Prehistorie Steentijd Neolithicum Hunebedden Titelpagina Hunebedden



Dovnload 24.13 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte24.13 Kb.
Prehistorie Steentijd Neolithicum Hunebedden



  1. Titelpagina Hunebedden

We gaan terug naar ca. 3300 v.C. Afgebeeld is het dagelijkse leven in één van de eerste Drentse dorpen. Het hunebed zien we onopvallend op de achtergrond tussen de schuur en de boerderij. Eén van de mannen komt met zijn zoon terug van de jacht en heeft een wolf geschoten. De andere draagt een ploeg op zijn schouder. Ze worden opgewacht door een oudere man met een in een houten steel gevatte stenen bijl in z'n hand. De gevelde bomen op de voorgrond laten het resultaat van zijn arbeid zien. Eén vrouw spint wol terwijl de andere bezig is versieringen op een trechterbeker te graveren. Om haar heen zien we andere pottenbakkersproducten.

Wat weten we eigenlijk van dit volk?. We weten dat de prehistorische Drent vanaf omstreeks 3400 v. C. overging van jagen en verzamelen tot landbouw en veeteelt en dat hij boerderijen ging bouwen om in te wonen. Een grote verandering ! Op de plaat zien we zo'n boerderij. Afmetingen van zo'n 6 bij 15 m., drie vertrekken, een frame van houten palen, muren van leem en vlechtwerk en een rieten dak. (De plaggenhutten van 100 jaar geleden in Drenthe waren van mindere kwaliteit!). De akkers bevonden zich in de onmiddellijke omgeving. Hierop verbouwden ze eenkoorn- en emmertarwe, vlas, gerst, erwten, linzen en bonen. De veestapel bestond uit runderen (waaronder ossen als trekvee), varkens, geiten en schapen. Kippen kwamen pas een paar eeuwen later, maar net als ons kenden ze de hond als hun trouwe viervoeter. En één ding is zeker: ze verstonden de kunst van pottenbakken!. De meest voorkomende pot had een trechtervormige hals en daar danken ze nu hun naam aan: De Trechterbeker (TRB)-cultuur. Eigenlijk doet dat onrecht aan de grote varieteit van hun overige keramische producten: de emmers, schouderpotten, schalen, kraaghalsflesjes en zuigflesjes.

Bij gebrek aan metalen waren de gereedschappen van been en hout, maar in de eerste plaats van steen zoals graniet voor maalstenen en lopers. De vuurstenen in de Drentse bodem waren goed genoeg voor schrapers, sikkels en pijlpunten, maar niet voor de grote bijlen. Die kwamen via ruilhandel van broedervolken in Sleeswijk en Denemarken. Van deze trechterbekervolken hadden ze waarschijnlijk ook de kunst van het bouwen van megalitische grafkelders geleerd want daarmee hadden ze in die regio's al een paar generaties ervaring.

Trechterbekermensen waren kort van stuk (ca.1,65 m.) In de grotere hunebedden konden ze rechtop staan! Uitzonderingen daar gelaten werden ze niet ouder dan zo'n 35 à 40 jaar. Dat was anderhalve eeuw geleden in Europa trouwens weinig gunstiger. Desondanks was het een welvarend volk.




  1. Hoeveel hunebedden zijn er en waar zijn ze te vinden?

Er bestaan nog 54 hunebedden in ons land, waarvan 52 in Drenthe en 2 in Groningen (één in Noordlaren en één die uit de Noord-Groningse klei werd opgegraven en nu in een museum te Delfzijl is te bezichtigen). Oorspronkelijk zijn er tenminste 88 geweest, maar vermoedelijk wel meer dan honderd. Van 34 zijn er sporen gevonden, waarvan drie in Groningen, twee in Overijssel en één in Friesland. De grootste concentratie vinden we echter op de Drentse Hondsrug met Borger en Emmen als opvallende centra.


  1. Hoe bouw je een hunebed

De stenen van een hunebed kunnen wel 20 ton wegen en die pak je niet even zomaar op om hem bovenop een ander te leggen. Ook niet als je met zijn tweeen of met een heleboel bent. Hoe bouw je dan zo’n hunebed ?


  1. Bouwschema hunebed

Eerst moesten de vele tonnen wegende keien naar de bouwplaats worden getransporteerd. Hierbij zullen waarschijnlijk houten rollers en sleden (bij sneeuw) zijn gebruikt. Maar ook dan is de vereiste kracht nog zeer hoog.Men denkt dat voor een kei van 20 ton behalve dierlijke trekkracht (ossen) ongeveer 30 sterke mannen nodig zijn geweest.De bouw begon met het plaatsten van de draagstenen. Daartoe wierp men eerst een langgerekte aarden dam op. De draagstenen werden vervolgens in kuilen tegen deze dam geplaatst, met de vlakke zijde naar binnen. Zoals de tekening laat zien zullen hierbij ongetwijfeld hefbomen en touwen zijn gebruikt. Nadat de draagstenen waren geplaatst werd tegen het hunebed in aanbouw een helling opgeworpen waarover de zware dekstenen konden worden getrokken. Daarna werd het zand in de 'kelder' verwijderd en vulde men de openingen tussen de stenen met kleinere stopstenen op. Daarmee was het geraamte van het hunebed gereed. Nadat de draagstenen waren geplaatst werd tegen het hunebed in aanbouw een helling opgeworpen waarover de zware dekstenen konden worden getrokken. Het steengraf werd tenslotte met een met pakstenen versterkte aarden dekheuvel bedekt, waarbij waarschijnlijk alleen de toppen van de grootste dekstenen zichtbaar bleven. Soms werd bij de grotere hunebedden aan de voet van de dekheuvel een ovale krans van stenen opgesteld. De betekenis hiervan is niet geheel duidelijk. Het kan een praktische zijn geweest (om erosie tegen te gaan) maar ook een rituele. Tenslotte werd nog de keldervloer met keitjes en granietgruis geplaveid. 

Een andere theorie stelt, dat de dekstenen eerst met houten krikken tot de gewenste hoogte werden opgevijzeld en met houten balken ondersteund en dat daarna de draagstenen er stuk voor stuk onder werden gezet. Deze methode vergt minder mankracht en maakt het makkelijker de grootte en positie van de draagstenen goed aan de vaak grillige vormen van de dekstenen aan te passen. Mogelijk ook zijn beide methoden naar gelang de omstandigheden toegepast.




  1. Verslepen zwerfkei

Op deze dia kun je zien, dat men met behulp van ronde houten paaltjes een steen over een vlakke ondergrond kon verplaatsen. Hiervoor gebruikte men natuurlijk dikke touwen.


  1. Wat is er in de hunebedden gevonden?

Er is aan het begin van deze eeuw aan een tiental hunebedden, voorafgaande aan de restauratie, uitvoerig wetenschappelijk onderzoek verricht. Het aantal aangetroffen voorwerpen (artefacten) verschilde enorm; bij het ene hunebed niets, bij het andere wemelde het van de potscherven. Ongetwijfeld zijn in het verleden tal van hunebedden leeggeroofd. Voorbeelden van rijke vondsten zijn o.a. het hunebed bin Havelte met scherven van minstens 660 stuks aardewerk, het hunebed in Drouwen met ca. 400 en die bij Bronneger met rond 600. Als men aanneemt dat het aantal aan de doden meegeven stuks aardewerk beperkt bleef tot één of enkele, moeten er per hunebed in de loop der tijd honderden doden zijn bijgezet. Hunebedden waren waarschijnlijk massagraven. Het aardwerk heeft verschillende vormen. Behalve de kenmerkende trechterbekers vond men lepels met een holle steel (vermoedelijk zuigflesjes), kraaghalsflesjes, schouderpotten, schalen en emmers. Menselijke botresten zijn in Nederlandse hunebedden niet aangetroffen; ze zijn in loop van de tijd in de zure bodem verteerd. In kalkrijkere streken in Duitsland heeft men wel skeletdelen gevonden.

Andere aangetroffen bijgaven zijn veel beperkter in aantal. Hiertoe behoren vuurstenen bijlen, pijlpunten en schrapers, sieraden zoals kralen van git en barnsteen en zelfs enkele van koper. De bezitter daarvan moet 'steen'rijk zijn geweest, want barnsteen is zeldzaam en koper kwam in onze contreien niet voor. Ook de trechterbekercultuur kende rangen en standen.




  1. Wat zijn hunebedden en waarvoor dienen ze ?

Hunebedden zijn de restanten van stenen grafkelders waarin het boerenvolk dat het noorden van ons land circa 5000 jaar geleden bewoonde, zijn doden bijzette. Vrij algemeen wordt aangenomen dat het massagraven waren, waarin veel generaties een laatste rustplaats kregen. Daarnaast nemen veel archeologen aan dat hunebedden een ceremoniele, rituele, godsdienstige en/of territoriale functie hebben gehad. Daar er uit dezelfde periode ook vele z.g vlakgraven (voor één of enkele doden) bekend zijn, is niet duidelijk wie wel en wie niet voor bijzetting in hunebedden in aanmerking kwamen. Archeologe Anna Brindley meent dat slechts hooggeplaatsten die eer ten deel viel. De bouwers waren geen Hunen of Hunnen, maar worden het Trechterbekervolk genoemd naar de vorm van het meest voorkomende type aardewerk dat in de hunebedden werd aangetroffen. Hunebedden behoren tot de oudste overblijfselen van menselijke bewoning in ons land.


  1. Hoe zien hunebedden er uit en waar komen die keien vandaan?

Hunebedden zijn gemaakt van zware keien. Zwerfkeien worden ze genoemd en de zwaarste wegen meer dan 40 ton. Ze zitten in de bodem in heel Noord-Nederland, maar de meeste in Drenthe. Omdat er in Nederland nooit bergen met rotsen zijn geweest, was het lange tijd een raadsel hoe die enorme keien hier terecht zijn gekomen. Tegenwoordig weten we dat. Zo'n 150.000 jaar geleden beleefde de aarde een bijzonder strenge ijstijd. Enorme gletchers kwamen uit het noordoosten op ons land af en strekten zich geleidelijk tot aan midden-Nederland uit. Ze sleepten een dikke laag van leem en keien met zich mee. Toen het warmer werd en het ijs smolt bleef deze laag op de nederlandse bodem achter. Geologen konden de herkomst van de hunebedstenen vrij nauwkeurig nagaan. Ze komen uit Zuid-Zweden en Finland.
Met deze keien gingen de vroegste boeren in Drenthe aan de slag om de indrukwekkende grafkelders te bouwen. Ze selecteerden keien met een platte zijde om een enigszins rechthoekige ruimte te kunnen creëren, maar waarschijnlijk ook om ze gemakkelijker met behulp van ronde boomstammen, touwen en ossen, maar bovenal mankracht naar de bestemming te kunnen slepen.

De grote keien vormen het geraamte van het graf: een dubbele rij van rechtopstaande draagstenen met de platte zijde naar binnen, waarop dekstenen met de platte zijde naar onderen als dak werden geplaatst. Met de plaatsing van twee sluitstenen aan de uiteinden ontstond zo een rechthoekige ruimte, in lengte varierend van ca. 3,50 tot 20 m. en in de breedte van ca. 1,50 tot 2,50 m. De kelderhoogte bedroeg ca. 1,75 m. zodat men er vrijwel rechtop in kon staan. Hunebedden zijn gemiddeld oost-west georiënteerd, maar allesbehalve exact. Er komen grote afwijkingen voor. Waarschijnlijk was bij het ontwerp de plaats waar de zon opkwam bepalend voor de richting. Aan de zonzijde maakten de bouwers zo veel mogelijk in het midden een toegangspoort bestaande uit twee of vier poortdraagstenen, afgedekt door een poortdeksteen. Bij twee draagstenen spreekt men van een portaalgraf, bij vier van een ganggraf. De ruimten tussen de grote draag- en dekstenen werden met stopstenen opgevuld en de basis aan de buitenzijde met een steenpakking versterkt. Men bedekte het graf met zand en zoden zodat slechts een langwerpige heuvel met de toppen van de dekstenen in het landschap zichtbaar bleef. Soms plaatste men aan de voet van de heuvel een ovale ring van kransstenen. De betekenis hiervan is niet helemaal duidelijk. Missschien om erosie tegen te gaan, maar het kan ook een rituele functie hebben gehad. Vermoedelijk werden de ruimten tussen deze kransstenen ook met keitjes dichtgemetseld.




  1. Hoe oud zijn de hunebedden ?

De leeftijd is lange tijd een raadsel geweest. Maar met moderne dateringstechnieken konden wetenschappers de ouderdom van de voorwerpen die in de grafkelders werden opgegraven, vaststellen. Dat bleek ouder dan lange tijd werd gedacht: ruim 5000 jaar en dat plaatst de oorsprong van deze monumenten in wat archeologen het Neolithicum of Nieuwe Steentijd noemen. Het markeert de tijd waarin jagende en vissende nomaden zich min of meer permanent als boer in een bepaalde streek gingen vestigen. Het Neolithicum begon in onze streken omstreeks 4400 vóór Christus. De eerste hunebedden verschenen ongeveer 1000 jaar later. Ze werden in een relatief korte periode gebouwd: tussen 3400 en 3200 jaar v.C. maar bleven nog lange tijd in gebruik. Na 2850 v.C. was de periode van hunebedden definitief voorbij en daarmee de TRB (Trechterbeker Cultuur). Opvolgende generaties begroeven de doden in grafheuvels, waarvan in Drenthe nog honderden te vinden zijn. Trechterbekers maakten plaats, eerst voor de z.g. standvoetbekers en daarna de klokbekers. Het Neolithicum ging vanaf omstreeks 2100 v.C. geleidelijk in de bronstijd over en dat betekende het definitieve einde van de Steentijd.


  1. Wat waren de hunebedbouwers voor mensen ?

De hunebedbouwers waren gewoon de eerste boeren in Noord- en Oost-Nederland en die leefden hier eerder dan men ooit had gedacht: 3400 jaar voor Christus ! Ze worden door archeologen het Trechterbekervolk genoemd naar de vorm van de meest voorkomende aardewerken beker die o.m in en bij de hunebedden werd aangetroffen. De z.g. Trechterbekercultuur deed omstreeks 4400 voor Chr. zijn intrede in Zuid- Zweden, Denemarken, Noordwest Duitsland en in ons land wat later op de hogere zandgronden benoorden de Rijn. Het markeert voor archeologen de overgang van de Midden Steentijd (Mesolithicum) naar de Nieuwe Steentijd (Neolithicum). Vóór het Neolithicum had je in deze streken alleen nog maar jagende en vissende nomaden die kwamen en gingen. Toen dit volk echter de kunst van landbewerking, het telen van gewassen en het domesticeren van dieren had geleerd, gingen ze huizen bouwen en vestigden ze zich hier min of meer permanent als boer. Metalen gereedschap kenden ze nog niet. Maar wel van hout, been en vooral van steen. Ze kapten bos met stenen bijlen, cultiveerden het vrijgekomen land, verbouwden graan (tarwe, gerst en vlas) en lieten hun vee in de drassige beekdalen grazen. Ze bezaten ossen, koeien, geiten, schapen en varkens. Kippen hadden ze niet maar wel honden.


  1. Wat is er na zoveel jaren nog van de hunebedden over?

Geen enkel hunebed is meer compleet. Van vele ontbreken één of meer dek- en draagstenen, van de meeste de poort- en kransstenen en van alle de stop- en pakstenen. De afbraak begon al in de Middeleeuwen toen deze "heidense tempels" het op godsdienstige gronden moesten ontgelden en de stenen voor de fundering van kerken werden gebruikt. Omstreeks 1730 werden Drentse keien, waaronder hunebedstenen, handelswaar toen de zeedijken moesten worden vernieuwd omdat de paalworm in de houten dijkbeschoeiing van de zeeweringen toesloeg. Ondanks het in 1734 uitgevaardigde verbod van de Drost en Gedeputeerden van Drenthe ("by poene van hondert goltguldens") werden vele duizenden zwerfkeien, waaronder hunebedstenen, op transport naar andere oorden gesteld. Maar daarnaast zijn in de loop der tijden godsdienstijver en ordinaire verniel- en hebzucht oorzaken van het verval van hunebedden geweest.
Als gevolg daarvan bevonden de meeste hunebedden zich aan het begin van de 20e eeuw in slechte toestand. In 1918 vond een inventarisatie plaats waarbij slechts 16 stuks het predikaat "in goede staat" kregen. De rest verkeerde in "gehavende" of zelfs "droevige" staat. Sindsdien is aan de bestudering, instandhouding en restauratie van de hunebedden de nodige aandacht besteed. Hiermee is de naam van wijlen prof. dr. A.E. van Giffen, hoogleraar archeologie aan de RU te Groningen, onlosmakelijk verbonden. Hij onderzocht de inhoud van de hunebedden, markeerde de plaatsen van ontbrekende draag- en poortstenen, richtte uit het lood geslagen draagstenen weer op en zette afgegleden dekstenen weer op hun fundament. Hij conserveerde de onmiddellijke omgeving en plaatste handwijzers en bronzen naamplaten. Het vrijwel in de oorspronkelijke staat herstellen van het hunebed de Papeloze Kerk bij Schoonoord, vormde de kroon op zijn werk. Ter ere van hem siert zijn in brons gegoten en in een zwerfkei gemetseld portret dit monument.

Rond 1870 zijn alle hunebedden (op één na) door het Rijk en de Provincie opgekocht. Er zijn er 31 stuks in eigendom bij het Rijk en 21 bij de Provincie. Die ene bij Westenesch ten oosten van Emmen staat op het erf van een boer en is in particulier bezit.




  1. Zijn er elders in de wereld ook hunebedden?

Overblijfselen van de trechterbekercultuur zijn behalve in Noord-Nederland ook aangetroffen in Zuid-Zweden, Denemarken, Polen en Noordwest Duitsland. De grote ganggraven zoals hunebedden, werden echter alleen op die plaatsen gebouwd waar in de bodem grote zwerfkeien voorkwamen en dat was behalve hier ook in Zuid-Zweden, Noordwest Duitsland en Denemarken het geval. Kleinere steengraven (zonder zij-ingang) heten dolmens en komen in een nog ruimer gebied voor.

Maar het slepen met enorme rotsblokken bleef niet tot deze cultuur beperkt. In het neolithicum en de daarop volgende brons- en ijzertijd was deze krachtpatserij in tal van Westeuropese beschavingen een geliefde bezigheid. Ook op de Britse Eilanden, België, Frankrijk, Spanje, Corsica, Sardinië en Italië komen megalitische monumenten voor. Sommige hadden net als hunebedden een graf-functie, andere hadden een rituele of astronomische betekenis (b.v. Stonehenge in Engeland). De in gelid opgestelde stenen bij Carnac in Bretagne worden menhirs genoemd.




  1. Een toeristische attractie

Veel toeristen komen graag een kijkje nemen bij die rare stapels met stenen en

verbazen zich erover hoe een en ander is gebouwd.




  1. Stonehenge

Stonehenge is een plaats in Wiltshire, Groot-Brittannie. Het is een stenen constructie (vandaar het woord Stone – steen), die een cirkelvorm heeft. Het woord Henge betekent iets van ‘hangen’. Vermoedelijk werd Stonehenge gebouws tussen 3500 en 1500 voor Christus. Waarom het is gebouwd is nog steeds niet zeker. Sommigen zeggen dat het door astronomen is gebouwd, anderen zeggen dat het religieuze bedoelingen had.


  1. Cartoon hunebed

Waarom is dit zo grappig ?




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina