Pulsar Hoofdstuk 5 Elektriciteit Toets a 1 Electriciteit om je heen 1 a



Dovnload 311.16 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte311.16 Kb.
Pulsar Hoofdstuk 5 Elektriciteit Toets A


5.1 Electriciteit om je heen
1 a Wat is het voordeel van een zogenaamde dikke batterij vergeleken met een AAA batterij?
Voordeel: …………………………………………………….
b Noem ook een overeenkomst:

Overeenkomst………………………………………………


c Noem twee voorbeelden van apparaten die op elektriciteit werken en die licht en warmte veroorzaken.

1 …………………………………………………………..

2 …………………………………………………………..

2 a Welk apparaat zet elektriciteit om in beweging?

…………………………………………………………….



b Welk apparaat zet beweging om in elektriciteit?
………………………....................................................
3 Vul in de volgende tabel de voordelen en nadelen van de elektriciteitsbronnen in.


bron

voordeel

nadeel

stopcontact








dynamo








batterij








zonnecel










5.2 Energiegebruik
4 Een autoaccu levert veel vermogen als de auto start. Toch is de spanning van de accu maar 12 volt. Leg uit welke grootheid zorgt voor dat grote vermogen.

…………………………………………………………………………


5 Bereken het vermogen in watt in de volgende gevallen:

1 Een lamp gebruikt 1000 J in 10 s.

Het vermogen is: ………………………………………………


2 Een elektrische motor gebruikt 300 J in 1 minuut.

Het vermogen is: ………………………………………………



6 In onderstaande tabel is voor enkele apparaten, die je thuis gebruikt, het vermogen opgegeven en de tijd die ze in een week worden gebruikt.
Vul eerst de derde kolom in.
Bereken de gebruikte energie in kWh en vul deze in de laatste kolom in.



apparaat

vermogen (W)

vermogen (kW)

tijd

energie (kWh)

wasmachine


2800




5 uur




aquariumverwarming


100




200 uur




stofzuiger


900




150 minuten




scheerapparaat


10




35 minuten




magnetron


900




1,5 uur




computer


220




21 uur




verlichting


300




30 uur




7 a Geef de formule die het verband geeft tussen energie, vermogen en tijd.
………………………………………….
b Bereken de onbekende grootheid.
Geef de berekening. Denk aan de eenheid.

P = 20 W, t = 90 s, E =………………………………………………....


E = 350 J, P = 700 W, t =………………………………………………...


t = 300 s, E = 900 J, P =…………………………………………………


8 Berend gebruikt in een schemerlamp een spaarlamp van 9 W in plaats van een gloeilamp van 75 W. Beide lampen geven evenveel licht.
In een week brandt de spaarlamp 20 uur.

a Hoeveel energie in kWh heeft Berend gespaard door een spaarlamp te gebruiken?
…………………………………………………………………………
b Hoeveel geld heeft hij bespaard als 1 kWh € 0,20 kost?
…………………………………………………………………………
9 In de tabel staan apparaten die in een gezin in één dag gebruikt worden met het vermogen en de tijd dat ze aan staan.

a Bereken het totale vermogen in kW als alle apparaten tegelijkertijd aan zijn. Zet het antwoord onderaan in de tweede kolom.

…………………………………………………………………………







vermogen

tijd

energie

wasmachine

2000 W

70 minuten

kWh

afwasmachine

1,5 kW

1,5 uur

kWh

lampen

5 x 60 W

3 uur

kWh

lampen

3 x 100 W

3 uur

kWh




kW




kWh


b Bereken de elektrische energie in kWh die de apparaten gebruiken op deze dag.
Gebruik twee stappen
1 Bereken de energie van een apparaat. Zet het antwoord in de rechter kolom.

Geef de berekening aan, denk aan de eenheden.


………………………………………………………………………
2 Bereken de totale energie en zet het antwoord onderin de rechter kolom.
……………………………………………………………………….

c Bereken hoeveel dit bij elkaar kost op één dag als 1 kWh

€ 0,20 kost.


…………………………………………………………………………..

5.3 De stroomkring
10 Geef voor de volgende gevallen aan of het een
serie of een parallelschakeling is.
Omcirkel voor serie een s of voor parallel een p .

a de verlichting bij je thuis s p

b de vóór- en achterverlichting van een auto s p
11 Hieronder zie je een schema met lampjes en schakelaars, vul de
tabel in.








L1 brandt wel/niet

L2 brandt wel/niet

S1 open, S2 open







S1 open, S2 dicht







S1 dicht. S2 open







S1 dicht, S2 dicht








12 Vul de tabel in.






L1 brandt wel/niet

L2 brandt wel/niet

S1 open, S2 open







S1 open, S2 dicht







S1 dicht. S2 open







S1 dicht, S2 dicht








13 Vul de tabel in.






L1 brandt wel/niet

L2 brandt wel/niet

S1 open, S2 open







S1 open, S2 dicht







S1 dicht. S2 open







S1 dicht, S2 dicht








5.4 Stroomsterkte
14 Je laat twee lampjes op één spanningsbron branden.
Lampje 1 brandt feller dan lampje 2.

Welk antwoord is goed?


Kleur de smiley als het antwoord goed is kleur de weapy
als het antwoord fout is.


A De stroom door beide lampjes is gelijk.  
B De stroom door L1 is groter dan door L2.  

C De stroom door L 2 is groter dan door L1.  

D Je kan geen uitspraak doen over de stroom.  
15 Je laat twee lampjes op één spanningsbron branden.
Lampje 1 brandt feller dan lampje 2.

Welk antwoord is goed?
Kleur de smiley als het antwoord goed is kleur de weapy als het
antwoord fout is.

L 1


A De stroom door beide lampjes is gelijk.  
B De stroom door L1 is groter dan door L2.  

C De stroom door L 2 is groter dan door L1.  

D Je kan geen uitspraak doen over de stroom.  
5.5 Weerstand
16 a Noem drie materialen met een grote weerstand voor elektrische
stroom.
……………………………….…

………………………………….

………………………………….


b Noem drie materialen met een kleine weerstand voor
elektrische stroom.
…………………………………..
…………………………………..
…………………………………..


17 Vul de ontbrekende waarde in.
weerstand 12 Ω, spanning 6 V, stroomsterkte……………………….
stroomsterke 3,5 A, spanning 70 V, weerstand ………………………..

weerstand 7000 Ω, stroomsterkte 100 milliampère, spanning ………


18 a Een lamp brandt op een spanning van 12 volt.
De weerstand van deze lamp is 2,4 kΩ.
Bereken de stroom die door deze lamp gaat.
………………………………………………………………………………
b Een apparaat heeft een vermogen van 460 W en is
aangesloten op een spanning van 230 V.
Bereken de weerstand van dit apparaat.
……………………………………………………………………………….

c Bereken het vermogen van een wasmachine met een weerstand
van 23 Ω die is aangesloten op een spanning van 230 V.
………………………………………………………………………………..
Verdieping Spanning en sensatie
19 a Waarvoor dient een transformator?

………………………………………………………………………



b Waarom gebruikt men hoogspanning om elektriciteit over grote
afstanden te transporteren?

………………………………………………………………………


20 Een transformator bestaat uit twee spoelen die gekoppeld zijn door
middel van een weekijzeren kern.

a In de tekening is de weekijzeren kern getekend.

Maak de tekening af door twee spoelen te tekenen, de linker


spoel met veel windingen, de rechter spoel met weinig windingen.





b Je sluit de uiteinden van de linker spoel aan op een spanning
van 230 V. Is de spanning rechts hoger of lager dan 230 V? Leg uit!
………………………………………………………………………..
21 De onderstaande tabel heeft betrekking op een transformator.

Vul in de lege vakjes de juiste getallen in:





aantal windingen linker spoel

spanning linker spoel (V)

aantal windingen rechter spoel

spanning rechter spoel

(V)


1000


230

200




20 000


4000




10

300


1500

9000




400





2000

25000


22 In een kermis branden van 19.00h tot 22.00h 3000 gloeilampen van 75 W.

Hoeveel energie zetten deze gloeilampen om?



A 675000 kWh

B 9000 kWh

C 675 kWh

D 225 kWh


Einde
Pulsar Hoofdstuk 5 Elektriciteit Toets B

5.1 Elektriciteit om je heen
1 a Een auto accu heeft een spanning van 12 V. Door
batterijen in serie te schakelen kan je ook een spannning
van 12 V krijgen. Toch kan je met de batterijen geen auto
starten.
Leg uit hoe dat komt.

…………………………………………………………………………


………………………………………………………………………...


b Noem twee voorbeelden van apparaten die op elektriciteit
werken en die beweging en warmte veroorzaken.

1 …………………………………………………………..

2 …………………………………………………………..

2 a Welk apparaat zet elektriciteit om in licht?

…………………………………………………………….



b Welk apparaat zet licht om in elektriciteit?
………………………....................................................
3 Vul in de volgende tabel de voordelen en nadelen van de
elektrische verlichting in.


bron

voordeel

nadeel

tl buizen








led verlichting








gloeilamp








spaarlamp









5.2 Energiegebruik
4 Een led lamp gebruikt weinig vermogen.
Toch is het een goede lichtbron. Welke grootheid zorgt
ervoor dat het vermogen klein is.

……………………………………………………………………………


5 Bereken het vermogen in watt in de volgende gevallen:

1 Een lamp gebruikt 2000 J in 5 s.

Het vermogen is:…………………………………………………………



2 Een elektrische motor gebruikt 12000 J in 2 minuten.
Het vermogen is:…………………………………………………………..

6 In onderstaande tabel is voor enkele apparaten, die je thuis gebruikt,
het vermogen opgegeven en de tijd die ze in een week worden
gebruikt.
Vul eerst de derde kolom in.
Bereken de gebruikte energie in kWh en vul deze in de laatste
kolom in.



apparaat

vermogen (W)

vermogen
(kW)

tijd

energie
(kWh)

droger


2500




4 uur




schemerlamp


100




200 uur




mixer


30




150 minuten




scheerapparaat


15




35 minuten




oven


600




4 uur




computer


320




17 uur




boormachine


150




2 uur




7 a Geef de formule die het verband geeft tussen energie, vermogen
en tijd.
………………………………………….

b Bereken de onbekende grootheid.
Geeft de berekening. Denk aan de eenheid.

P = 30 W, t = 60 s, E=………………………………………………..


E= 700 J, P=350 W, t=………………………………………………..


t= 320 s, E= 640 J, P=…………………………………………………


8 Sieb gebruikt in een schemerlamp een spaarlamp van 11 W
in plaats van een gloeilamp van 100 W. Beide lampen geven
evenveel licht.
In een week brandt de spaarlamp 15 uur.

a Bereken hoeveel energie in kWh Sieb heeft gespaard
door een spaarlamp te gebruiken.
…………………………………………………………………………….

b Hoeveel geld heeft hij bespaard als 1 kWh € 0,20 kost?
……………………………………………………………………………..

9 In de tabel staat welke apparaten een gezin op een dag aan heeft
staan. Ook de tijd dat ze aanstaan staat er bij.

a Bereken het totale vermogen in kW als alle apparaten tegelijkertijd
aan zijn. Zet het antwoord onderaan in de tweede kolom.
…………………………………………………………………………..





vermogen

tijd

energie

wasmachine

1800 W

90 minuten

kWh

afwasmachine

1,8 kW

1,2 uur

kWh

lampen

7 x 40 W

4 uur

kWh

lampen

3 x 75 W

4 uur

kWh




kW




kWh


b Bereken de elektrische energie in kWh die de apparaten gebruiken
op deze dag.
Gebruik twee stappen

1 Bereken de energie van een apparaat. Zet het antwoord
in de rechter kolom.
Geef de berekening aan, denk om de eenheden.
…………………………………………………………………………..
2 Bereken de totale energie en zet het antwoord
onderin de rechter kolom.
…………………………………………………………………………..

c Bereken hoeveel dit bij elkaar kost op één dag als 1 kWh

€ 0,20 kost.


……………………………………………………………………………


5.3 De stroomkring
10 Geef voor de volgende gevallen aan of het een serie of een parallelschakeling is.
Omcirkel voor serie een s of voor parallel een p .

a de verlichting op je fiets (vóór- en achterlicht) s p

b de verlichting bij je thuis s p

11 Hieronder zie je een schema met lampjes en schakelaars. Vul de tabel in.







L1 brandt wel/niet

L2 brandt wel/niet

S1 open, S2 open







S1 open, S2 dicht







S1 dicht. S2 open







S1 dicht, S2 dicht








12 Vul de tabel in.






L1 brandt wel/niet

L2 brandt wel/niet

S1 open, S2 open







S1 open, S2 dicht







S1 dicht. S2 open







S1 dicht, S2 dicht








13 Vul de tabel in.






L1 brandt wel/niet

L2 brandt wel/niet

S1 open, S2 open







S1 open, S2 dicht







S1 dicht. S2 open







S1 dicht, S2 dicht








5.4 Stroomsterkte
14 Je laat twee lampjes op één spanningsbron branden.
Lampje 1 brandt feller dan lampje 2.

Welk antwoord is goed?


Kleur de smiley als het antwoord goed is kleur de weapy als het antwoord fout is.


L 1




A De stroom door beide lampjes is gelijk.  
B De stroom door L1 is groter dan door L2.  

C De stroom door L 2 is groter dan door L1.  

D Je kan geen uitspraak doen over de stroom.  
15 Je laat twee lampjes op één spanningsbron branden.
Lampje 1 brandt feller dan lampje 2.

Welk antwoord is goed?


Omcirkel de smiley als het antwoord goed is, omcirkel de weapy als het antwoord fout is.


A De stroom door beide lampjes is gelijk.  
B De stroom door L1 is groter dan door L2.  

C De stroom door L 2 is groter dan door L1.  

D Je kan geen uitspraak doen over de stroom.  
5.5 Weerstand
16 a Noem drie materialen met een kleine weerstand voor
elektrische stroom.
………………………………….

………………………………….

………………………………….

b Noem drie materialen met een grote weerstand voor
elektrische stroom.
…………………………………..
……………….………………….
…………………………………..

17 Vul de ontbrekende waarde in.
weerstand 18 Ω, spanning 6 V, stroomsterkte……………………….
stroomsterke 7 A, spanning 35 V, weerstand ………………………..

weerstand 2000 Ω, stroomsterkte 150 milliampère, spanning ………


18 a Een lamp brandt op een spanning van 6 volt.
De weerstand van deze lamp is 2400 Ω.
Bereken de stroom die door deze lamp gaat.
…………………………………………………………………………..
b Een apparaat heeft een vermogen van 690 W en is aangesloten
op een spanning van 230 V.
Bereken de weerstand van dit apparaat.
…………………………………………………………………………..

c Hoe groot is het vermogen van een wasmachine met een
weerstand van 46 Ω die is aangesloten op een spanning van 230 V?
……………………………………………………………………………
Verdieping Spanning en sensatie
19 a Als je je hand legt op een zogenaamde Teslabol, dan voel je
niets van de hoge spanning. Waarom is deze hoge spanning niet
gevaarlijk?

……………………………………………………………………………..


b Een transformator bestaat uit twee spoelen. Hoe kun je, met behulp
van een transformator, een hoge spanning omzetten in een lage
spanning?

……………………………………………………………………………..


20 Een transformator bestaat uit twee spoelen die gekoppeld zijn door
middel van een weekijzeren kern.

a In de tekening is de weekijzeren kern getekend.

Maak de tekening af door twee spoelen te tekenen, de linker


spoel met weinig windingen, de rechter spoel met veel windingen



b Je sluit de uiteinden van de linker spoel aan op een spanning
van 230 V. Is de spanning rechts hoger of lager dan 230 V? Leg uit!
………………………………………………………………………..
21 De onderstaande tabel heeft betrekking op een transformator.

Vul in de lege vakjes de juiste getallen in:




aantal windingen linker spoel

spanning linker spoel (V)

aantal windingen rechter spoel

spanning rechter spoel

(V)


200


230

600




8 000


400




10

400


2000

8000




100





20 000

25 000


22 In een kermis branden van 20.00h tot 24.00h 2400 gloeilampen
van 60 W.

Hoeveel energie zetten deze gloeilampen om?



A 576000 kWh

B 9600 kWh

C 576 kWh

D 144 kWh
Einde

Correctiemodel Pulsar Hoofdstuk 5 Elektriciteit Toets A
5.1 Elektriciteit om je heen Punten
1 a Verschil: dikke batterij gaat langer meer 1

b Overeenkomst: Ze hebben dezelfde spanning. 1

c 1 gloeilamp

2 de vonk van een elektrische aansteker 2
2 a elektromotor 1

b dynamo 1

3

bron

voordeel

nadeel

stopcontact


groot vermogen

niet verplaatsbaar

dynamo


verplaatsbaar

klein vermogen

batterij


overal toepasbaar

klein vermogen, duur

zonnecel


gratis energie

klein vermogen, duur

om te maken



4
5.2 Energiegebruik
4 De accu kan veel stroom leveren, dus veel vermogen. 2
5 1 1000 J/10 s = 100 W 1

` 2 300 J/ 60 s = 5 W 1


6

apparaat

vermogen (W)

vermogen (kW)

tijd

energie (kWh)

wasmachine


2800

2,8

5 uur

14

aquariumverwarming


100

0,1

200 uur

20

stofzuiger


900

0,9

150 minuten = 2,5 uur

2,25

scheerapparaat


10

0,01

35 minuten = 0,58 uur

0,0058

magnetron


900

0,9

1,5 uur

1,35

computer


220

0,22

21 uur

4,62

verlichting


300

0,3

30 uur

9

7
7 a energie = vermogen x tijd of E = p x t 1

b E = p x t = 20 W x 90 s = 1800 Ws = 1800 J
t = E / p = 350 J/ 700 W = 0,5 s

p = E / t = 900 J / 300 s = 3 W 3


8 a 75 W x 20 h = 1500 Wh = 1,5 kWh

9 W x 20 h = 180 Wh = 0,18 kWh

-

1,32 kWh 2


b 1,32 x € 0,20 = € 0,26 1
9 ab




vermogen

tijd

energie

wasmachine

2000 W

70 minuten

2,33 kWh

afwasmachine

1,5 kW

1,5 uur

2,25 kWh

lampen

5 x 60 W

3 uur

0,9 kWh

lampen

3 x 100 W

3 uur

0,9 kWh




4,1 kW




6,38 kWh

5
c 6,38 x € 0,20 = € 1,28 1

5.3 De stroomkring
10 a p

b p 2
11 niet/niet

niet/niet


niet/niet

wel/wel 3


12 niet/niet

niet/wel


wel/niet

wel/wel 3


13 niet/niet

niet/niet

wel/wel

wel/niet 3


5.4 Stroomsterkte
14 A De stroom door beide lampjes is gelijk.
B De stroom door L1 is groter dan door L2.

C De stroom door L 2 is groter dan door L1.

D Je kunt geen uitspraak doen over de stroom. 2
15 A De stroom door beide lampjes is gelijk.
B De stroom door L1 is groter dan door L2.

C De stroom door L 2 is groter dan door L1.

D Je kunt geen uitspraak doen over de stroom. 2

5.5 Weerstand

16 a glas, plastic, lucht, hout 2

b metalen, koolstof, zout water, gloeiende lucht (bliksem) 2
17 Weerstand 12 Ω, spanning 6 V, stroomsterkte 0,5 A 1
stroomsterke 3,5 A, spanning 70 V, weerstand 20 Ω 1

Weerstand 7000 Ω, stroomsterkte 100 milliampère, spanning 700V 1


18 a I = 0,005 A

b I = 2 A  R= 115 Ω

c I = 10 A  p = 2300 W 3

Verdieping Spanning en sensatie
19 a Een transformator dient om van een hoge spanning een lage spanning te
maken of omgekeerd. 1

b Het is energiezuiniger om een hoge spanning te gebruiken bij transport over grote afstand. 1
20 a 2
b De spanning rechts is lager dan 230 V omdat het aantal windingen rechts kleiner
is dan links. 1
21 4

aantal windingen linker spoel

spanning linker spoel (V)

aantal windingen rechter spoel

spanning rechter spoel

(V)


1000


230

200

46

20 000


4000

50

10

300


1500

9000

45 000

400


5000

2000

25000


22 C, energie = 3h x 3000 x 0,075 kW = 675 kWh 1
Einde Totaal: 69
Correctiemodel Pulsar Hoofdstuk 5 Elektriciteit Toets B
5.1 Elektriciteit om je heen
1 a Dat komt doordat batterijen niet genoeg stroom kunnen leveren,
Het vermogen is te klein. 2

b 1 ventilatorkachel

2 elektromotor 2
2 a lamp 1

b zonnecel 1

3 4

lichtbron

voordeel

nadeel

tl buizen

veel licht en goedkoop in gebruik

groot en kleur

led verlichting

zuinig

weinig licht

gloeilamp

overal toepasbaar,
goedkoop in aanschaf

duur in gebruik

spaarlamp

zuinig

duur in aanschaf


5.2 Energiegebruik
4 De stroom door de LED lamp is klein. 2
5 1 2000 J/ 5 s = 400 W 1

` 2 1200 J/ 120 s = 10 W 1


6 7

apparaat

vermogen (W)

vermogen (kW)

tijd

energie (kWh)

droger


2500

2,5

4 uur

10

schemerlamp


100

0,1

200 uur

20

mixer


30

0,03

150 minuten

0,075

scheerapparaat


15

0,015

35 minuten

0,0088

oven


600

0,6

4 uur

2,4

computer


320

0,32

17 uur

5,44

boormachine


150

0,15

2 uur

0,3


7 a energie = vermogen x tijd of E = p x t 1

b E = p x t = 30 W x 60 s = 1800 Ws = 1800 J
t = E / p = 700 J/ 350 W = 2 s

p = E / t = 640 J / 320 s = 2 W 3


8 a 100 W x 15 h = 1500 Wh = 1,5 kWh
11 W x 15 h = 165 Wh = 0,165 kWh

-

1,335 kWh 2
b 1,335 x € 0,20 = € 0,27 1
9 ab 5






vermogen

tijd

energie

wasmachine

1800 W

90 minuten

2,7 kWh

afwasmachine

1,8 kW

1,2 uur

2,16 kWh

lampen

7 x 40 W

4 uur

1,12 kWh

lampen

3 x 75 W

4 uur

0,9 kWh




4,1 kW




6,88 kWh


c 6,88 x € 0,20 = € 1,37 1

5.3 De stroomkring
10 a p

b p 2
11 niet/niet

niet/niet


niet/niet

wel/wel 3


12 niet/niet

niet/wel


niet/niet

wel/wel 3


13 niet/niet

niet/niet

wel/wel

wel/niet 3


5.4 Stroomsterkte
14 A De stroom door beide lampjes is gelijk.
B De stroom door L1 is groter dan door L2.

C De stroom door L 2 is groter dan door L1.

D Je kan geen uitspraak doen over de stroom. 2
15 A De stroom door beide lampjes is gelijk.
B De stroom door L1 is groter dan door L2.

C De stroom door L 2 is groter dan door L1.

D Je kan geen uitspraak doen over de stroom. 2

5.5 Weerstand

16 a metalen, koolstof, zout water, gloeiende lucht (bliksem) 2

b glas, plastic, lucht, hout 2
17 Weerstand 18 Ω, spanning 6 V, stroomsterkte 0,33 A 1
stroomsterke 7 A, spanning 35 V, weerstand 5Ω 1

Weerstand 2000 Ω, stroomsterkte 150 milliampère, spanning 300 V 1


18 a I = 0,0025 A

b I = 3 A  R= 77 Ω

c I= 5 A  p = 1150 W 3

Verdieping Spanning en sensatie
19 a De opgewekte stroom is te klein om gevaarlijk te zijn. 1

b Om een hoge spanning om te zetten in een lage spanning gebruik
je een transformator met veel windingen in de eerste spoel en weinig
windingen in de tweede spoel. 1

20 a
b De spanning rechts is hoger dan 230 V omdat het aantal windingen
rechts groter is dan links. 1
21 De onderstaande tabel heeft betrekking op een transformator.

Vul in de lege vakjes de juiste getallen in:



4

aantal windingen
linker spoel


spanning

linker spoel (V)

aantal windingen

rechter spoel

spanning rechter

spoel (V)

200


230

600

690

8 000


400

200

10

400


2000

8000

40 000

100


125

20 000

25 000

22 C, energie = 4h x 2400 x 0,060 kW = 576 kWh 1
Einde Totaal 67

Pulsar nask 1-2 hv toetsen  2006 Wolters-Noordhoff bv    





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina