Over Post en Postkantoor Hardenberg



Dovnload 35.33 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte35.33 Kb.


Over Post en Postkantoor Hardenberg

Dit jaar is het precies een eeuw geleden dat het postkantoor in de Voorstraat officieel in gebruik werd genomen. Helaas heeft het gebouw net geen honderd jaar als zodanig dienst gedaan. Begin 2005 verloor het zijn functie als postkantoor wegens terugloop van activiteiten. Het postagentschap is sindsdien gevestigd in de Primera-winkel aan het Oosteinde. In 2003 werd het voormalig postkantoor, Voorstraat 40, door de gemeenteraad aangewezen als gemeentelijk monument. Dankzij deze status zal het gebouw gehandhaafd en geïntegreerd worden in de plannen van aannemer Zweers uit Ane voor herinrichting van dit gebied - en dat alles in het kader van het Masterplan Centrum Hardenberg.

Het Gemeentearchief Hardenberg verwierf in 2005 een kleine collectie interessante stukken, afkomstig uit het oude postkantoor, van één van de oud-medewerkers. De collectie bevat onder andere een verslag van de oudste geschiedenis van het postkantoor, opgemaakt bij de officiële opening van het postkantoor na een grootscheepse verbouwing in 1938. Begin 2006 werden bij een andere schenking archivalia van de posterijen verworven, afkomstig van één van de laatste postdirecteuren. Dit artikel is gewijd aan de oudste geschiedenis van de post en met name de aanloop tot het verkrijgen van en de bouw van het hoofdpostkantoor te Hardenberg.

E. Wolbink







Over post, telegrafie en telefonie

Eigenlijk is het postbedrijf, zoals wij dat thans kennen, ontstaan op 15 januari 1799, toen de posterijen naar Frans voorbeeld omgevormd werden tot een nationale onderneming. Politici uit die tijd waren van mening dat slechts de staat over alle middelen beschikte die nodig waren voor een goede inrichting van wat men noemde de openbare vervoering van brieven. In de Franse tijd (1795-1815) profiteerde het Hollandse postsysteem van de kennis en kunde van de goed ontwikkelde Franse posterijen. Toch is het postwezen als zodanig natuurlijk veel ouder. Caius Julius Caesar Octavianus Augustus, beter bekend onder de naam Augustus, was op het gebied van post de absolute meester. Naar het voorbeeld van Cyrus vond hij aan het begin van onze jaartelling de postdiensten opnieuw uit. Nadat de Romeinen het gebied rond de Egyptische stad Memfis veroverden, raakte papyrus - gefabriceerd op basis van een water-

plant die welig tierde op de oevers van de Nijl - in zwang voor het dagelijks gebruik om op te schrijven. Voor het overbrengen van boodschappen behoefde men dan niet langer zware en onhandige materialen (als kleitabletten) te gebruiken die veel plaats innamen en breekbaar waren. De postdiensten werden in de loop van de geschiedenis meerdere keren ten val gebracht. Zo richtte Karel de Grote opnieuw een postdienst op (ca 800 n.Chr.). In het jaar 1501 benoemde Filips de Schone Frans de Tassis tot Postmeester-Generaal. De Tassis organiseerde de Europese Post met Brussel als


11





hoofdzetel. Dit betekende de geboorte van de reguliere post. In 1660 voerde Lodewijk XI de eerste staatspost in. Hij wordt algemeen beschouwd als de vader van de Franse post.


Fragment van de kadastrale kaart uit 1832 met vermelding van het Posthuis

waarbij de over te seinen letters en tekens met behulp van een seingever of seinsleutel worden omgezet in stroompjes van korte of lange duur; deze toestellen hebben zich vanaf 1852 tot op heden gehandhaafd. Typedruktoestellen maken het mogelijk telegrammen in druk-schrift over te seinen; deze toestellen waren in Nederland in gebruik van 1868 tot rond 1935.

Nadat tegen het einde van 1877 de telefoon zijn intrede had gedaan in Nederland, kwam in 1881 te Amsterdam het eerste lokale telefoonnet tot stand. Nadat Marconi's uitvinding van de draadloze telegrafie rond 1896 succesvol was gebleken werden hiermee in allerlei landen experimenten opgezet.

Het Posthuis aan de Postmeestersteeg

Al op de kadastrale kaart van 1832 treffen we in de stad Hardenberg het zogenaamde Posthuis aan, gelegen aan de Postmeestersteeg. Tegenwoordig kennen we het bewuste pand beter als grand-café De Troubadour. Het Posthuis was bij de aanvang van het kadaster eigendom van de weduwe van Derk Jan Santman, genaamd Berendina



Een mijlpaal voor de ontwikkeling van het postverkeer in Nederland was de uit 1850 stammende Wet tot vaststelling van het briefport en tot regeling van de aangelegenheden van de brievenposterij. Met de invoering van deze wet verbeterde het postwezen aanmerkelijk. Op 1 januari 1852 deed de postzegel zijn intrede in ons land; tot 1877 was het gebruik ervan echter nog vrijwillig. Uit de Postwet vloeide tevens een vervoerplicht voort voor de Posterijen t.a.v. het brievenvervoer. Voor een deel nam men dit in eigen beheer (met name het lokale brievenvervoer in kleine plaatsen), voor een deel geschiedde dit postvervoer door derden, zoals bijvoorbeeld het vervoer per spoor. Tot 1925 reisden er postambtenaren op de treinen mee, waarbij ze tijdens de reis de post behandelden; vanaf dat jaar aanvaardden de vervoermaatschappijen zelf aansprakelijkheid voor door tussenkomst van hun personeel overgebrachte postzendingen. Vanaf 1925 werd er gebruik gemaakt van nachttreinen, speciaal voor postvervoer op de drukke trajecten. Pas in 1913 begon men regelmatig auto's te gebruiken voor het lokale en interlokale postvervoer. Op 20 mei 1997 reed de laatste posttrein door Nederland. Sindsdien verzorgen vrachtauto's het vervoer van post tussen de sorteercentra.

Eén van de motieven tot het oprichten van Rijkstelegraaf was de toename van het particuliere berichtenverkeer van kooplieden en fabrikanten; dezen hadden uiteraard belang bij een goed functionerend en niet te kostbaar, landelijk telegraafnet. Rond de eeuwwisseling waren verschillende telegraaftoestellen in gebruik. Men kan hierbij onderscheid maken in schrijftoestellen en typedruktoestellen. Schrijftoestellen zijn de zgn. morsetoestellen,



12





Op de plek van manufacturenzaak Wan van de negentiende eeuw het Posthuis

Rustenberg. Zij dreven er indertijd naast hun postagentschap ook een herberg. Het beroep van Derk Jan komt in de annalen voor als brievengaarder, herbergier en logementhouder, maar daarnaast was hij ook nog eens gemeenteraadslid. Hij stierf in 1826, waarna zijn vrouw het etablissement en het postagentschap voortzette. Acht jaar later, in 1834, overleed ook Berendina, waarna het Posthuis - toen bekend als A.129 - bij boedelscheiding overging in handen van hun oudste zoon, Jan Santman. Zijn beroep was: distributeur der brievenposterij en brievengaarder. Dure woorden om aan te geven dat hij het postagentschap van zijn ouders heeft voortgezet. Rond 1845 liet hij het Posthuis vernieuwen. Waarschijnlijk is het oude voor een deel afgebroken, want hij kreeg tot 1850 'vrijdom van belasting'. Hij hoefde dus over die vijf jaren geen onroerendgoedbelasting te betalen voor het nieuw gebouwde deel van het pand. Op 25 december 1864 overleed Jan in het Posthuis. Hij was ongehuwd waardoor zijn broers en zusters erfgenaam werden. In 1869 verkochten zij deze gezamenlijke bezittingen aan Harm Joosten, landbouwer te Stad Hardenberg. Op zijn beurt verkocht hij het in 1871 aan manufacturier Gerrit Jan Meijer die het posthuis afbrak en er een geheel nieuw pand weer opbouwde. Het nieuwe gebouw aan de Vecht

zou dienen als manufacturenzaak, eerst voor Gerrit Jan Meijer en later voor diens schoonzoon Paul Wamelink.

Tussen Zwolle en Hardenberg reed van oudsher een postwagen- of diligencedienst. Het personenvervoer stond voorop, maar de post werd er ook mee vervoerd. Reizen in een door paarden getrokken wagen betekende dat je flink door elkaar geschud werd en - zeker bij een lange reis - geradbraakt aankwam. In 1843 was door de Minister van Financiën concessie verleend aan Albert Heetderks van Munster en Derk Zweers Berendszoon jr. om drie keer per week (op maandag, woensdag en vrijdag) deze dienst uit te oefenen. Enkele jaren later ontstonden er problemen, toen er naast de diligencedienst ook nog een postdienst tussen Hardenberg en Zwolle werd opgezet. Deze dienst werd gereden met een postkoets waarin naast de koetsier ook passagiers mee konden reizen. Op de Kunstweg tussen Hardenberg en Ommen werd tol geheven om de kosten van de aanleg terug te verdienen. Ook de ondernemers van de postrit moesten tolgeld betalen, zodra de postkar met meer dan één passagier beladen was. Regelmatig namen de postkaron-dernemers ook passagiers mee van Zwolle naar Hardenberg of vice-versa, dit ten nadele van de diligencediensten. Zij ondervonden er zoveel hinder van dat het voortbestaan van de diligences in gevaar kwam. Uiteindelijk liep het zo hoog op dat de Commissaris des Konings het wenselijk achtte dat de postwagen-dienst en het brievenver-voer tussen Hardenberg en Zwolle werden samengevoegd. Albert Heetderks van Munster, hoofdondernemer van de diligencedienst, was daartoe graag bereid en wilde wel een overeenkomst sluiten met de administratie der posterij-


13


en omtrent het dagelijks vervoer van brieven met zijn diligences (goedgeveerde postkoetsen).



Plannen voor een echt postkantoor in Hardenberg

In 1883 wendde Willem baron van Ittersum, burgemeester van Stad Hardenberg, zich tot de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid om te vernemen op welke voorwaarden een telegraafkantoor in vereniging met het hulppostkantoor in Hardenberg zou kunnen wor-





Willem baron van Ittersum (1838-1915), burgemeester van Stad Hardenberg, nam initiatief tot het vestigen van een telegraafkantoor in Hardenberg

den opgericht. Uit een op dat verzoek betrekking hebbend rapport van de inspecteur te Zwolle blijkt dat het voor de gemeente, die over weinig geldmiddelen beschikte, bezwaarlijk was voor de waarborgsom voor de opbrengst van een te vestigen telegraafkantoor in te staan. Op een lijst voor garantiestelling die onder de inwoners circuleerde, wegens te verzenden telegrammen, is slechts voor een bedrag van ƒ 275 ingeschreven, terwijl het garantiebedrag circa ƒ 600 per jaar zou bedragen.

Gezien de omvang van het postverkeer bestonden er volgens de inspecteur wel redenen om het hulppostkantoor te vervangen door een zelfstandig postkantoor. Voor de onderbrenging van dit kantoor in vereniging met de telegraafdienst had de gemeente al het oog op een gebouw. Aangezien dat gebouw, evenals alle huizen in het oude stadje - volgens de inspecteur - van geringe waarde was, zou de inrichting tot kantoor weinig hoeven te kosten. Het zou, uitgaand van een huurontvangst van het Rijk van ƒ 500 per jaar - de voor die tijd in soortgelijke plaatsen als regel betaalde huur voor postlokalen en dienstwoning - de gemeente in staat moeten stellen de verplichtingen op zich te nemen. Aan de burgemeester werd op 12 november 1883 medegedeeld dat, indien de gemeente tegen een nader overeen te komen huur een aan de eisen beantwoordend gebouw beschikbaar kan stellen en een opbrengst van het telegraafkantoor tot een bedrag van ƒ 600 per jaar waarborgt, tot vestiging van een Rijkstelegraafkantoor zal worden overgegaan en de verheffing van het hulppostkantoor tot postkantoor aan de Koning worden voorgesteld. Burgemeester en wethouders deelden daarop mee, dat wegens onvoldoende steun van particulieren en neringdoenden van de vestiging, in verband met de daaraan verbonden kosten, helaas moest worden afgezien.

Vestiging van een Rijkstelefoonkantoor

Op 4 februari 1898 verzocht het gemeentebestuur van Stad Hardenberg, ter plaatse een Rijkstelefoonkantoor op de voet en op de




14


-




Model voor een te realiseren post- en telegraafkantoor te Hardenberg, anno 1883




voorwaarden van het Koninklijk Besluit van 15 september 1886 te vestigen (bedoeld is hier de aansluiting van een Rijkstelegraafkantoor voor telegramwisseling door middel van de telefoon; de gemeenten moesten voor de vestiging o.a. een gemeubelde lokaliteit beschikbaar stellen en een door hun bezoldigde kantoorhouder en diens plaatsvervanger aanwijzen). Als reden voor het verzoek werd aangegeven dat wegens de toenemende bloei en welvaart van de gemeente grote behoefte bestaat aan een telefoonverbinding met de Rijkstelegraaf. De gemeenteraad was bereid één van de zalen van het gemeentehuis voor de telefoondienst af te staan. Bij ministeriële beschikking van 16 maart 1898 werd met de vestiging in beginsel akkoord gegaan. Met ingang van 15 augustus van hetzelfde jaar werd het genoemde kantoor geopend. Als kantoor van aansluiting met telefoonverbinding werd Coevorden aangewezen.

Grafsteen van brievengaarder Joachim Jacobus Fockens (1837-1917) en echtgenote Hielkje Jans de Vries (1845-1931)


Het hulppostkantoor bevond zich in de Voorstraat, tegenover hotel Van Munster (thans bekend als Voorstraat 28, kledingzaak MayDay). Het kantoor werd sinds juni 1874 bemand door brievengaarder Joachim Jacobus Fockens. Hij was indertijd met zijn gezin uit


15





het Friese Makkum gekomen. Hij was op 12 november 1868 in Wonseradeel in het huwelijk getreden met Hielkje de Vries en het echtpaar had al drie kinderen gekregen: Jacobus Regnerus (1869), Ids (1871) en Willem Hendrik (1874). Wonend in Stad Hardenberg kregen ze hun vierde kind, genaamd Trijntje Ima (1878). De brievengaarder overleed op 80-jarige leeftijd in 1917 en zijn weduwe in 1931. Beiden zijn begraven op het oude kerkhof Nijenstede aan de Stationsstraat in Hardenberg. Dochter Trijntje Ima ligt er ook begraven, naast haar echtgenoot Lucas Lubbers.

Als bijzonderheid kan gemeld worden dat in 1901 door het gemeentebestuur toestemming werd gegeven om het hulppostkantoor ook op zondagen open te stellen, maar dan wel 's ochtends tussen 8 en 9 uur (vóór het ter kerke gaan).



Pogingen tot stichting Hoofdpostkantoor

Naar aanleiding van een rondschrijven van 5 april 1902 aan de inspecteurs, waarbij ver-

zocht werd om pogingen in het werk te stellen tot het in huur verkrijgen (hetzij van gemeentewege, hetzij van particulieren), van lokalen voor vestiging van postkantoren ter vervanging van die hulpkantoren waar in het afgelopen jaar 40.000 of meer brieven en briefkaarten werden ontvangen, berichtte de inspecteur te Zwolle, dat de gemeente niet genegen was om een gebouw voor genoemd doel beschikbaar te stellen. Van particuliere zijde waren wel enkele aanbiedingen ontvangen, maar geen van de aanbieders was bereid tot de vereiste verbouwing over te gaan en het pand daarna aan het Rijk te verhuren. In verband hiermee werd op 6 maart 1903 aan de inspecteur bericht dat van de vestiging van een postkantoor moest worden afgezien. Op een naderhand ontvangen brief van ingezetenen van Stad Hardenberg om nogmaals te proberen door particulieren een gebouw te doen stichten en indien deze pogingen niet zouden slagen op kosten van het Rijk te bouwen, werd op grond van het eerder ervaren resultaat afwijzend beschikt.

Op 14 augustus van datzelfde jaar rapporteerde de inspecteur te Zwolle dat de dienst voor de brievengaarder te zwaar werd en maatregelen tot verbetering van de toestand dringend nodig waren. Met het doel hierin te voorzien door het hulpkantoor in een hoofdkantoor om te zetten, werd nagegaan of de vroeger aangeboden percelen nog te koop waren. Ter beschikking bleken nog te zijn het pand 'Hotel van Munster' en het perceel waarin het hulppostkantoor gevestigd was, in eigendom van S. Bromet. De vraagprijs van eerstgenoemd pand, gelegen in de hoofdstraat tegenover het raadhuis, bedroeg ƒ 25.000. Dit bedrag vond men zoveel te hoog dat men niet op het aanbod inging. Voordat men op de aanbieding van het hulppostkantoor, de voormalige marechausseekazerne (liggende aan de Doelen) in kon gaan, werd onderzocht of het gebouw zich leende voor een verbouwing door middel van het aan-



16








handelingen werd het perceel voor ƒ 7000 aangekocht, waarna op 29 juli 1904 de akte notarieel werd verleden.

De bestellerskamer en de publieksloketten van het post kantoor Hardenberg, anno 1938

brengen van een extra verdieping. Uit het onderzoek bleek dat het pand onsolide en zeer vochtig was. Men zag af van aankoop. Een inmiddels voor ƒ 3900 door A. van der Sanden aangeboden terrein met opstal, groot 20 x 29 meter, liggend aan de zuidzijde van de hoofdstraat, werd wegens de ongunstige ligging ongeschikt geacht.



Aankoop perceel Van Riemsdijk

Er werd daarnaast een aanbieding ontvangen van notaris Stuart betreffende een perceel bestaand uit een herenhuis, schuur en erf, groot 680 centiare, met een gevelbreedte van circa 28 meter, gelegen aan de Voorstraat. De eigenaar, Gerrit Willem van Riemsdijk te Hilversum, vroeg er ƒ 8000 voor. Uit onderzoek bleek dat het huis, daterend uit 1781, niet voor inrichting als postgebouw geschikt was; de ligging van het terrein bleek echter zeer gunstig. De ontvanger der registratie schatte de waarde van het perceel op ƒ 6000, twee plaatselijke deskundigen op ƒ 8500. Na onder-




Aan de Rijksbouwmeester werd op 27 september 1904 verzocht een plan voor een nieuw postgebouw met ambtswoning te ontwerpen, waarbij met enige wijzigingen, ondermeer wat de afmetingen van de bestellerskamer en van de wachtkamer aanging, het al goedgekeurde plan van het kantoor te Burgum (F.) kon worden gevolgd. Het op 17 oktober daaraanvolgende door de Rijksbouwmeester ingezonden plan werd aan deze teruggezonden met de opmerking dat de bestellers-en wachtkamer te klein waren. Ook het daarop ontvangen plan B voldeed in verschillende opzichten niet aan de bedoeling; wat de woning betrof, was onder andere de bovengang te breed. Aan de Rijksbouwmeester werd verzocht een nieuw plan met een praktische en minder kostbare indeling te maken. Van twee door meergenoemde ambtenaar ingezonden gewijzigde plannen C en D, werd aan plan C, ongeacht de brede bovengang die versmald kon worden, de voorkeur gegeven. Op dit plan werd 12 december 1904 de goedkeuring van de minister gevraagd.

Het plan was niet tot volle tevredenheid van de minister. De vestibule van het kantoor was bijvoorbeeld belangrijk kleiner dan die van de directeurswoning. Met opgaaf van de afmetingen welke in de regel voor gangen, trappen en kamers dienden te worden aangehouden, verzocht de minister een gewijzigd ontwerp ter beoordeling in te zenden, waarbij een meer economisch gebruik van de ruimten was gemaakt.

Op 7 maart 1905 werd het door de Rijksbouwmeester gewijzigd plan, plan E, waarin met de gestelde eisen zoveel mogelijk rekening was gehouden, aan de minister ter goedkeuring gezonden. De minister verleende op 5 juli 1905 goedkeuring aan de bestedingsstukken.


17










Kantoorruimte van het postkantoor te Hardenberg, anno 1938

Aanbesteding en opening

De aanbesteding had plaats op 2 augustus daaraanvolgende. De bouw, met inbegrip van het afbreken van het huis en de stal, werd gegund aan de laagste inschrijver: H. Aberson en Zn. te Steenwijk, voor de som van ƒ 21.630. Op 1 juni 1906 werd het nieuwe hoofdpostkantoor geopend. Naar aanleiding van een desbetreffend verzoek van de gemeente werd met ingang van 1 september daaraanvolgende het hulptelegraafkantoor vervangen



door een Rijkstelegraafkantoor. Mede werd op deze datum een Rijkstelefoonkantoor gevestigd; de openstelling voor laatstgenoemde dienst vond plaats op 27 december van hetzelfde jaar. De eerste directeur van het nieuwe postkantoor was Rudolf Hendrik Schuringa (geboren in het Groningse Wildervank). Hij kwam met zijn vrouw en tweejarig dochtertje vanuit Terneuzen naar Hardenberg. Schuringa gaf de eerste acht jaar leiding aan het nieuwe kantoor.




De telefoonaansluitingen te Hardenberg en Heemse, anno 1915

18



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina