een economische grootmacht, maar de oorlogen hadden wel nadelige gevolgen voor de economie: de handel lag stil, schepen gingen verloren, belastingen moesten worden verhoogd en de staatsschuld liep op. Bovendien bleek het nauwelijks mogelijk om de protectionistische maatregelen van andere landen te verzachten. De tijd van economische expansie van de Republiek was voorbij. Na 1670 volgde een periode waarin neergang en herstel elkaar afwisselden.10 Terwijl in Europa de goederenprijzen na 1660 daalden, bleven de nominale lonen in de Republiek op hetzelfde, voor die tijd hoge, peil. Dit betekende dat de internationale concurrentiepositie van de Republiek verslechterde door de hoge loonkosten. De belangrijke textielnijverheid raakte in een crisis en ook de landbouw kreeg het moeilijk. De productie van allerlei goederen daalde in Nederland in het laatste kwart van de zeventiende eeuw.11

Nederland toonde in deze periode nog wel vitaliteit. Er werden verschillende initiatieven genomen om het tij te keren. Textielfabrikanten bijvoorbeeld verplaatsten de productie deels naar Brabant en Twente omdat de lonen daar lager waren. Maar er waren ook minder defensieve reacties. Na 1660 werd bijvoorbeeld meer geïnvesteerd in de walvisvangst. Verder werd de WIC, die failliet was gegaan, in 1674 opnieuw opgericht. Op Caribische eilanden en in het huidige Suriname en Guyana werden suikerrietplantages gesticht waaraan de WIC Afrikaanse slaven leverde. De VOC reageerde op de dreigende neergang door haar militaire positie in Azië te versterken en door een breder assortiment aan producten op de Europese markt te brengen. Al die initiatieven vergden het nodige kapitaal en kooplieden en andere investeerders bleken bereid en in staat dat op te brengen. De Republiek was eind zeventiende eeuw nog geen land van renteniers.12


Begon voor de Republiek in het laatste kwart van de zestiende eeuw een tijd van ongekende expansie, voor de Zuidelijke Nederlanden waren die jaren in economisch opzicht een dieptepunt. Rond 1600 lagen grote delen van Vlaanderen en Brabant er troosteloos bij: ze waren verwoest en ontvolkt door de oorlog. Antwerpen en de havensteden langs de Vlaamse kust werden geblokkeerd door de Nederlanders die schepen alleen doorlieten na betaling van een hoge heffing. Herstel volgde hier pas vanaf het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Boeren keerden terug naar hun boerderijen en de agrarische productie kwam weer op gang. Ook de plattelandsnijverheid – vooral het spinnen en weven van linnen – herstelde zich. Meer dan herstel van de tijdens de oorlog geleden schade was het echter niet. Verdere groei bleef uit, zeker toen ook de Zuidelijke Nederlanden in de tweede helft van de zeventiende eeuw te lijden kregen van de verslechterende economische conjunctuur. Bovendien deed zich in Vlaanderen en Brabant desurbanisatie voor. Het inwonertal van de steden verminderde vanaf de zestiende eeuw zowel absoluut als relatief. Voor de landbouw hield dat in dat er minder kon worden afgezet op de stedelijke markt.13

Antwerpen bleef in de eerste helft van de zeventiende eeuw nog een niet te verwaarlozen rol in de internationale handel spelen. Als gevolg van de blokkade van de Schelde moesten schepen met bestemming Antwerpen hun lading lossen in een Nederlandse haven, meestal Middelburg, en licent betalen. Met lichters werd de lading dan verder vervoerd. Daarna moest de lading dan nog eens worden overgeladen in Lillo. Ondanks de hogere kosten bleef een levendige handel op Antwerpen bestaan. Wel probeerden de Antwerpenaars goedkopere routes te vinden via de havens aan de Vlaamse kust, zoals Oostende en Duinkerke. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werden echter ook die geblokkeerd. Na 1648 was de toegang tot die havens weer vrij, maar Duinkerke ging voor de Zuid-Nederlanders verloren na de annexatie van de stad door Frankrijk in 1661. De havens aan de Vlaamse kust hadden wel slechte verbindingen met het achterland, die tot hoge transportkosten leidden. Daarom lieten de aartshertogen Albrecht en Isabella een kanalennetwerk aanleggen om de verbinding met de grote steden in het binnenland, Gent, Brugge en Antwerpen, te verbeteren. In 1623 werd een kanaal tussen Brugge en Oostende geopend, een jaar later gevolgd door een kanaal dat Brugge verbond met Gent. Via de Schelde kon dan Antwerpen bereikt worden. In 1641 werd nog een vaart aangelegd tussen Duinkerke, Nieuwpoort en Brugge. Mede door de kanalenaanleg kon Oostende zich ontwikkelen tot de belangrijkste havenstad van de Zuidelijke Nederlanden, met uitstekende handelscontacten met de Britse eilanden. Toch bleef ook de vaart over de Schelde in stand omdat Antwerpen vooral voor voedselproducten afhankelijk bleef van aanvoer uit het noorden.14

De belangrijke tapijtnijverheid in de Zuidelijke Nederlanden herstelde zich in de zeventiende eeuw en tapijten uit Antwerpen, Brussel, Brugge, Oudenaarde en Mechelen werden in heel Europa verkocht. Daarnaast kende Antwerpen nog een belangrijke grafische sector en een grote schilderijenproductie. Ook de Zuid-Nederlandse export van luxeproducten kreeg na 1660 steeds meer te lijden van het opkomende protectionisme. Andere landen zetten hun eigen luxe industrieën op om minder te hoeven importeren. Tegen het einde van de eeuw gingen de Zuid-Nederlandse industrieën daardoor kwijnen en zette het proces van desurbanisatie door. Toen de Zuidelijke Nederlanden ook nog eens het strijdtoneel werd van de Negenjarige Oorlog (1688-1697) werd veel van het herstel uit de eerste helft van de eeuw ongedaan gemaakt.15

Zeeland was aan het begin van de periode 1550-1700 gelegen bij het economische centrum van Europa, Antwerpen. Na de neergang van die stad maakte het deel uit van de kustgewesten van de Republiek der Verenigde Nederlanden, die tot in het derde kwart van de zeventiende eeuw een geweldige bloeiperiode doormaakten. Binnen dat gebied lagen Zeeland en Staats-Vlaanderen wel perifeer ten opzichte van het nieuwe centrum, Amsterdam. Bovendien zijn Vlaanderen en Brabant, waar Zeeland altijd nauwe betrekkingen mee had onderhouden, de gevolgen van de Tachtigjarige Oorlog eigenlijk niet echt te boven gekomen. Anderzijds lag Zeeland gunstig ten opzichte van Engeland, de nieuwe grootmacht die in de tweede helft van de zeventiende eeuw opkwam. De sterk opbloeiende Vlaamse havenstad Oostende ontwikkelde zich in de tweede helft van de zeventiende eeuw echter tot een gevaarlijke concurrent voor de handel op Engeland. Voor de Zeeuwse economie had dat de nodige gevolgen.



De landbouw in hoofdlijnen16

In principe konden de boeren in Zeeland en Staats-Vlaanderen profiteren van de hoge prijzen voor landbouwproducten die tot omstreeks 1660 betaald werden. In de tweede helft van de zestiende eeuw was dat niet altijd mogelijk door de gevolgen van stormrampen als die van 1552 en 1570 en in Vlaanderen door de militaire inundaties van 1583-86. De boerenbedrijven op de Zeeuwse eilanden zullen vanaf het laatste kwart van de zestiende eeuw de gevolgen van de economische expansie van de Republiek hebben ondervonden, maar de bedrijven in Staats-Vlaanderen konden daar pas vanaf het Twaalfjarig Bestand van genieten. Rond 1660 sloeg de economische conjunctuur om en begonnen ook de prijzen van landbouwproducten te dalen. Dit betekende het begin van een depressie die zou duren tot het midden van de achttiende eeuw. Overigens werd die depressie af en toe wel onderbroken door korte perioden met hoge graanprijzen. Dat was vooral het geval in de jaren 1690, toen door slechte graanoogsten in heel Europa in verschillende jaren de prijzen van het basisvoedsel werden opgedreven. Heel globaal kan worden gesteld dat de boeren in Zeeland als gevolg van stormrampen en oorlogshandelingen een moeilijke tijd doormaakten tot ongeveer 1580 en in Staats-Vlaanderen zelfs tot 1610. De voorspoed die daarop volgde, duurde in beide gebieden tot omstreeks 1660, waarna een depressie volgde.

De gevolgen van de daling van de prijzen van landbouwproducten na 1660 werden nog verergerd door de stijging van de belastingdruk, die het gevolg was van de hoge kosten van de oorlogen die de Republiek in deze tijd moest voeren. Vooral de verhoging van de grondbelasting trof de boerenbedrijven zwaar. In het westen van Staats-Vlaanderen bijvoorbeeld steeg de opbrengst van de grondbelasting van 46.000 gulden vóór 1665 tot 118.000 gulden in 1676, terwijl de oppervlakte cultuurgrond nauwelijks was veranderd. De grondbelasting was dus bijna verdrievoudigd. Ook op de Zeeuwse eilanden steeg de grondbelasting sterk: aan het eind van de zeventiende eeuw was die op Walcheren vijf keer hoger dan een eeuw tevoren.17

Het boerenbedrijf in Zeeland en Staats-Vlaanderen in het algemeen had drie belangrijke kenmerken: het was sterk marktgeoriënteerd en het was gemengd, maar wel met een sterk accent op de akkerbouw, en de bedrijven waren ook vrij groot. De marktgerichtheid vloeide vooral voort uit de nabijheid van steden. Zeeland lag in een verstedelijkt gebied dat zich uitstrekte van Vlaanderen tot Noord-Holland en in de steden van dat gebied was vraag naar voedsel en naar landbouwproducten als grondstoffen voor de nijverheid. Bovendien konden de Zeeuwse en Staats-Vlaamse landbouwproducten gemakkelijk en goedkoop over de Zeeuwse stromen naar die steden vervoerd worden. Het accent op de akkerbouw vloeide voort uit de kwaliteit van de bodem: in een groot deel van de regio bestaat die uit zeer vruchtbare jonge zeeklei die uiterst geschikt is voor akkerbouw. Maar het kwam ook voort uit een beperking. Het grondwater was in Zeeland vrijwel overal brak en daardoor was er onvoldoende zoet drinkwater voor een omvangrijke veestapel. De bodemgesteldheid beïnvloedde weer de bedrijfsgrootte. Op een zelfstandig boerenbedrijf waren zeker twee en liefst drie paarden nodig om alle grondbewerking te kunnen uitvoeren. Daarvoor was dan weer grasland nodig en moest een deel van de akkers bezaaid worden met haver en paardebonen. Alleen op bedrijven van twintig hectare of meer kon daarvoor voldoende grond worden gereserveerd.18

In heel Staats-Vlaanderen en op het grootste deel van de Zeeuwse eilanden kwamen in de zeventiende eeuw dus landbouwbedrijven voor die vooral op de akkerbouw georiënteerd waren en weinig vee hielden. Maar er waren enkele uitzonderingen. In laaggelegen gebieden zoals de Prunje rondom Serooskerke en Kerkwerve op Schouwen en de poelgebieden van Walcheren en Zuid-Beveland was geen akkerbouw mogelijk omdat het land daar gedurende een deel van het jaar onder water stond. In de polder Walcheren en in delen van Zuid-Beveland was akkerbouw alleen mogelijk op de hoger gelegen kreekruggen. Ook voor veehouderij waren deze gebieden maar beperkt bruikbaar vanwege het brakke grondwater. De bodem maakte dat in deze gebieden een ander agrarisch bedrijfstype overheerste dan elders in Zeeland gebruikelijk was. In de Prunje moesten de boeren moesten hun inkomsten uit een kleine veestapel aanvullen met inkomsten uit werk voor de polder, visserij en het vangen van vogels.19

Een andere factor die de agrarische bedrijfsvorm beïnvloedde, was de nabijheid van stedelijke markten. Op een groot deel van Walcheren was door de bodemgesteldheid grootschalige akkerbouw niet mogelijk, maar de Walcherse boeren konden van de nood een deugd maken door de nabijheid van de relatief grote steden Middelburg en Vlissingen. Daar bestond behoefte aan allerlei voedselproducten, waarvan een aanzienlijk deel, zoals consumptiemelk en groenten, snel aan bederf onderhevig was en dus van korte afstand aangevoerd moest worden. Door zich in dergelijke producten te specialiseren, konden de Walcherse boeren hun bestaan verzekeren. De belangrijke graanmarkten van Amsterdam en Rotterdam en die van de Vlaamse steden lagen op wat grotere afstand, maar konden over water gemakkelijk bereikt worden. Zeker het transport van een bulkproduct als graan was daardoor relatief goedkoop. De grootschalige akkerbouw in de jongere polders van Staats-Vlaanderen was dus niet alleen mogelijk door de bodemgesteldheid, maar ook door de bereikbaarheid van grote stedelijke markten.



: portal -> files
files -> Voorreformatorische koorhekken in nederland
files -> Serie: Psychologische interventies bij somatische aandoeningen Psychologische interventies bij kanker – zoeken naar de juiste maat
files -> Inaugurele rede Groningen Ex oriente lex, Groningen, 1993, 26p. 1992 Artikelen
files -> Groeiremming bij lange meisjes (samenvatting)
files -> De samenwerking tussen de American Psychological Association en de cia
files -> Toelating en verwijdering bij Passend Onderwijs
files -> Actualiteit rdv – Tilburg, 16 januari 2006
files -> Myalgische Encephalomilits (M. E.) oftewel chronisch vermoeidheidssyndroom (cvs) is een syndroom waarvan de oorzaak nog niet bekend is. In Nederland lijden er ongeveer 20. 000 mensen aan
files -> Development of Poly(trimethylene carbonate) based Implant Devices and their Application in Oral and Maxillofacial Surgery
files -> Een mislukte fusie


  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina