Land en stad


GLOBALISERING VEROORZAAKT HONGER OP GROTE SCHAAL



Dovnload 499.96 Kb.
Pagina4/7
Datum16.08.2016
Grootte499.96 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

GLOBALISERING VEROORZAAKT HONGER OP GROTE SCHAAL

Tientallen onderzoeken bevestigen de somberste vermoedens
Een alles verwoestende wervelstorm raast door het Zuiden. Dat beeld roept het rapport Trade and Hunger[1] van een groot aantal Zweedse kerkelijke organisaties op. Een vloedgolf van goedkope (meestal Westerse) landbouwprodukten en het inkrimpen van de overheids­steun hebben tiental­len miljoenen plattelandsbewoners van hun bestaan beroofd en het leven van nog veel meer verder verschraald.

Het rapport is een samenvatting van meer dan vijftig grotere en kleiner onderzoeken en verklaringen van deskundigen. Telkens opnieuw duikt de conclusie op dat steeds meer armen in de Derde Wereld steeds vaker honger lijden door de liberalisering/globalisering van de laatste tien, vijftien jaar.


Sinds beginjaren tachtig hebben steeds meer landen uit het Zuiden zich verplicht tot een Structureel Aanpassingsprogramma (SAP), omdat zij anders geen leningen meer krijgen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank en Westerse banken. Standaard eisen het IMF en de Wereldbank de grenzen verder te openen ook voor landbouwprodukten, minder beperkingen op te leggen aan het (buitenlandse) bedrijfsleven en de overheidsuitgaven terug te dringen door te snijden in voorzieningen voor de bevolking en door subsidies te verminderen.

In het kader van de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade) is in 1993 een bindende landbouwverdrag gesloten, de AoA (Agreement on Agriculture, zie bijlage 5 van het boek Duistere Machten). In 1994 is dit verdrag van kracht geworden. De WTO controleert of het verdrag nageleefd wordt. Landen die zich benadeeld voelen omdat een ander land het verdrag naar hun idee schendt kunnen bij de WTO een klacht indienen. Zo nodig kan de WTO dan handelssancties opleggen.



In de praktijk
Wat betekent liberalisering/globalisering in de praktijk voor de bevolking?

= De markten in de grote steden, maar ook in de kleinere plattelandsstadjes worden overspoeld door goedkoop graan en vlees, waartegen de plaatselijke boeren niet kunnen concurreren. Dit komt omdat de landelijke regering de invoer-belastingen moet beperken en de invoerquota moet opheffen.

= De gezondheidszorg en het onderwijs op het platteland zijn achteruit gegaan en duurder geworden. Dat geldt ook voor de landbouwtechnische steun.

= Goedkope leningen voor arme boeren zijn verdwenen evenals subsidies voor kunstmest, bestrijdingsmiddelen en zaden, zodat deze voor kleinere boeren onbetaalbaar worden.

= Regeringen hebben de staatsinkoopbureaus moeten afschaffen, de wettelijke minimumprijzen moeten laten schieten, het toezicht op tussenhandelaren moeten verminderen en binnen- en buitenlandse concerns meer speelruimte moeten geven.

= De overheid stelt minder opslagsilo’s ter beschikking en verwaarloost het onderhoud van de wegen, zodat het transport van landbouwprodukten naar de markt in de stad moeizamer, zo niet onmogelijk wordt.


De gevolgen zijn schrikbarend:

= Wereldwijd hebben minstens 30 miljoen landarbeiders en kleine boeren hun werk verloren.

= Ontelbaar veel armen op het platteland hebben minder te eten, zodat ze honger lijden. Of ze kunnen alleen het allergoedkoopste eten aanschaffen, zodat ze aan ondervoeding gaan lijden, door een gebrek aan eiwitten, mineralen en vitamines.

= Het werk van vrouwen en kinderen wordt zwaarder, omdat mannen naar de stad, of soms zelfs naar een naburig land trekken om werk te zoeken.

= De krottewijken van de grote steden worden nog groter door de trek naar de stad.

= De landbouwgronden van boeren die failliet gegaan zijn komen in handen grote boeren, firma’s en multinationals, die meer kunstmest, landbouwgif en irrigatiewater gebruiken en grote monoculturen invoeren.

= De Derde Wereldlanden raken voor hun voedselvoorziening steeds verder afhankelijk van het buitenland, vooral van de Verenigde Staten en de Europese Unie.

Armen
Volgens de IMF-economen zou handelsliberalisering ook de kleine boeren ten goede komen. En inderdaad zijn er een paar voorbeelden van groepen die erop vooruit gegaan zijn. Bvoorbeeld boeren die een micro-krediet wisten te bemachtigen, of die hun produkten konden exporteren naar een buurland. Maar die schaarse voordelen wegen in de verste verte niet op tegen alle nadelen.

Armen in de stad, zo dachten de economen, zouden profiteren van de lagere voedselprijzen. In de praktijk blijken de meeste voedselprijzen omhoog gegaan te zijn, omdat de overheidssubsidies minder geworden zijn.

Al met al worden alleen tussenhandelaren, grote boeren, grote firma’s en multinationals beter van de wereld-vrijhandel en de vermindering van de overheidsbemoeienis. De armen op het platteland en in de stad hebben het nakijken.

Stop maar met je boerderij’


Eunice Kazembe, ambassadeur te Taiwan voor de Zuidoost-Afrikaanse staat Malawi: “Zolang we over liberalisering, structurele aanpassing en globalisering hoofdzakelijk blijven praten in technische termen als BNP (Bruto Nationaal Produkt), economische groei, concurrentievermogen en dergelijke, zullen we het werkelijke probleem over het hoofd blijven zien: het verlies aan menselijke waardigheid, dat de Wereldbank, het IMF, de WTO en dergelijke instellingen bevorderen met hun zogenaamde goedbedoelde initiatieven.
Er was een tijd dat er in de dorpen die ik ken niet genoeg te eten was, maar wel een zo grote afwisseling dat de kinderen gezond konden opgroeien en de volwassenen voldoende weerstand behielden. Dat is voorbij. De kinderen zijn hongerig en meestal lusteloos en hun geestelijke en lichamelijk vermogens worden vanaf hun jeugd ondermijnd en beperkt. De volwassenen zijn lichamelijk verzwakt en zijn niet in staat zich te concentreren en vele uren achtereen te werken, zoals zij vroeger gewoon waren.

Er was een tijd dat scholen boeken hadden en schrijfgerei; onderwijzers waren gemotiveerd omdat ze genoeg verdienden om van te leven en in de plaatselijke gemeenschap gewaardeerd werden. Tegenwoordig gaan de meeste kinderen inderdaad wel naar school, maar ze hebben niks om op te schrijven, niets om te lezen. Onderwijzers hebben te kampen met tal van acute ernstige problemen, die ze moeten oplossen om in leven te blijven. Geconfronteerd met zulke verschrikkelijke problemen komt het onder-richten van jonge geesten op de tweede plaats. Het enthousiasme ontbreekt hen...

Er was een tijd dat wat de dorpsbewoner verbouwde op zijn land nog iets opbracht.
Nu de problemen in de handelssector samengaan met een voortdurende waardevermindering van de lokale munt, staat zelfs het kopen van zout - gewoon zout! - gelijk aan een belangrijke investeringsbeslissing, waarvoor lang gespaard moet worden.

Er was een tijd dat dorpsbewoners naar een ziekenhuis konden gaan en medicijnen konden krijgen voor hun kwalen. Als ze werkelijk ziek waren konden ze rekenen op een ziekenhuisbed en een deken. Dat is voorbij. De ziekenhuizen zijn door hun medicijnvoorraad heen, de bedden zijn meestal kapot en een dekkleed is een luxe.

Er was een tijd dat een ondernemer een zaakje kon beginnen en wat geld kon verdienen na verloop van tijd (immers: initiatief beloont zichzelf). De ondernemer kon rekenen op een zekere opbrengst, kon lenen tegen betaalbare rente en kon eerlijke en betrouwbare werknemers krijgen. Dat is voorbij. Inflatie is een vast gegeven (vanwege de alsmaar duurdere importen), de rente ligt boven de vijftig procent, en werknemers zijn te druk met hun eigen overlevingsstrijd en te verzwakt om behoorlijk arbeid te verrichten.
Ja, je kan wel geld verdienen, door van alles te importeren uit de ontwikkelde landen en de Aziatische tijgers, wat gewoonlijk goedkoper is dan wat lokaal geproduceerd wordt. Dus stop maar met je boerderij of fabriek, beunhaas wat met e-commerce en benut je buitensporige winsten om er een life style op na te houden die zich kan meten met die van de Jonesen in Silicon Valley. Het is toch de tijd van de globalisering.”[2]


Europese exportsubsidies nekken boeren in Jamaica
In 1998 en 1999 zagen boeren uit Jamaica zich gedwongen meer dan een half miljoen liter melk te vernietigen. Eerst hadden ze zo veel mogelijk melk voor een klein prijsje direct verkocht aan het publiek, kado gedaan aan ziekenhuizen, of gebruikt als veevoer. Maar wat zij echt niet kwijt konden lieten ze wegstromen.
Tot 1992 ging het goed met de melkveehouderij in Jamaica. Maar toen begon de ellende, omdat de regering van de Wereldbank de importheffing op poedermelk moest verlagen tot vijf procent. De drieduizend overwegend kleine melkveehouders konden de concurrentie niet aan met de goedkope melkpoeder uit andere landen, vooral uit de Europese Unie. Deze subsidieert de melkpoeder-exporten fors.

Ondertussen hebben al heel wat boeren uit Jamaica verschillende dieren verkocht of geslacht, in een poging hun verliezen terug te dringen. De Jamaica Dairy Farmers Federation, de organisatie van kleine en middelgrote melkveehouders, zoekt nu naar andere verwerkingsmogelijk-heden en nieuwe afzetkanalen. De Federatie heeft zich tot de EU gericht met het verzoek geen subsidies meer te verlenen voor exporten naar hun land.[3]



Kleine Mexicaanse boer is de schatbewaarder

van de wereld-rijkdom aan maïssoorten
Mexico is het land van de maïs. Duizenden soorten komen er voor. Bijvoorbeeld typen maïs die goed tegen vorst en hagel bestand zijn, of tegen harde wind, die diep geplant kunnen worden zodat de zaden het erg lang zonder regen kunnen stellen, die goed tegen verschillende ziekten opgewas-sen zijn, of die op arme grond toch een mooie opbrengst geven. In heel wat streken van Mexico leveren deze maïssoorten meer op dan de moderne high tech soorten hier zouden kunnen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat op driekwart van het Mexicaanse maïs-areaal inheemse soorten staan.

Ieder jaar opnieuw selecteren kleine boerengemeenschappen in afgelegen dorpjes zorgvuldig die maïssoorten, die het vermoedelijk het komende jaar op hun akkers het beste gaan doen. Deze kleine Mexicaanse boeren zijn in feite de conservatoren, de schatbewaarders van de genetische wereldrijkdom aan maïs.


Door de globalisering heerst er malaise op het platteland in Mexico. De armoede is bitterder geworden en steeds meer boeren trekken weg. Zo komt de selectie en de conservering van de maïs-diversiteit in gevaar. In principe kunnen genenbanken de verschillende maïssoorten bewaren, maar de specifieke kennis welke soorten in welke omstandigheden met welke verzorging het goed zullen doen, dreigt verloren te gaan [4].

Afkortingen

AoA - Agreement on Agriculture; landbouw vrijhandelsverdrag van de GATT.

GATT - General Agreement on Tariffs and Trade; wereldvrijhandelsverdrag.

IMF - Internationaal Monetair Fonds.

NAFTA - North American Free Trade Agreement; vrijhandelsverdrag tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico.

SAP - Structural Adjustment Program; Structureel Aanpassings Programma

WTO - World Trade Organisation; Wereld Handelsorganisatie, opvolger van de GATT.

Noten

1. Trade and Hunger, an overview of case studies on the impact of trade liberalisation on food security; John Madeley; Forum Syd; Stockholm 2000. Meer informatie: www.forumsyd.se

2. Uit een elektronisch debat over globalisering, georganiseerd door de Wereldbank en het Panos Instituut; mei 2000. Uit hoofdstuk 6 van Trade and Hunger. Meer informatie: www.worldbank.org/devforum of www.panos.org.uk

3. Dit kader is gebaseerd op hoofdstuk 27 van Trade and Hunger: ‘Dumping in Jamaica: dairy farming undermined by subsidised EU exports’. Naar een studie van Eurostep, november 1999. Meer informatie: www.oneworld.org/eurostep

4. Dit kader is gebaseerd op hoofdstuk 26 van Trade and Hunger: ‘Corn and NAFTA: an unhappy alliance’. Naar een artikel van Alejandro Nadal in Seedling, juni 2000. Meer informatie: www.grain.org

* * *


DE SOJA-REUS MOEST TERUG

gentech soja niet welkom in Europa
Zaterdagochtend 2 december, half acht. Het is koud, het is donker. Ongerust staan wat Greenpeace mensen uit België te kleumen bij de sluis in Terneuzen, waar het ‘Kanaal van Gent naar Terneuzen’ uitmondt in de Westerschelde. Ze zouden er toch al moeten zijn, de drie rubberbootjes? De spotters hebben al laten weten dat ze de ‘George’, het schip met genetisch gemanipuleerde soja uit de Verenigde Staten, waargenomen hebben. Het kan er ieder moment zijn. Daar schuiven enkele witte lampen boven de dijk. Even later draait een enorm gevaarte de monding van het kanaal in, met drie sleepboten: één linksvoor en één rechtsvoor om te trekken en één achter om bij te sturen. Het rode sluislicht springt op rood-groen en daarna op groen. De sluis is vrij, de sluisdeur is open. Waar blijven de actievoerders?
Dan duiken vanachter het gigantische stalen gevaarte twee minuscule rubber-bootjes op. Ze scheuren het schip voorbij en gaan pal voor de toegang tot de sluis liggen. (Het derde bootje had motorpech bleek; vandaar ook dat de andere twee zo laat waren.)
Het begint te schemeren - nog kolossaler tekent het silhouet van het bulkschip zich af tegen de lucht. Nog nietiger lijkt het groepje actievoerders dat begonnen is een spandoek op te hangen tussen de twee dukdalven voor de sluis. De George, met 62.000 ton gentech soja aan boord voor een fabriek van de Amerikaanse agro-reus Cargill in Gent, ligt stil. De sleepboten trekken niet meer. Via de marifoon informeert een sleepbootkapitein kwaad of de actievoerders misschien geplet willen worden. “En dat spandoek, daar varen we dwars doorheen.”

Dan beginnen de sleepboten weer te trekken. Langzaam, maar onverbiddelijk zet het gevaarte zich in beweging. Als het schip vervaarlijk dichtbij gekomen is, stopt het opnieuw. De achterste sleepboot maakt zich los van de kolos en vaart naar de actievoerders. De bemanning schreeuwt hen vanalles toe. Onverstoorbaar gaan deze verder, vlak voor de ingang van de sluis.


De diepgang van het bulkschip is twaalf meter. Hoogtij is al bijna twee uur voorbij. Nog even en het water zal weer gaan dalen. Snel moet de kapitein een beslissing nemen, in overleg met de loods die aan boord is. Nog even en de Westerschelde zal te ondiep zijn om terug te varen. Maar als het schip voor de sluis blijft liggen zal het zeker aan de grond lopen en dan misschien breken. De actievoerders zijn niet van plan opzij te gaan.
De sleepboot die naar de rubberboten is gevaren, vertrekt weer naar de achterkant van het schip en maakt zich daar vast. Een vierde sleepboot komt in volle snelheid over de Westerschelde aangevaren en maakt ook achter vast. Het sluislicht springt van groen op rood. Beweegt het grote schip, of beweegt het niet? Het lijkt van wel? En dan is het duidelijk: meter voor meter schuift de kolos naar achteren! De actievoerders juichen, kloppen elkaar op de schouders. Eén van hen geeft via de mobiele telefoon een life verslag op de radio. De kapitein heeft eieren voor zijn geld gekozen, de reus trekt zich terug.

Ondertussen is het licht geworden.


De actie tegen gentech reus Cargill is voorpagina-nieuws in België, de Nederlandse journaals geven beelden en de BBC bericht erover, evenals de Herald Tribune uit de Verenigde Staten: gentech soja is niet welkom in Europa.
Amerikaanse graanreus Cargill besmet het veevoer
Uit een persbericht van Greenpeace België van 3 december 2000: “De markt voor menselijke voeding in België is vandaag zo goed als GGO-vrij. (GGO = genetisch gemanipuleerde organismen) Alle grote voedselproducenten en supermarktketens hebben GGO-voeding de rug toe gekeerd. De besmetting van de voedselketen met GGO’s via het achterpoortje van de dierenvoeding gaat echter op grote schaal voort. Zo worden kippen, varkens en runderen nog steeds met GGO’s gevoederd. Voor het milieu maakt het geen verschil of de verbouwde gewassen voor de markt van de menselijke voeding, dan wel de dierlijke voeding bestemd is: de milieuschade is dezelfde.

Uit een onderzoek van INRA-Belgium bleek dat 84 procent van de Belgische bevolking niet wenst geconfronteerd te worden met voeding van dierlijke oorsprong (melk, eieren, kaas, gevogelte vlees, ...) afkomstig van met GGO’s gevoede dieren. De drie grootste Belgische distributeurs (Carrefour-GB, Delhaize-De Leeuw en Colruyt) hebben zich bij Greenpeace aangesloten en wensen deze producten te betrekken uit een GGO-vrije voedingsketen.


Uit verdere gesprekken die Greenpeace voerde met de diverse actoren in de voedingsketen (van de producenten van dierenvoer tot de distributie) blijkt overduidelijk dat de sector aan de vraag van de consument en de distributiesector wenst tegemoet te komen en dus GGO-vrije grondstoffen wenst om de dieren te voederen. Er is slechts één schakel in de keten die fundamenteel dwars ligt: de Amerikaanse graanreus Cargill die systema-tisch GGO-vrije soja vermengt met genetisch gemanipuleerde ‘Roundup Ready’-soja van Monsanto. Dit hoeft geen verwondering te wekken voor wie weet dat Cargill en Monsanto nauw met elkaar verweven zijn in een poging om een wereldwijde markt voor GGO-voeding te creëren.

Door het systematisch besmetten van de conventionele grondstoffen wil Cargill ten allen koste het GGO-experiment van Monsanto redden. Ze maakt hierbij op brutale wijze gebruik van haar kwasi-monopoliepositie op de Belgische markt. Enkel de grootste producent van dierenvoeder staat sterk genoeg om zelf grondstoffen in te voeren. De eis van Greenpeace is dan ook overduidelijk: Cargill moet ophouden met het besmetten van natuurlijke sojaladingen met GGO’s van Monsanto. Voortaan zijn enkel nog GGO-vrije grondstoffen voor onze (dieren)voeding welkom.”



Genetisch gemanipuleerde soja in het veevoer
Uit het rapport van Greenpeace België ‘GGO’s in de voeding: het einde van het verhaal?’: “Soja is wereldwijd het meest verbouwde transgene (= genetisch gemanipuleerde) gewas [1] en de belangrijkste bron van proteïnen (= eiwitten) in dierenvoeder.
Soja wordt vaak aangeboden in de vorm van ‘schroot’: soja waaraan een gedeelte van de olie is onttrokken. Dit proteïnerijke product is een van de belangrijkste ingrediënten van het voeder van gevogelte en varkens [2]: sojaschroot vormt 20 procent van het voeder van kippen. Voor kalkoenen kan soja tot 30 procent van het dieet uitmaken. Varkens werken tot 15 procent aan soja naar binnen. Sojaschroot wordt ook gebruikt voor vee, maar in minder belangrijke hoeveelheden. Vissen uit visteelt (zalm en forel) worden gevoed met plantaardige proteïnen en olies. Soja is een van de belangrijkste bestanddelen [3]. Soja is het belangrijkste exportgewas van de Verenigde Staten. In 1999 werden er 30 miljoen hectaren geplant, vooral in de staten Illinois, Iowa en Ohio [4].
In 1999 werd op 57 procent van de oppervlakte waarop soja werd verbouwd, gewerkt met een transgene variëteit geproduceerd door Monsanto [5] (in 2000 is dit percentage gezakt naar 54 procent, de eerste daling sedert het invoeren van transgene gewassen [6]).

In Argentinië, derde grootste producent van soja na de Verenigde Staten en Brazilië, wordt op ongeveer 90 procent van de zeven miljoen hectaren soja gewerkt met de transgene variëteit van Monsanto [7].

Samen vertegenwoordigen deze twee landen (Argentinië en de Verenigde Staten) meer dan 99 procent van de genetisch gemanipuleerde sojateelten [8].
Monsanto is ook de producent van de meest verkochte onkruidverdelger ter wereld: glyphosaat (beter bekend onder zijn commerciële benaming ‘Roundup’). Deze complete herbicide elimineert - de naam zegt het al - alle planten, niet alleen de geviseerde (= beoogde) schadelijke variëteiten. De transgene soja van Monsanto is gemanipuleerd om resistentie te bieden tegen Roundup, ook indien toegepast in grote hoeveelheden. Zo kunnen landbouwers hun velden zo vaak besproeien als ze wensen, zonder gevaar voor de soja.

Monsanto brengt zijn transgene, Roundup-resistente soja en de onkruidverdelger Roundup zelf als een ‘package’ op de markt. Monsanto verkoopt zijn Roundup-resistente planten via zaadhandelaren als Pioneer, Cargill en Asgrow.

In de Verenigde Staten wordt soja verbouwd van februari tot oktober. Na de oogst brengen de landbouwers de sojascheuten naar de lokale coöperatives en naar silo’s. Een groot deel van die silo’s is eigendom van Cargill. De sojascheuten die bestemd zijn voor export worden per schip of per trein naar de belangrijkste havens getransporteerd.
De transgene soja wordt opzettelijk vermengd met conventionele soja, bij de oogst of in de silo’s.

Gevolg: vrijwel de volledige soja-opbrengst van de Verenigde Staten (75 miljoen ton in 1999 [9] ) is aangetast.

Bijna één derde van die aangetaste oogst (22 miljoen ton) wordt dan uitgevoerd, meer bepaald naar Europa en Japan [10].


Noten

1. 54 procent van de transgene oppervlaktes ter wereld. Bron: ISAAA, Global status of commercialized transgenic crops: 1999, no. 17-2000.

2. Reuters, ‘What goes into animal feed?’, 22 juli 1999.

3. www.fishlink.com/bocmpauls/html/productcats.html

4. http://usda.mannlib.cornell.edu/reports/nassr/field/pcp-bb/1999/

crop1099.txt

5. idem.

6. Bron: Soya blue book 2001.

7. Bron: ISAAA, Global status of commercialized transgenic crops: 1999, no. 17-2000.

8. Idem.


9. www.fas.usda.gov/oilseeds/circular/1999/99-11/table4.pdf

10. www.fas.usda.gov/oilseeds/circular/1999/99-11/table5.pdf


Bronnen

Eigen waarneming en persberichten en rapport van Greenpeace België:

www.greenpeace.be

* * *


VRIENDIN VAN DE AGRO-CONCERNS

Bush kiest Ann Veneman als landbouwminister
Boeren in de Derde Wereld en liefhebbers van gentechvrij voedsel in de Verenigde Staten kunnen hun borst nat maken. Ann Veneman, de gedoodverfde landbouwminister onder president Bush, is een voorstander van “het openen van markten” (lees het dumpen van Amerikaanse landbouwoverschotten in de Derde Wereld en Europa) en is enthousiast over “biotechnologie” (lees genetische manipulatie).
Een vluchtige blik in de C.V. van Veneman verklaart veel. Vanaf 1986 tot 1989 was zij topambtenaar van het Amerikaanse Landbouwministerie op de afdeling buitenland (USDA Foreign Agricultural Service). In die functie was ze actief betrokken bij de onderhandelingen over de vrijhandelsverdragen GATT, NAFTA en US-Canada Free Trade Agreement.

Van ‘89 tot ‘91 was ze onder-staatssecretaris buitenlandse zaken en handels-goederen van het zelfde ministerie. Daarna was ze tot 1993 staatssecretaris.

Vervolgens werkte ze van 1993 tot 1995 voor een invloedrijk advocatenkantoor annex lobby-bureau. Daar had ze onder andere Dole Foods Company als cliënt, ‘s werelds grootste producent van groente en fruit. In die periode was ze ook directielid van Calgene, een bekende gentechfirma die later door Monsanto opgekocht is.

Van ‘95 tot ‘99 was Veneman minister voor Voedsel en Landbouw in Californië. Ze zette zich daar in voor meer export en moderne techniek. Sindsdien werkt ze weer op een advocatenkantoor.

Bush heeft haar voorgedragen als landbouwminister en aangezien ze vertrouwen geniet in het Congres onder zowel Republikeinen als Democraten, moet het raar lopen als ze deze functie niet krijgt.
In 1995 verklaarde Veneman in een interview: “Als je met mensen uit de landbouwsector praat over wat de overheid voor hen kan doen, is het altijd: ‘Help ons markten te openen die voor ons gesloten zijn’. (..) Ik denk dat dat een heel legitieme rol is die we kunnen spelen.”

In 2000 zei ze op een congres over biotechnologie: “We zijn eenvoudigweg niet in staat de wereld te voeden zonder biotechnologie.” [1]



Afkortingen

GATT - General Agreement on Tariffs and Trade; wereldvrijhandelsverdrag.

NAFTA - North American Free Trade Agreement; vrijhandelsverdrag tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico.

USDA - United States Department of Agriculture; Amerikaans ministerie van Landbouw

WTO - World Trade Organisation; Wereld Handelsorganisatie, opvolger van de GATT.
Bronnen en noot

Dit artikel is gebaseerd op ‘Ann Veneman named new USDA Secretary emphasizes “free trade” and genetic engineering’; A.V. Krebs; en twee andere artikelen, alle verspreid door het IATP. Meer informatie: ag-impact@iatp.org


1. Dit argument wordt vaak gebruikt door de gentech-industrie. Voor een beschouwing over ‘honger en verhoging van de landbouwproduktie’ zie hoofdstuk 18 van het boek Duistere Machten.

* * *


INTERNATIONALE KARAVAAN TREKT DOOR AZIË

acties tegen landbouwgif-concerns
Landbouw en voedsel zonder gif, dat is het ideaal van de ‘Volkskaravaan 2000’ die door Azië trekt [1 ] . Op initiatief van het Pesticide Action Network en verschillende vrouwen-, boeren- en plattelandsorganisaties uit India, Bangladesh, de Filippijnen, Indonesië, Japan, Korea en Amerika trekken enkele tientallen activisten en boeren uit vijf verschillende Aziatische landen door het continent.

Half november begon de tocht in Tamil Nadu (Zuid-India). Daarna bezocht de karavaan Bangladesh, terwijl er gelijktijdig acties waren in Japan, Korea en Indonesië. Eind november was de groep een week op de Filippijnen. Daar spraken de activisten op bijeenkomsten met boeren, gaven persconferenties, namen deel aan een ‘Veilig Voedsel Festival’ en hielden een picket line bij een kantoor van Monsanto en een nachtwake bij het ministerie van Landbouw.


Op de laatste dag van hun bezoek demonstreerde de karavaan samen met zo’n 1500 Filippijnse boeren bij de Amerikaanse ambassade tegen globalisering en voor een werkelijke landhervorming die gericht is op sociale rechtvaardigheid, het voorkómen van honger en op voedsel zonder gif.

Volgens de activisten en boeren van de karavaan stimuleren grote en meestal Westerse concerns het gebruik van veel landbouwgif in combinatie met kostbare (gentech) zaden, die een hoge opbrengst zouden garanderen.

Rafaël Mariano, voorzitter van de KMP (Filippijnse koepel van organisaties van kleine boeren), verklaarde: “Een jaar geleden barstten er in Seattle massale protesten los tegen de WTO. Wij zullen ons blijven verzetten tegen vrijhandel, privatisering en deregulering, zolang deze een ravage blijven aanrichten in het bestaan van kleine boeren.” En doelend op de karavaan: “Wij hebben een internationaal samenwerkingsverband gesmeed tegen de agrochemie-multi-nationals om onze strijd tegen deze bedrijven voort te zetten.”

Bron en noot

Dit artikel is gebaseerd op een drietal persberichten van de KMP. Meer informatie: www.geocities.com/kmp_ph


1. De ‘People’s Caravan 2000’ wordt georganiseerd door:

= het Pesticide Action Network Asia and the Pacific (PAN-AP), = het Tamil Nadu Women’s Forum, de Society for Rural Education and Development, CIKS en PREPARE uit India,

= de UBINIG (Policy Research for Development Alternatives), de Nayakrishi Andolon (New Agriculture Movement) en de SHISUK uit Bangladesh,

= de Kilusang Magbubukid ng Pilipinas (KMP) uit de Filippijnen,

= Gita Pertiwi uit Indonesië,

= NESSFE uit Japan,

= CACPK uit Korea en

= Food First uit de Verenigde Staten.

* * *

GEEN GENTECH, MAAR ‘LOKALE AGRO-BIODIVERSITEIT’

brochure over gentech in de Derde Wereld
Is gentech een veelbelovende nieuwe techniek die de honger in de Derde Wereld kan terugdringen? Helemaal niet, menen Milieudefensie en de ontwikkelings-organisatie Hivos. Eind november organiseerden zij een symposium over deze vraag en nodigde daarvoor drie landbouwdeskundigen uit het Zuiden uit die veel te maken hebben met kleine boeren.

Onlangs verscheen er een helder, informatief, beknopt en leesbaar verslag van de bijeenkomst onder de titel: Na de Groene Revolutie de Genen Revolutie? - vraagtekens bij gentechnologie in ontwikkelingslanden.


Milieudefensie en Hivos winden er geen doekjes om: “Alle veronderstelde mogelijk-heden van genetische manipulatie voor verbetering van de wereldvoedselsituatie ten spijt, de realiteit is ontnuchterend. Driekwart van alle GGO’s (Genetisch Gemodifi-ceerde Organismen) die in 1999 wereldwijd commercieel werden verbouwd zijn herbicidetolerante variëteiten (gewassen die immuun zijn voor een heftige onkruidverdelger zoals bijvoorbeeld Roundup van Monsanto, zodat een boer net zo vaak kan spuiten als hij wil - jps). Voorlopig dienen GGO’s in de landbouwpraktijk dan ook vooral de belangen van agrochemische industrie. Dit gebeurt door middel van bevordering van koppelverkoop (zaaigoed en bestrijdingsmiddel). Men richt zich op grootschalige producenten die exportgericht produceren en intensief gebruik maken van chemicaliën. Ook met de verandering in samenstelling van de gewassen wordt vaak het belang van de industrie gediend, bijvoorbeeld door landbouw-produkten beter geschikt te maken voor industriële verwerking. Nog los van het realiteitsgehalte van claims dat GGO’s zouden bijdragen aan een efficiëntere landbouw of aan het oplossen van het wereldvoedselprobleem, laat de huidige praktijk ondubbelzinnig zien dat dit vooralsnog niet de intenties van de gentech-industrie zijn, maar eerder gelegenheidsargumenten.”
(..)
“Door eenzijdige voorlichting, ‘valse’ subsidies en koppelverkoop (genetisch gemanipuleerd zaad + chemicaliën + krediet) worden boeren in een afhankelijk-heidspositie gebracht. De ervaring leert dat wanneer zelfvoorzienende boeren nieuwe zaden en ander inputs samen met een kredietregeling wordt aangeboden, een groot aantal van hen niet genoeg opbrengst kan genereren om de schulden die ze hiervoor zijn aangegaan terug te betalen. In veel gevallen zien ze zich gedwongen hun land te verkopen om de schulden af te lossen. Grotere, commerciële boeren kopen dit land op en bewerken dit met landbouwmachines en niet met menskracht, waardoor de werkgelegenheid in de landbouw afneemt. Net als tijdens de Groene Revolutie is een nieuwe golf van faillissementen en toegenomen werkeloosheid het resultaat. In Punjab (India) reduceerde de Groene Revolutie tussen 1970 en 1980 het aantal kleine boerderijen met een kwart. In de Pampa van Argentinië nam door intensivering van de soja-teelt, waarbij sinds 1996 op grote schaal gebruik wordt gemaakt van (de genetisch gemanipuleerde) Roundup Ready-variëteiten, het aantal producenten met een derde af en is de helft van het land al niet meer in handen van de boeren die de grond bewerken.”
(..)
“Grootschaligheid is geen garantie voor efficiëntie. Kleinschaligheid overigens ook niet. De manier van bewerking is doorslaggevend. Wat de opbrengst per hectare betreft kunnen biologische mengteelten, ook van kleine boeren, prima concurreren met chemie- en biotechnologie-intensieve teelt.

Zimbabwe - agro-biodiversiteit
Andrew Mushita, directeur van de CTDT (Community Technology Development Trust) te Zimbabwe: “Twee jaar geleden kwamen enkele Zimbabwaanse overheidsinstanties, NGO’s, vertegenwoordigers van lokale gemeenschappen en bedrijfsleven in Harare bijeen om te confereren over de toekomst van de landbouw en GGO’s in Zimbabwe. De discussie ging ondermeer in op de introductie van Bt-katoenplanten van Monsanto en de bijbehorende vraag of de kosten van met name pesticiden hierdoor konden worden teruggebracht. Veel kritische vragen werden bij de conferentie gesteld omtrent de machtspositie van grote bedrijven en omtrent de vraag of kleine boeren wel positief effect van GGO’s konden verwachten. Iedereen was het erover eens dat bedrijven monopolies zouden ontwikkelen en daarmee de prijs van zaaigoed onafhankelijk zouden kunnen bepalen. Desondanks werd besloten GGO’s tot het land toe te laten. Hierbij moesten wel strikte veiligheidsmaatregelen in acht worden genomen en mogelijke produkten moeten uitgebreide tests ondergaan. Op regeringsniveau werd een Biosafety Board opgericht, die verantwoordelijk is voor het onderzoeken en keuren van GGO’s. Civil Society organisaties in Zimbabwe staan kritisch tegenover de introductie van GGO’s. Vraagtekens worden geplaatst bij de gevaren voor milieu, biodiversiteit, voedselzekerheid en de sociaal-economische consequenties. In het bedrijfsleven en de universiteitswereld zijn de voorstanders te vinden.

(..) Zelfvoorziening bestrijdt honger. Spil hierbij is het duurzaam gebruik van lokale agro-biodiversiteit. Bij boeren is een enorm potentieel aan landbouw-kennis aanwezig, die van nature verbonden is aan biodiversiteit. Brede erkenning en verspreiding hiervan is essentieel. Algemeen toegankelijke zaadvoorraden en medezeggenschap bij de verdeling ervan is een belangrijk middel bij het bestrijden van honger. Het behoud van divers genetisch materiaal verzekert de boer van uitgangsmateriaal dat zelfvoorziening kan garanderen. Wij werken aan de ontwikkeling en distributie van hoog-waardige zaden. We stimuleren het bewaren van zaden in gemeenschap-pelijke zaadbanken en ondersteunen het verwerken tot produkten van inheemse gewassen voor lokale markten.”



India - Neem-boom
Wat zijn de gevolgen van de patenten op planten en dieren voor de bewoners van de Derde Wereld? De kwestie van de Neem-boom maakt veel duidelijk. Deze boom is een van oorsprong Indiaas en is de afgelopen eeuwen in veel andere (sub)tropische landen is geïntroduceerd. ‘Neem-boom’ betekent ‘vrije boom’, of ‘gratis boom’, alle produkten waren namelijk vrij toegankelijk voor iedereen. Neem beschikt over heilzame en antiseptische eigenschappen. Vrijwel iedereen in India is vertrouwd met de werking ervan. Miljoenen Indiërs verwerken de bestanddelen van de boom nog steeds zelf. Ook is er een groot assortiment produkten op Neem-basis verkrijgbaar, van kosmeti-ca en tandpasta tot bestrijdingsmiddelen. Op deze artikelen is nooit octrooi aangevraagd, want dat is verboden in India als het gaat om agrarische en medicinale produkten.
Groot was dan ook de schrik toen begin jaren ‘90 bleek dat in Europa en de Verenigde Staten patenten waren toegekend aan tientallen Neem-produkten. Protest werd aangetekend door maatschappelijke organisaties. Het conflict groeide uit tot een bitter internationaal debat over ethiek en intellectueel eigendomsrecht. Eén van de patentaanvragen betrof een schimmelbestrijder die uit olie van Neem-zaden wordt geëxtraheerd. Het octrooi veroorzaakte een prijsstijging van de schimmelbestrijder, waardoor het voor lokale boeren, die niet zelf over Neem beschikken, onbereikbaar werd. Het patent werd aangevochten door een coalitie van maatschappelijke organisaties uit zowel Zuidelijke als Westerse landen met als argument dat het schimmelbestrijdend effect al eeuwen bekend is en breed wordt gebruikt. De coalitie werd in het gelijk gesteld. Volgens het Europees octrooirecht is de Neem-schimmelbestrijder geen uitvinding. Na deze overwinning riep de coalitie het Europees Patentbureau op om alle bestaande en in behandeling zijnde Neem-patenten af te wijzen.

De Neem is maar één voorbeeld in een lange rij van gewassen die door patentering in handen (dreigen) te komen van bedrijven uit het Westen.


Filippijnen - ‘gouden’ rijst
Elenita Daño van het Southeast Asia Regional Institute for Community Education, gelooft niet in de beloften van ‘gouden rijst’: “Het is ronduit ironisch dat de ‘gouden rijst’ ontwikkeld wordt voor landen die van oudsher bekend staan om hun diversiteit aan vitamine A-rijke gewassen. De boerenfamilies die nu gebrek lijden waren eens de verbouwers van zeer voedzame en vitaminerijke gewassen. Nog ironischer is het dat de Groene Revolutie, die erop was gericht om de produktie van bulkgewassen als rijst en graan te verhogen, de hoofdoorzaak is van het vitamine- en mineralengebrek, zoals zich dat de afgelopen dertig jaar heeft voorgedaan in de landen die ‘fenomenale’ produktiestijgingen van graan hebben gekend, zoals India. In de Filippijnen krijgen nog steeds alleen die boeren krediet of verzekering, die bepaalde gecertificeerde zaden, kunstmest en pesticiden gebruiken. De intensieve landbouw, de monoculturen en het gebrek aan biodiversiteit, die de Groene Revolutie kenmerkten, zijn de hoofdschuldigen bij het ontstaan van vitaminegebrek in de boerengemeenschappen vanaf de jaren ‘70. Veel grond waar voorheen vitaminerijke gewassen groeiden, werd omgeploegd voor het verbouwen van rijst en graan. In deze gebieden veranderde het voedingspatroon dan ook radicaal.”
Daño ziet veel overeenkomsten tussen de Groene Revolutie en de Genen Revolutie. “Dezelfde spelers die nu ‘gouden rijst’ promoten, promootten indertijd de Groene Revolutie: organisaties als het onderzoeksinstituut IRRI en de Rockefeller Foundation. Dezelfde instituten die de problemen in eerste instantie veroorzaakt hebben, schrijven nu eenzelfde soort ‘oplossing’ voor. Terwijl er een beter alternatief is: het verschaffen van toegang tot goedkope, natuurlijke voedingsbronnen en het voorlichten van de bevolking over goede en vitaminerijke voeding. Maar in plaats van dat te ondersteunen wordt ‘gouden rijst’ als oplossing aangedragen. Deze ‘oplossing’ bevordert unifor-miteit in plaats van diversiteit, en verdoezelt het feit dat vitaminegebrek een produkt is van armoede, ongelijkheid en gebrekkige toegang tot natuurlijke hulpbronnen.
Terwijl zaadfirma Zeneca trots verkondigt dat ze de technologie gratis aan boeren in het Zuiden ter beschikking stelt, zijn er nog veel onduidelijkheden over de manier waarop deze belofte zal worden verwezenlijkt. Er rusten immers nog zeven patenten op produkten en produktieprocessen die bij de ontwikkeling van vitamine A-rijst gebruikt worden. Publieke onderzoeks-instellingen mogen dan wel gratis gebruik maken van de onderzoeks-resultaten om met overheidsgeld verder onderzoek te doen, het is onwaarschijnlijk dat het eindprodukt de boeren in het Zuiden gratis ter beschikking komt.”
Toch blijft Daño optimistisch over de toekomst: “Ondanks de schade die de Groene Revolutie heeft aangericht is in rurale gemeenschappen veel traditionele landbouwkennis bewaard gebleven, evenals positieve tradities zoals de vrije uitwisseling van zaden en kennis. Nog steeds bewaren boeren zaden en kweken ze hun eigen variëteiten. Vaak ook met behulp van uitkruising met moderne soorten. Zo ontstaan nieuwe, aan de specifieke eisen van de lokale omgeving aangepaste gewassen. Hierdoor geïnspireerd zijn maatschappelijke organisaties ontstaan die zich ten doel stellen boeren de toegang en de controle over hun genetische bronnen terug te geven en het traditionele kennis(uitwisselings)systeem te ondersteunen. Het zaaigoed van Zuidelijke boeren blijkt vaak net zo goed te zijn als het moderne en soms zelfs beter. Gezamenlijk met organisaties van kritische consumenten in stedelijke gebieden en het Noorden kunnen Zuidelijke boerenorganisaties met hun kennis een tegenwicht bieden aan het dominante, door het bedrijfsleven gestuurde, landbouwonderzoek.”
Bron

Dit artikel bestaat uit licht bewerkte fragmenten uit: Na de Groene Revolutie de Genen Revolutie? - vraagtekens bij gentechnologie in ontwikkelingslanden; Milieu-defensie en Hivos; Amsterdam en Den Haag, 2001; in totaal 19 pagina’s.

Brochure bestellen: bel Milieudefensie: 020 62 62 620.

Meer informatie: www.milieudefensie.nl en www.hivos.nl

* * *

ZELFVOORZIENINGS-ECONOMIE, DE ZEUG EN DE PLOEG

overpeinzingen van een boerendochter en sociologe
Als we het over ‘de economie’ hebben, hebben we het meestal over de geld-economie. Toch zijn er naast deze economie, nog twee andere economieën (grote ‘huishoudens’, complexe stelsels van activiteiten die op elkaar aansluiten) die van belang zijn voor de bevrediging van onze materiële behoeften. Het zijn de economie van de natuur (bijvoorbeeld de kringloop van het water) en de niet-geld-economie, de economie van het onbetaalde werk. Maria Mies en Veronika Bennholdt-Thomsen vinden deze economie zo belangrijk dat ze er een heel boek aan wijdden: The Subsistence Perspective. Naar hun idee zou een herwaardering van de niet-geld-economie, de zelfvoorzieningseconomie, een oplossing kunnen bieden voor de wereldwijde sociale problemen van onze tijd. In een komend nummer van ‘Land en Stad’ zal ik zeker op het boek terug komen. Nu zal ik alvast een paar sprekende anekdotes navertellen.

De zeug
De kritische sociologe Maria Mies is zelf een boerendochter. Ze is opgegroeid in een dorpje in de Eifel. Zij herinnert zich nog dat haar moeder in februari of maart 1945 besloot met haar zeug naar de beer te gaan, in een dorp verderop. Dat was eigenlijk een normale zaak, want in die streek zorgden de boerinnen voor de varkens en verdienden daar ook wat geld mee, wat ze zelf beheerden. Maar dit jaar verklaarden de mensen uit het dorp haar voor gek. Het westelijk front was immers vlakbij, de oorlog was zo goed als verloren en daarmee was toch alles verkeken. De meeste boeren hadden hun vee geslacht en hadden niet meer geploegd of gezaaid. Want dat alles was nu toch zinloos. Maar Maria’s moeder reageerde met: “Het leven gaat door”.
Eind mei kreeg de zeug twaalf biggetjes. Stuk voor stuk keerden alle vijf broers van Maria terug uit de oorlog. Geld was niks meer waard en Maria’s moeder ruilde biggetjes voor schoenen, broeken, hemden en jassen. Ze had gelijk: het leven ging door. Maria: “Dat zei ze altijd: ‘Het leven moet doorgaan’. Dat was haar grote wens, haar hartstocht. (..) Maar ze wist ook dat ze daarvoor moest handelen, dat ze moest samenwerken met de natuur, zodat het leven door kòn gaan.”

De ploeg
Een paar jaar geleden was Maria Mies te gast op een conferentie in Trier waar de beroemde professor Jozef Weizenbaum van het befaamde Amerikaanse onderzoeks-instituut MIT een lezing hield. De geleerde was vroeger computerspecialist geweest, maar was nu een radicale tegenstander van alles wat met computers te maken had, en speciaal van kunstmatige intelligentie. Na de inleiding kwamen allerlei deskundigen aan het woord, waarbij de ene een nog zwarter toekomstbeeld schilderde als de ander.

Mies kon al dit pessimisme niet verdragen en sprak: “Laten we alsjeblieft niet vergeten waar we zijn. We zijn in Trier, temidden van de ruïnes van wat eens een van de belangrijkste steden van het Romeinse Rijk was. Toen dat rijk instortte dachtten mensen dat dit het eind van de wereld was. Maar de wereld eindigde niet met het einde van het Romeinse Rijk. Mijn vader, die een boer was in de Eifel, stootte bij het ploegen geregeld op stenen van de Romeinse weg die Trier met Keulen verbond. Op deze weg, waar Romeinse legioenen hadden gemarcheerd was gras gegroeid, en nu verbouwden we er onze aardappelen.”

Deze opmerkingen waren professor Weizenbaum te gortig. Kwaad wendde hij zich tot Mies met de opmerking dat na de onafwendbare catastrofe er zelfs geen grassprietje meer zou groeien. “We moeten ons realiseren dat we voor één groot zwart gat staan. Daarna is er niets meer, geen enkele hoop.” Na nog wat kwaaie opmerkingen heen en weer liet Mies de heren alleen met hun zwarte gaten.
Toen Mies later nog eens nadacht over het gebeurde viel het haar op dat er een verband lijkt te bestaan tussen technologische almacht en politieke onmacht. “Jozef Weizenbaum is een van die prominente mannelijke wetenschappers, die op het eind van hun leven vol afschuw terugkijken op zichzelf en hun werk, als zij beseffen dat de god waaraan zij hun hele leven gewijd hebben - wetenschappelijke vooruitgang - een Moloch is die zijn eigen kinderen opvreet. Sommige van deze mannen bekeren zich van een Saulus tot een Paulus. Maar meestal geven zij de megalomanie van de moderne wetenschap niet op. Als zij de problemen van de mensheid niet kunnen oplossen met de almachtige wetenschap en techniek, dan zal de catastrofe tenminste volledig en allesomvattend moeten zijn. Er mag zelfs geen enkel grassprietje groeien op de ruïnes van hun daden. Wanneer het patriarchale project met donder en bliksem instort, dan zal en moet de hele wereld ook instorten. Haar toekomst en alles moet wegzakken in een moeras van het niet. Iedereen die tegenover zo’n apocalyptisch scenario blijft praten over ‘leven’, ‘aardappelen’, ‘zelfvoorziening’, ‘hoop’, ‘toekomst’ of ‘perspectief’ moet aangevallen worden als een vijand. Almachts-waanzin en onmachts-waanzin zijn twee kanten van dezelfde munt.

Het beeld van mijn vader achter de ploeg op de oude Romeinse weg staat voor een ander filosofie, een andere logica. Voor de meeste mannelijke - en ook sommige vrouwelijke - wetenschappers is de logica van de zelfvoorziening moeilijk te vatten. De kern daarvan kan niet omschreven worden met ‘het leven gaat vanzelf wel verder’ (‘de natuur hernieuwt zichzelf’, of ‘gras groeit uit zichzelf’), noch met ‘wij mensen kunnen de natuur controleren’. Het verschil tussen oriëntatie op zelfvoorziening en wetenschappelijke almachtswaanzin is het besef dat het leven zichzelf niet eenvoudigweg hernieuwt, en dat het ook geen uitvinding is van ingenieurs. Maar dat wij als natuurlijke wezens met de natuur moeten samenwerken als we willen dat het leven voortgaat.”


Bron

The Subsistence Perspective - beyond the globalised economy; Maria Mies en Veronika Bennholdt-Thomsen; Zed Books; Londen 1999; 246 pagina’s; ongeveer 50 gulden.

* * *


INDIASE BOEREN RUKKEN GENTECH KATOENSTRUIKEN UIT

voorbereiding grootse actie tegen globalisering
Op 3 januari trokken ruim honderd actievoerders alle gentech katoenplanten uit de grond bij een proefveld in Savalanga, een dorpje in Zuid-India. Het ging om leden van de Hasiru Sene (Groene Brigade), de jongerenorganisatie van de radicale boerenorganisatie KRRS uit de Zuid-Indiase deelstaat Karnataka. De politie was wel aanwezig bij de actie, maar greep niet in, aangezien de activisten ruim in de meerderheid waren.
Twee boerenleiders, Mahanta Nanjundaswamy van de KRRS en Choudhary Mahendra Singh Tikait van de BKU, klommen op een aanhangwagen en spraken de jonge boeren toe. Volgens hen brengt genetische manipulatie niet alleen schade toe aan het milieu, maar bedreigt zij ook de traditionele inheemse landbouwmethoden, die hun bestaansrecht bewezen hebben in de loop van vele eeuwen. Zowel de BKU als de KRRS zijn vast besloten de introductie van genetisch gemanipuleerde zaden te verhinderen.
De eigenaar van de akker, de boer Gangadharaiah, verklaarde geen problemen te hebben met de actie. Een grote Indiase zaadfirma, Mahyco, had hen gevraagd tegen betaling experimenteel katoenzaad in te zaaien, zonder hem te vertellen dat het om genetisch gemanipuleerd zaad ging. Mahyco is gedeeltelijk in handen van de Amerikaanse gentech gigant Monsanto.

Ook in 1998 rooiden actievoerders van verschillende organisaties gentech proefvelden in de Indiase deelstaten Karnataka en Andra Pradesh. Dit leverde hen veel publiciteit op.



Ossenkarren-karavaan
Ondertussen lopen alweer de voorbereidingen van een nieuwe actie: op 19 februari zullen vele tienduizenden Indiase boeren uit verschillende deelstaten in de haven van Mumbai (Bombay) geïmporteerde landbouwprodukten in het water smijten.

Ter voorbereiding van de actie en om boeren te wijzen op de gevaren van de dumping van goedkope landbouwprodukten, de introductie van genetisch gemanipuleerde zaden, en de lakse uitvoering van de landhervormingswetten trekt er nu een karavaan van ossenkarren door de deelstaten Kerala, Tamil Nadu, Andhra Pradesh, Karnataka en Maharastra. Een tweede actiekaravaan vertrekt uit Kashmir.

De ossenkarren-karavaan is een verwijzing naar de tocht met ossenkarren die Gandhi organiseerde tegen de Britse zout-belasting. Deze satyagraha (actie tocht, eigenlijk zoektocht naar de waarheid) was een hoogtepunt in de succesvolle onafhankelijkheidsstrijd.

Bronnen

* Persberichten van de KRRS,

* ‘KRRS activists destroy Bt cotton crop’; The Hindu (Shimoga Edition); 4 januari 2001.

* ‘Ryots destroy Bt cotton’; Deccan Herald; 4 januari 2001; www.deccan herald.com/deccanherald/jan04/s8a.htm

* ‘Freedom Week Celebrations’; Ashok Emani; Bija, the seed - a quarterly monitor on biodiversity, biotechnology and intellectual property rights; New Delhi, begin 2000; nummer 25/26; pagina 15.

* * *






1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina