Over de negenkoten en andere anekdoten !



Dovnload 16.24 Kb.
Datum03.10.2016
Grootte16.24 Kb.

Over de negenkoten en andere anekdoten

Over de negenkoten en andere anekdoten !

De negenkoten
Sinds begin 1800 stonden hier negen woningen ondergebracht in 7 huizen want er waren twee tweewoonsten bij. De laatste eigenaars waren de Tsjoens die een tweewoonst bezat. Octaaf Geenens was eigenaar van zes huisjes. Octaaf had die woningen gekocht van enen Emiel Vandewaele uit Leupegem. Tegen 1950 waren de woningen volledig onderkomen. Ze waren afgeleefd, enkel het dak was nog in goede staat. Het laatste huurgeld bedroeg 150 fr per maand. Een na een werden de woningen verlaten. Aldus trad de verkrotting snel in en werd het geheel onbewoonbaar verklaard. Daarom werd besloten de woningen in de zomer van 1958 af te breken. Als tegenwaarde voor de afbraak kregen de eigenaars 20 000 fr slooppremie. In sommige huisjes woonde nogal een volkje. Sommigen hadden een klein pensioentje. Anderen leefden van een "trok", zeg maar een uitkering voor invaliditeit of zo. Als ze getrokken hadden kwamen ze afgezakt naar Den Osse. Met hun schaarse centen maakten ze soms grote zwier tot hun geld op was. Om verder te kunnen leven waren ze soms verplicht bij een of andere boer te gaan werken. Of ze trokken mee met de dorsmachine die van boerderij naar boerderij trok. Dan kregen ze hun kost en 5 frank per schôf (dat is 3 uren). Alma was een bijzondere figuur. Als 't goed weer was zat ze voortdurend in het bos om hout bijeen te garen. Dan sleepte ze moeizaam een grote, lange vracht staakhout het bos uit. Hoofd en schouders schraagden de zware last. In een van de woningen woonde Reynaert en zijn vrouw. Die werden tijdens een beschieting in 1944 door een Duitse obus dodelijk getroffen. Hun namen staan gegrift op de gedenksteen voor de gesneuvelden.


Iets meer naar het dorp lag den Hul maar in de volksmond "geitenhoek" genoemd, een gezellige plek met een viertal woningen, op amper 100m vogelvlucht van de negenkoten. Je kon het al raden? Elke woning had er een of meer geiten. 't Was daar soms een gemekker. De bewoners concurreerden onder mekaar over de hoeveelheid melk die hun geiten gaven en wiens geit de meeste melk gaf. Tot er werd gecontroleerd en werd uitgemaakt wie zijn melk doopte door er water bij te voegen.


OORLOG

Op het Heidje woonden Michel Gerseau met zijn vrouw en kind. Toen de vrouw even buiten kwam om met het kind op het plankier wat te wandelen werden moeder en kind dodelijk getroffen door een verdwaalde granaat.

Maurice Vanden Daele sneuvelde als vrij jonge soldaat Hij woonde naast "Den Engel". In 1944 is een Amerikaanse jager op de Bossenaer neergestort in de boomgaard van Daniël Verroken.(een deel van de neus moet nog in de grond zitten). Het nieuws van de crash was vlug gekend en nog rapper werd de cockpit geplunderd en wat niet te warm of te zwaar was werd meegenomen.


SCHOOL

In de jaren dertig deed zuster Cantara de allerkleinsten, verder was er moeder Aquilina, moeder Aphra en nadien moeder Anna. De leken onderwijzeressen waren Marietje Deraedt tot aan haar trouw, juffrouw Rachel en juffrouw Angèle.

Vanaf hun plechtige communie verlieten veel meisje de school om naar Ronse te gaan schoollopen. Sommige meisjes gingen naar de wezenschool op den Bruul te Ronse.

Meester Jan die toen les gaf in de jongensschool kwam wekelijks de zaterdagvoormiddag naar de meisjesklassen om ons les te komen overhoren. Telkens hij kwam had hij een verrassing in petto. Op het eind van zijn bezoek had hij een verrassing voor ons. Hij hield zijn twee vuisten voor zich. In een ervan zat een cent. Eén leerling mocht raden. Raadde die juist dat mocht het kind de cent aan het ja-knikkende negertje geven. En iedereen had pret.

Meester Jan, met zijn pence-nez, was een streng man. Hij was bekend voor zijn uitspraak "Vooruit gij, ga van voren op de knieën zitten gij lieleken tchudas", en dat met een accent uit het West Vlaamse Kallo.
Wieten Grielie woonde langs de Boelaerdstraat en Wieten Grielie bestond simpelweg omdat er ook een Zwarte Grielie bestond in Nukerke.
Wieten Grilie noemde volgens de burgerlijke stand eigenlijk Merchiers. Hij trouwde drie keren. Een van zijn dochters, Maria, is zelfs kloosterzuster geworden. Toen Wieten Grielie met zijn nieuw Huleke naar pastoor Dutordoir ging om zijn ondertrouw te bespreken zei die: ” Maar wat gaat gij doen? Op uwen leeftijd nog hertrouwen. Gij zoudt beter op uwen put peinzen. Binnenkort mag je er beginnen aan scharten!” Waarop Huleke zou gezegd hebben:" Ja, maar aan mijn putteke is er ook nog veel te scharten!”

Na het overlijden van Wieten Grielie hebben zijn kinderen de ouderlijke woning verkocht aan de orde van de Zusters van barmhartigheid.





Werkgelegenheid langs de Pontstraat

Gaston De Jaegher maakte hier vanachter jarenlang karren en wagens voor de boeren. Zijn werkhuis lag achter de grote toegangspoort van zijn woning hier langs de Pontstraat. De houtreserve lag in een vroeger fabrieksgebouwtje in de boomgaard. Hier werden wagens gemaakt tot 1957. Dan is de wagenmaker ziek geworden en het beroep is verdwenen want er was geen opvolger. Toekomst voor het beroep zat er niet in. Na de oorlog kenden de karrenwielen met rubberen banden snel opgang.

Het gebouwtje in de boomgaard heeft een typische fabriekvorm met zaagtanddak. Dit gebouwtje werd er na W.O.-I neergezet door een zekere De Weer om er te weefgetouwen in onder te brengen. Een bepaald moment waren er drie wevers; Omer en Richard Martens en Gilbert Vandenabeele. Ze hadden daar bij de Weer zelfs een auto om de afgewerkte bomen naar Ronse te voeren. Veel succes heeft de weverij niet gekend bovendien brachten de jaren dertig een diepe crisis, ook in de textiel. Nog vóór W.O.-II werd het textielfabriekje gesloten.
Het was reeds begin 1900 gebruikelijk dat de voorgevel van de boerenhoven gekalkt werden. Zo was dat ook met deze hoeve. Het klokje op het dak is enigszins gewijzigd en de voorgevel is getekend met de blaffeturen zodat dit beeld het oorspronkelijke uitzicht weergeeft. Astrid Geenens


H
In de volksmond “Vôsen meulen en Vôsen hoôf”
outen windmolen Ter Gheynst in volle glorie. Naar een oude foto genomen door de “kinders Moreels”.

In de achtergrond de hoeve van de familie Devos.


Een reus wordt geveld

“De hoeve met molen langs de Pontstraat.nr 62 was in de 19de eeuw eigendom van een familie Claus uit Etikhove maar werd aangekocht in 1900 door Emiel Devos, geboren te Melden in 1855, en Maria Slots, geboren in 1856. Marie Slots was zelfs van Duitse oorsprong; haar vader is hier na de oorlog waarschijnlijk in België achter gebleven. Dit gezin telde 10 kinderen, 6 zonen en 4 dochters: Clara, Oscar, Modest, René, Achiel, Maria, Octavie, Josephine, Joseph, Georges. Het klokje op het dak van de boerenwoning werd ’s middags geluid om het werkvolk te verwittigen dat het eten klaar was. Je moest een trapje op om aan een zeel te trekken. Josephine huwde met Richard Geenens. Maar 4 bleven jong en runden de boerderij tot aan de verkoop op 8 mei 1968 aan Désiré Heuvick. De jongste, Georges, is dan nog getrouwd en heeft een tijdje in de Zandberg, een café langs de Ommegangstraat, gaan wonen. Op de boerderij werden 4 paarden gehouden. Daarvoor waren er twee “kartonks”, de broers René en Oscar. Ze hadden veel land in pacht, eigendom van de familie Van Malleghem. Die hadden “grauwelijk” veel land in eigendom. Daar waren ook twee dochters in dat gezin; Christiane en Irène. Christiane kwam jaarlijks de pacht ophalen. Ze reed toen reeds met een gemotoriseerde fiets met twee grote fietszakken. En ge moest dat zien! Bij haar vertrek zaten de fietszakken vol met appels, brood, noten en boter . De familie Van Malleghem bezat toen een hele grote woning in Gent.

Het was in de tijd vóór den oorlog de gewoonte dat de meisjes meer naar school gingen dan de jongens. Bovendien, de jongens gingen enkel ’s winters naar school en bleven definitief thuis rond hun dertiende jaar. Meisjes die langer naar school gingen deden dat in de wezenschool te Ronse.”

Vozen Deestie, een van de zonen die op de hoek Pontstraat-Steenweg woonde, zat wel eens met zijn riek achter wat bengels aan die rond zijn woning kwajongensstreken uithaalden en ze met een luide “sjakerdjie” wegjoeg. Tja, ’t was in de goeden ouden tijd dat je daar op de hoek van de Pontstraat in de staminee “In den appel” een fris biertje of een “fidoelke” kon drinken.

Een reus komt ten val.

“Het was het jaar 1942. De school was pas begonnen. We zaten gezellig in de klas maar buiten blies een hevige wind. Al met eens hoorden we buiten een donderend lawaai en… een hels gekraak en…een zware plof. Stilte… Verbazing… Paniek! Het moet van ginder boven komen! Alle kinderen vluchtten van schrik de klassen uit.” De houten windmolen Ter Gheynst, in de volksmond “vôzen meulen” lag tegen de grond. Totaal vernield. Niet meer te herstellen. Een oud monument is voor altijd verdwenen. De terp met de vier teerlingen hebben we nog vele jaren gezien.



Volgens de “Inventaris van het cultuurbezit in België” is deze boerenwoonst het voormalige molenaarshuis van de verdwenen houten korenmolen Ter Gheynst. Deze oude windmolensite stond reeds vermeld in 1571 en een toelating tot de bouw van een nieuwe molen op de oude molendam werd gegeven in 1690. Hij zou volgens betrouwbare bron vernield zijn door storm op 26 april 1943.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina