Land en stad


DE ARMEN HEBBEN GENTECHNOLOGIE NIET NODIG



Dovnload 499.96 Kb.
Pagina3/7
Datum16.08.2016
Grootte499.96 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

DE ARMEN HEBBEN GENTECHNOLOGIE NIET NODIG

Michiel Bussink


Er is genoeg eten om iedereen op aarde op een gezonde manier te kunnen voeden. Anderhalf keer de vereiste hoeveelheid zelfs, schat het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties. Toch heeft zo’n zevende deel van de mensheid - onge­veer 800 miljoen mensen - honger. Omdat ze geen toegang hebben tot dat eten. Vanwege oorlog, geweld en politieke instabili­teit, vanwege onvoldoende koopkracht om voedsel te kopen of te weinig toegang tot produktiemiddelen - land, zaadgoed, vee, water - om zelf voedsel te produceren. Zal genetische manipu­latie via hogere opbrengsten daar verandering in brengen? Biotechnologiebedrijven en -onderzoekers beweren het en in navolging daarvan ook Sjoera Dikkers, directeur van de Evert Vermeer Stichting en freelance journalist Roeland Muskens van maandblad OnzeWereld (de Volkskrant, 16 oktober jl.) Het tegendeel zou wel eens waar kunnen zijn.

De idee om met gentechnologie de opbrengst van zaadgoed te verhogen om daarmee arme boeren te helpen berust op een naïef geloof in de technical fix. Hier heb je een nieuwe technolo­gie. Pas hem toe op je probleem. Probleem opgelost. Zo gaat het in werkelijkheid niet. Neem de Groene-Revolutie-zaden naar aanleiding waarvan Henry Kissinger in 1974 zei: “Binnen een decennium zal geen man, vrouw of kind nog met honger naar bed gaan.” De ‘wonderzaden’ krikten in India inderdaad de voedsel­productie flink op maar dreef tegelijkertijd vele boeren tot absolute armoede. De ‘high yielding varieties’ moesten name­lijk gekocht worden (anders dan het traditionele zaadgoed), inclusief bijbehorende kunstmest en pesticiden. Vanwege de steeds hogere prijzen voor die middelen en alsmaar dalende voor hun agrarische producten raakten vele kleine boeren uiteindelijk zo diep in de schulden dat ze zich gedwongen zagen hun land te verkopen aan een minderheid van rijke boeren die zich wel het hele Groene-Revolutie-pakket konden veroorlo­ven.

Waarom zou het bij de nieuwe generatie wonderzaden van de genetische manipulatie anders gaan? Wonderen bestaan niet. De vermeende (nog niet bewezen) hogere opbrengst van gentech-zaden moet - heel natuurwetenschappelijk bekeken - ergens vandaan komen: van extra meststoffen die de gewassen vanuit de bodem moeten opnemen. Die meststoffen zijn er niet of kunnen arme boeren zich niet veroorloven. En als ze ze wel hebben, kunnen ze daarmee net zo goed de opbrengst van traditionele zaadgoed vergroten. Het probleem vormt dus veelal het gebrek aan land en bodemvruchtbaarheid, niet het gebrekkige zaadgoed. De traditionele landbouw herbergt juist een enorme schat aan genetische diversiteit, aangepast aan heel uiteenlopende lokale agro-ecologische omstandigheden. Het is dus nogal onzinnig om te pleiten voor het ontwikkelen van gemanipuleerd zaadgoed aangepast aan lokale omstandigheden. Het is bovendien een illusie te geloven dat gentechbedrijven dat massaal zullen doen. Willen ze de enorme investeringskosten voor het ontwik­kelen van genetisch gemanipuleerd zaadgoed terugverdienen, dan moeten ze die juist zo uniform mogelijk en op zo groot moge­lijke schaal aan de man zien te brengen.

Maar de boeren in de Derde Wereld vragen om gemanipuleerd zaadgoed, beweren Sjoera Dikkers en Roeland Muskens. Dat is een verkeerde voorstelling van zaken. Net zoals er in het westen voor- en tegenstanders van gemanipuleerd voedsel be­staan, zijn die er in de Derde Wereld. In India is er een heuse massabeweging van armen die zich verzet tegen de komst van het gemanipuleerd zaadgoed van gentechgigant Monsanto. En vertegenwoordigers vanuit 19 Afrikaanse landen verklaarden twee jaar geleden op een conferentie van Wereldvoedselorgani­satie FAO dat gentechnologie “noch veilig, noch milieuvriende­lijk, noch economisch gunstig voor ons is. (...) Wij denken dat het de diversiteit, lokale kennis en duurzame landbouwsys­temen die onze boeren gedurende millennia hebben ontwikkeld juist zal vernietigen en dat de capaciteit om onszelf te voeden zal ondermijnen.” Genetische manipulatie versterkt namelijk het proces - zowel in de westerse wereld als in ontwikkelingslanden - waarbij de landbouw steeds afhankelijker wordt van een paar gewassen en rassen. Met als gevolg steeds grotere kwetsbaarheid voor ziekten, plagen en misoogsten.

Biologische landbouw - die juist slim gebruik maakt van de biodiversiteit, zonder chemische bestrijdingsmiddelen, kunst­mest en genetische manipulatie - kan een groeiende wereldbe­volking voeden, tot zo’n 11 miljard mensen. Blijkt uit ver­schillende onderzoeken. Professor Jules Pretty van de Univer­siteit van Essex heeft bijvoorbeeld laten zien hoe boeren in India, Kenya, Brazilië, Guatemala en Honduras hun oogsten verdubbelden of verdrievoudigden toen ze overschakelden naar biologische of semi-biologische teelttechnieken. Cuba, dat door de economische blokkade gedwongen is tot biologisch landbouwen, heeft daarmee de productiviteit en kwaliteit van de gewassen die het teelt verbeterd. Met organische mest, plaagbestrijding met planten, eenvoudige erosiebestrijding, wisselteelt, akkers waarbij een heel scala aan gewassen met bomen wordt gecombineerd, kleinschalige irrigatie, combinaties van landbouw en veeteelt, boerenkennis en -verstand, kortom met lokale middelen kan de productiviteit van lokale landbouw in veel gebieden in de Derde Wereld worden opgekrikt. Dat heeft een groot nadeel. Voor de gentechbedrijven wel te ver­staan: zij verdienen er geen cent aan.
Michiel Bussink is freelance journalist, deed onderzoek onder kleine boeren in Zimbabwe en werkte voor een landbouwontwikke­lingsorganisatie
Eerder verschenen als ingezonden brief in de Volkskrant van begin november 2000.

O GRITO DO CAMPO

Boerenverzet in Brazilië

Hij is 32 jaar, maar oogt jaren jonger, een knappe jonge­man, tikkeltje verlegen: Paulo Damasceno. Onlangs is hij gevraagd wethou­der voor landbouwzaken te worden in Cametá, een zeer uitgestrekte gemeente in de Noord-Braziliaanse deel­staat Pará. Zijn partij, de PT (Partido dos Trabalhadores, Arbei­derspar­tij) boekte onlangs een grote verkiezings­winst “ondanks het feit dat we lijst 13 hadden”, zegt hij glimmend van genoe­gen en laat een fel rood T-shirt zien met 13 in een vijfpunti­ge ster.


Damasceno is opgegroeid op het platteland, enkele tientallen kilometers van Cametá, op een armelijke boerderij. Klaar­blij­ke­lijk beschikt hij over leiders-kwaliteiten. Al toen hij 17 jaar was, werd hij coördinator van het jeugdpastoraat; nauwe­lijks was hij 20 of hij werd in het bestuur van de landarbei­dersbond van de regio Cametá gekozen, waar hij drie jaar later voorzit­ter werd.

Een paar jaar geleden verhuisde hij naar Belém, de hoofdstad van de deelstaat, om voor de Fetagri te gaan werken. Dit is een koepel van 132 bonden van landarbeiders en kleine boeren met in totaal 90.000 leden. De Fetagri werkt nauw samen met de omvangrijke landlozenorganisatie MST, die vaak een radicaler standpunt inneemt.



Toch optimistisch
Kleine boeren, landarbeiders en zeker landlozen hebben het niet makkelijk in Pará. De grond levert vaak niet veel op, de landbouwprijzen staan laag, het transport naar de stad is hopeloos slecht als je niet aan een rivier woont, landbouw­tech­ni­sche hulp van de overheid ontbreekt praktisch en onder­wijs en ge­zond­heidszorg stellen niet veel voor. Daar komt bij dat de regering de beloof­de financiële steun aan de boeren niet uitkeert en de eveneens beloofde toewijzing van stukken braak­liggend land van groot­grondbezit­ters aan landlozen zo traag mogelijk laat verlopen. Kortom: het plattelandsleven is hard.

Verder is er veel geweld in Pará. Op sommige grote landerijen worden landarbeiders gevangen gehouden als slaven, politiea­genten oefenen bij tijd en wijle een ware terreur uit, en boeren­leiders en landbezetters worden met de dood bedreigd en vermoord. Ook zijn er ernstige conflicten tussen de inheemse bevol­king en boeren die zich in het binnenland vesti­gen.


Toch is Damasceno optimistisch: “Een groot probleem was altijd de lakse houding en de tegenwerking van de overheid. Maar nu zitten we zelf in het gemeentebestuur en kunnen we veel doen.” Ook in andere Braziliaanse steden heeft de Arbeiderspartij bestuursposities veroverd en zelfs in de regering van ver­schillende deelstaten.

De progressieve bestuurders kunnen voortbouwen op het omvang­rijke verzet van de plattelandsbevolking. Zo organiseert de MST al jarenlang landbezettingen, demonstraties, protestkampe­menten en enorme nationale congressen. Daarnaast blijft de landlozenorganisatie alsmaar moeite doen om met de overheid in contact te blijven om op allerlei praktische punten vooruit­gang te boeken.

Maar ook de iets minder radicale organisaties van kleine boeren, zoals de Fetagri, laten van zich horen. Zo vertelt Damas­ceno vol trots dat in 1991 een van hun boerenbonden in Pará de eerste ‘o Grito do Campo’, ‘de Schreeuw van het Plat­teland’ heeft georganiseerd. De Grito is een grote demon­stra­tie waarin met spandoeken en spreekkoren de platte­lands­proble­men uitgeschreeuwd worden tegen iedereen die het maar wil horen. Ondertussen is de Schreeuw een jaarlijks terugke-rende manifestatie in verschillende deelstaten in het Amazone­gebied. Heel bemoedi-gend is dat de Braziliaanse stads­be­volking sympa­thie blijkt te hebben voor de eisen van de land­lozen, de landarbei­ders en de kleine boeren.

Nuchterheid en verlangen
Damasceno was half november in Nederland op uitnodiging van Wederzijds. Deze vereniging organiseert reizen naar verschil­lende landen in de Derde Wereld (o.a. Brazilië, Indo­nesië en India) en bezoekt daar organisaties van kleine boeren in verzet en projecten voor de arme stadsbevolking. Terugge­keerd in Nederland blijven de bezoekers schriftelijk contact houden met de mensen die ze ontmoet hebben en vertellen ze in hun omge­ving wat ze gezien en gehoord hebben.

Soms onderneemt Wederzijds acties. Zo richtte de Braziliëgroep zich tot minister Herfkens met vragen over de ‘Banco da Terra’ (Grond­bank), een experimenteel pro­ject van de Wereldbank en de Braziliaanse over­heid. Groepen landlozen kunnen via deze bank een stuk grond kopen, dat grootgrondbezitters kwijt willen. Omdat de landlozen geen geld hebben moeten ze een lening sluiten. Als de grond dan ook nog eens door valse taxaties veel te duur is gemaakt, raken de enthou­siaste nieuwe boeren al snel in de financiële problemen.

Volgens Wederzijds zou het veel beter zijn als de Brazili­aanse overheid de landher­vor­mingswet se­rieus uitvoert, goede stukken grond toewijst tegen redelijke prijzen en technische onder­steuning biedt. Omdat Nederland een bijdrage levert aan de Wereldbank kan Herfkens deze kwestie bij de bank aan de orde stellen.

Verder was Wederzijds betrokken bij een handtekeningenactie in Montfoort waarbij de Braziliaanse regering werd aangespoord de boerenleiders in Pará die met de dood bedreigd waren te be­schermen. Damasceno had daar om gevraagd.


Jan Glissenaar is de spil van Vereniging Wederzijds. Deze landarbeiderszoon trekt al sinds het begin van de vijftiger jaren door de wereld om contacten te leggen met landarbei­ders, kleine boeren, vissers en mensen uit de krottewijken die zich organiseren, zelf een oplossing bedacht hebben en daaraan werken. Hun verhalen legt Glisse­naar vast. Harts­toch­te­lijk leeft hij mee met hun pogingen hun situatie te verbe­teren en zich te verzetten tegen het over­vloedig aanwezi­ge onrecht. Toch blijft zijn schrijfstijl nuchter, met veel oog voor praktische de­tails. Ook onderlinge problemen, teleur­stellingen en misluk­kingen belicht hij. Dezelfde mengeling van per­soon­lijke betrokkenheid, nuchter­heid, het verlangen om ‘iets’ te doen en de behoefte de grote­re economi­sche structu­ren niet uit het oog te verliezen vinden we terug in de Vere­niging.
------

Vereniging Wederzijds, Postbus 20, 3417 ZG Montfoort; tel/fax: 0348 471 425;

e-mail: wederzijds@hetnet.nl

* * *


DE ÉCHTE GROENE REVOLUTIE IS BEGONNEN

Indiase boeren binden de strijd aan
Duizenden Indiase boeren demonstreerden op 19 november in New Delhi. Zij eisten van de regering de land­bouw los te koppelen van de WTO. Door allerlei maatregelen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie stij­gen de pro­duktiekosten en dalen de verkoop­prij­zen van land­bouw­produkten scherp. Daardoor raken boeren overal in het land steeds verder in de problemen en duiken er telkens weer be­richten over zelfmoorden op. Bovendien neemt door maatregelen van diezelfde WTO de honger toe onder de armen. De boeren lieten weten hun be­staan niet te laten vernietigen door een onjuist en onrechtvaardig handelssysteem.
Boeren zakken steeds dieper in de schulden door ver­mindering van landbouwsubsidies en door prijsverhogin­gen voor water en elektriciteit, vanwege de privatisering van de nuts­bedrijven, waar de We­reldbank alsmaar op aandringt. Ook raken steeds meer boeren in de greep van agro-multinationals, die hen met fraaie beloften dure zaden verkopen die veel kunstmest en bestrij­dingsmid­delen vergen.
Onder druk van de WTO heeft de regering bestaande importquota opgeheven voor zwaar gesubsidieerde voedingsoliën, kokos, melk, rubber, peper, koffie, thee en tarwe uit het buitenland. Omdat zij eveneens de staatsgarantieprijzen afgeschaft heeft, zijn de prijzen gekelderd.
Ondertussen leiden de armen steeds meer honger omdat de voed­selprijzen stijgen nu de voedselsubsidies afgeschaft zijn en goedkope lokale landbouwgewassen verdrongen zijn door dure gewassen van de agro-concerns. Omdat de armen nu minder graan kunnen kopen, is er nu een kunstma­tig overschot van 42 miljoen ton graan. Met het argument dat er onvoldoende opslagcapa­citeit is verleent de overheid exportsubsidies aan het be­drijfsleven om dit ‘overschot’ in het buitenland kwijt te raken. Dus, terwijl de subsidies voor boeren en armen dalen, stijgen de subsidies voor export­firma’s.
Maar liefst drie voormalige premiers en verschillende andere beroemdheden woonden de demonstratie bij. Ex-minister-presi­dent V.P. Singh, die op een brancard lag omdat hij pas uit het ziekenhuis kwam, riep de demonstranten op voedsel uit de pakhuizen te halen en onder de hongerigen te verdelen. “De heerschappij van geld, winst en brute kracht van grote bedrij­ven zal gebroken worden door de kracht van menselijk­heid, waardigheid en het recht om in leven te blijven.”
Vandana Shiva, een Indiase natuurwetenschapper en milieuacti­viste, die zich al jaren inzet voor landbouw in boe­renhanden los van agro-multinationals, concludeerde in haar toespraak tot de boeren: “De ware Groene Revolutie is begonnen.”
Verantwoording

Dit artikel is gebaseerd op een persbericht van 19 november van de Research Foundation for Science, Technology and Ecolo­gy; New Delhi, India.

* * *

FRANSE BERGBOEREN

boekbespreking
Al vele jaren woont de Engelse schrijver John Berger in een klein dorpje in de Franse Alpen. Aangrijpende verhalen schreef hij er over het bergboerenleven, met alle veranderingen die dit in de twintigste eeuw onderging.

“Niemand had ooit verwacht dat Marcel nog eens in de gevangenis zou belanden. Als iemands levensloop ineens verandert als gevolg van zijn eigen daden, is vaak moeilijk vast te stellen waar in het verleden zijn verhaal precies begint. Ik ga niet verder terug dan de lente van vorig jaar.

Hij was bezig met het uitrijden van de wintermest, die hij in hoopjes met ongeveer twee meter tussenruimte over de velden verdeelde. Later zou hij die hoopjes met de vork gelijkmatig uitspreiden over het gras en de aarde. Hij reed de mest uit in een kar die werd getrokken door Gui-Gui. De overeenkomst in bouw tussen paard en man had zijn nut. Als de kar vol was, beladen met een vracht van vierhonderd kilo, trok de jonge merrie hem het eerste stuk zo snel ze kon tegen de helling op, om vaart te maken voor waar het stijler werd. Marcel, die haar bij het hoofdstel vasthield, stapte naast haar voort, en haar voorpoten en zijn benen hielden volmaakt gelijke tred. Een vlugge tred. Dikwijls moesten ze blijven staan om op adem te komen voor ze verder omhoog konden. Als ze zo samen aan het werk waren, praatte hij tegen haar, en hij drukte zich daarbij uit in afgebeten spraakklanken om zich lucht te besparen. Die klanken waren oorspronkelijk bondige commando’s of vloeken geweest; nu hadden ze alle betekenis afgelegd en waren nog slechts een begeleiding bij de beweging van hun klimmende benen. Hij maakte dat soort geluiden nog wel eens in zijn cel in de gevangenis te B...

Vanuit het kippenhok zag Nicole een onbekende trekker aankomen over de weg. Ze wachtte om te kijken welk pad hij op zou rijden. Op de middenstrook van de weg, waar geen wielen reden, kwam het voorjaarsgras al op. In de berm stonden hier en daar viooltjes.

Jézus! Wat zal Marcel hiervan zeggen? zei Nicole toen de trekker in de richting van de boerderij kwam.

Ze zwaaide naar haar zoon Edouard, die achter het stuur zat. Langs het restant van de mestvaalt reed hij het erf op. Daar sprong hij uit de cabine en liet de motor lopen. De trekker was blauw.

Ik heb hem goedkoop kunnen krijgen, riep hij naar zijn moeder. Hij is twaalf jaar oud!

Nicole glimlachte hem bemoedigend toe. Ze vergat haar proble­men zodra ze voorbij waren en dacht liever niet aan de proble­men die ze kon zien aankomen.

Hij zal er wel tegen zijn, maar dat is alleen omdat hij niet kan rijden! zei Edouard.

De vader kwam met de merrie en de lege kar het erf op. Toen hij de trekker zag, bleef hij staan en sloeg zijn armen over elkaar.

Wat is dat? vroeg hij, of hij voor het eerst een trekker zag.

Die heb ik gekocht! riep Edouard boven het lawaai van de motor uit. Hij leunde met zijn elleboog op de trillende motorkap, als op de schouder van een meisje en had zijn voet op de kleine voorband gezet.”


Dit is een fragment uit het verhaal ‘De waarde van het geld’, uit het boek Varken Aarde.

“Hooien is altijd een gok. Hoe vlugger het hooi binnen is, hoe beter. Maar het hooi moet wel droog zijn, anders krijg je broei. In het ongunstigste geval, luidde de overlevering, kon door vochtig hooi een boerderij uiteindelijk afbranden. Wie geen enkel risico neemt krijgt zijn hooi nooit tijdig binnen. Die houdt hoogstens hooi als stro over. Dus doe je de ongeduldige gok dat de zon standhoudt en het onweer nog even uitblijft. Wij denken dat we hooien, zei Albertine elk jaar, maar de zon doet het werk.

Door deze loterij kreeg het hooien iets feestelijks. Elke keer dat ze wonnen waren ze de hemel te slim af geweest. Soms wonnen ze met maar een paar minuten voorsprong, als de eerste druppels regen vielen op het moment dat het paard de laatste wagen vol twee dagen eerder gemaaid hooi de schuur in trok. De haast, de vrouwen en kinderen op het land, het met bronwater weggewassen zweet, de met koffie en cider geleste dorst, de sprong van vijf meter in de schuur waarmee je verzaligd ongedeerd in het hooi belandde, het hooi dat hij kundig uiteentrok en aanharkte, de schuur, zo hoog als een kerk, die langzaam volraakte tot hij, staande op het hooi, met zijn hoofd bij het dak kon, het avondeten na afloop in de drukke keuken, dat alles had het hooien in de eerste helft van zijn leven tot een feest gemaakt.

Vandaag was hij alleen, alleen om de risico’s af te wegen, om het gras te maaien, het te schudden, te keren, te harken, te laden, te vervoeren, te lossen, het gelijkmatig te verdelen en aan te stampen, om zijn dorst te lessen, om voor zichzelf een avondmaal te maken. Dank zij de nieuwe machines hoefde hij niet harder te werken dan tijdens de eerste helft; het verschil was dat hij alleen was overgebleven.”


Dit is een fragment uit het verhaal ‘De accordeonist’ uit het boek Ver weg in Europa.

“Gezien vanaf de hoogte waarop ik me nu bevind maakt vaders weigering zijn boerderij te verkopen aan de fabriek een absurde indruk. We waren omsingeld. Elk jaar was het fabrieksterrein waar vader met zijn vier koeien overheen moest weer groter en lagen er weer meer treinrails. De elk jaar hoger wordende slakkebergen scheidden het huis met zijn kleine erfje steeds drastischer van de weg en de bij de boerderij horende weilanden aan de overkant van de rivier. De eigenaren verdubbelden en verdrievoudigden de prijs die ze hem wilden betalen. Zijn antwoord bleef hetzelfde. Mijn erfgoed is niet te koop. Later probeerden ze hem via de rechter te onteigenen. Hij zei dat hij hun kantoren zou opblazen met dynamiet. Nu ligt alles onder de sneeuw.

Het was mijn taak de konijnen te voeren. In het vroege voorjaar had je paardebloemen. Vader zei dat in geen enkel dal ter wereld zoveel paardebloemen stonden als in het onze. Paardebloemmiljonairs, noemde hij ons. Konijnen eten met zoveel ongeduld dat het lijkt of ze zich een weg naar het leven moeten vreten! Hun kaken als ze de paardebloemblaadjes vermaalden waren het snelste wat ik ooit gezien had, en hun snuitjes trilden even snel als hun kaken maalden.

Er was een zwarte ram bij die ik haatte. Hij had iets boosaardigs in zijn oog. Hij loerde altijd op zijn kans om zijn boosaardigheid bot te vieren en hij heeft me meer dan eens een knauw gegeven met zijn tanden. Moeder gaf de konijnen een verdovende klap, hing ze op aan hun achterpoten en stak ze de ogen uit met een mes zodat ze doodbloedden. Als ze dat deed was het altijd vrijdag, want een konijn, met mosterd gebraden in de oven, was een feestmaal op zondag, wanneer de mannen na het middageten aan tafel konden blijven zitten en gnôle dronken, in plaats van weer aan het werk te gaan.


(..)
Elk jaar kwam er een man naar de school om aan ons, de kinderen, uit te leggen waarom de fabriek gebouwd was, waarom juist bij ons en waarom hij de trots was van heel de landstreek. Zelfs uit New York, zei hij, waren ze ernaar komen kijken! Vervolgens tekende hij op het bord de loop van de rivier. De zijne was wit op zwart, die daar onder me is zwart op wit. De rivier gaat dwars door de fabriek heen. De fabriek zit over de rivier gehurkt als een plassende vrouw. Dat zei hij niet.”
Dit zijn twee fragmenten uit het verhaal ‘Ver weg in Europa’ uit het gelijknamige boek.

De beide boeken Varken aarde en Ver weg in Europa zijn samen met een derde boek (wat me niet aanspreekt) gebundeld in De vrucht van hun arbeid [1] Vóór in deze trilogie staat een beschouwend artikel, een inleiding die erg de moeite waard is.

“Het boerenleven staat volledig in het teken van de strijd om het bestaan. Dat is misschien het enige kenmerk dat landbouwers waar ook ter wereld ten volle gemeen hebben. Hun werktuigen, hun gewassen, hun grond, hun meesters mogen verschillen, maar of ze hun arbeid nu verrichten in een kapitalistische maatschappij, een feodale of een andere, minder simpel definieerbare, of ze nu rijst verbouwen op Java, tarwe in Scandinavië of maïs in Zuid-Amerika, wat ook de verschillen mogen zijn in klimaat, godsdienst en sociale geschiedenis, overal kan de boerenstand gedefinieerd worden als een klasse van overlevers. Al anderhalve eeuw stelt dit taaie vermogen van de kleine boer om te overleven overheden en ideologen voor verrassingen. Het is vandaag de dag nog altijd zo dat de meerderheid van de wereldbevolking op en van het land leeft.
(..)
Het boerenbestaan is door de eeuwen heen niet ongewijzigd gebleven, maar de prioriteiten en waarden van de boerenbevolking (haar strategie om te overleven) waren verankerd in een traditie die duurzamer is gebleken dan enig andere in de rest van de samenleving. De nooit openlijk beleden verhouding van deze boerentraditie tot de cultuur van de dominerende klasse was dikwijls tegendraads en subversief. ‘Loop nergens voor weg,’ zegt het Russische boerenspreekwoord, ‘maar doe niets.’ De reputatie van sluwheid (‘boerenslimheid’) die de boer alom geniet is een onderkenning van deze subversieve neiging tot geheimhouding.”
Dit zijn twee fragmenten uit de inleiding van het boek De vrucht van hun arbeid.

Noot

1. De vrucht van hun arbeid - trilogie; John Berger, vertaling Sjaak Commandeur; de Bezige Bij; Amsterdam, 1998.

* * *




1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina