Rechterlijk Archief Veghel, inv nr. 99, attestaties 1727-1732



Dovnload 119.17 Kb.
Pagina1/3
Datum25.08.2016
Grootte119.17 Kb.
  1   2   3
Rechterlijk Archief Veghel, inv. nr. 99, attestaties 1727-1732

Samengevat door: Martien van Asseldonk

R99, fol. 12 (12-12-1727)

Schepenen van Veghel verklaren “dat wij heeden naermiddag ontrent drije uuren het doot lighaem van sekeren Pieter Bouwens, out ontr(ent) 40 jaren, in zijn leeven jager binnen deese plaatse, hebben vinden liggen bij seekeren voetpat alhier genaamt aent Heselaar.” Het lighaam werd op bevel van de hoogschout gevisiteerd “door m(eeste)r Theodorus Vos, chirurgijn, waar aen geen andere quetsuure off concusie zijn gevonden dan een groot gat ingaende boven aan den regtere zeijde van zijn schouderen, doorgaende onder ’t regtere oor, ook de stroot aff, en sekerlijk gepenetreert in de hersenen. Vindende ook nog de hagelkoorens aan d’ andere zyde vant hoofft tusschen vel ende valies, waer door de doot is veroorsaekt, en soo men vermeent gecauseert door dien hij strampelende vallende zijnen snaphaen in zyn hant affgaende, het ongeluk alsoo heeft gekreegen.”

R99, fol. 12v (14-12-1727)

Voor schepenen van Veghel verscheen Antonij Vermeulen, “geswooren alhier”, die op verzoek van de Hoogschout een verklaring aflegt. Hij verklaart dat hij “met en beneffens Pieter Bouwens synen swager in sijn leven inwoonder en jager binnen desen dorpe op voorleden vrijdag, wesende den twaelffden deser, ter jagt gaande ende gecomen sijnde ontr(ent) drije uren naarmiddag op seeckeren voetpat alhier genaamt aent Heselaar, alwaar voorgemelte Pieter Bouwens zijnen snaphaan in de ene hant hebbende en met d’ ander hant (mits de coude) zijn selven in de zijde slaande, strampelde, vallende in een leegte aldaer, waar door gebeurt is sijnen snaphaen affgaande, sigh selven op die onnoosele wijse zijn hooft van een heeft geschooten, soodanig datte imemdiaet de doot op volgde, ende sonder woorde gehoort te hebben den geest gaff.”

R99, fol. 24v (31-1-1728)

Voor schepenen in Veghel verschenen Marten Kilsdonk, “gewesene president schepen alhier”, Elisabet Willems van den Tillaer, “gewesene dienstmaagt by Dirk van den Tillaer, Adriaen Hendrik ende Lambert, gebroederen, soonen Claas Jans en m(eeste)r rademakers alhier, Daniel van Bergeijck, m(eeste)r cuyper alhier,” allen inwoners van Veghel, om op verzoek van Gerardus de Jong een verklaring af te leggen.


Elisabeth Willems van den Tillaer verklaart “dat int laast van den jaare XVIIC drijenentwintig oft int begin anno XVIIC vierentwintig, sonder den preciessen tyt onthouden te hebben, tegelijk met den requirant en sekeren Jan Aart Donckers, meede inwoonder alhier, des naermiddaegs is geweest ten huyse van Dirk van den Tillaer, in zyn leeven schepen en herbergier alhier. Dat den selven Dirk van den Tillaer teegens opgem(elte) Jan Aart Donckers zijnen swaager deese oft diergelyke woorden zeijde: “Jan, swaager, gij moet ook eenen boom aen den s(ecreta)ris vereeren voor zijne extraordinaire diensten gedaen in het treffen van het accoort met u stiefmoeder en halve broeders en susters, en waer over hij oneijndige moeyten gehat heeft, want sonder hem soo souder zyn leeven egeen accoort hebben getroffen geworden, en die andere hebben hem eenen boom vereert.” Dat den selven Jan Aert Donckers daerop antwoorden: “Wat boom soude dat weesen?” Waer op gesegt wiert: “Het is den boom opt Cijtaert voor in de steegt, digt aen de huijsinge van Rut Lamberts, om plancken aff te saagen. Den gemelte Jan Aert Donckers van zynen swaager voors(creven) daer toe aangeset werdende den boom aan den s(ecreta)ris te vereeren, dog in het eerste wilde reserveeren den affval en spaenderen, maer eyndelyk geheel daer van affsiende, heefft alsoo met toereyking van zyn hant den geheele boom aen den s(ecreta)ris voor extraordinaore diensten vereert, mits dat de requirant een pint wijn off twee soude moeten geeven.
De tweede deponente verklaert dat zy tyde voors(creven) was dienstmaegt by gemelte Dirk van den Tillaer, ende alsoo meede voort meest aen en by het voorval voors(creven) present geweest, konnende egter niet precies de woorden wederseijts gegaen seggen, maer voor een positieve waerheijt dat den selven Jan Aert Donckers den voors(creven) boom aen den requirant met toereijking van zyn hant voor extraordinaire diensten in sake voornoemt gedaen heefft vereert.
Den derden, vierden en vyffden deponenten verklaaren dat den selven boom ontrent april anno XVIIC vierentwintig hebben omgedaen en gesaagt, zynde den blok circa dertien voeten, en int geheel soo als hij stont niet meer waerdig dan een pistool off uijterlijck tien, elff à twaalff gulden. En dat zij voor het omdoen, opwinden, brantklooven, als voor ’t saagen tot planken hebben gehat seeven gulden en ses stuijvers. Den laatsten deponent, m(eeste)r cuijper, verklaert meede alsdoen gehoort te hebben van andere persoonen dat Jan Aart Donckers den geseyden boom aen den requirant had vereert, hebbende den selven boom meenigmaal sien staen, en met aandagt besigtigt, confirmeert zig aen de waerdije der drye voorige tot een pistool, tien, elff à twaalff gulden.
Allegeerende de twee eerste deponenten voor reedenen van welwetentheyt, aen en by de gedane vereeringe present te zyn geweest, en dat den requirant op deese gedane vereering verscheyde pinten wyn heefft gecommandeert, en hij die ook mede helpen consumeeren in de voorkamer naest de straet.”

R99, fol. 26v (31-1-1728)

Voor schepenen in veghel verscheen Jan Dirx van der Lande, oud ongeveer 23 jaren, inwoner van Veghel, om op verzoek van Gerardus de Jong een verklaring af te leggen.
Hij verklaart dat hij in 1723 op verzoek van gerardus de Jong “met de kar is gereeden aan de erve van Jan Aart Donckers om een steijger hout te haalen, gelyk hy deponent ook heeft gedaen, zynde het selve een dun else houtje, ter lengte van circa twintig voeten, door hem deponent en nog een man op de kar gedraagen en alsoo gebragt aen de huijsinge van den requirant, alwaer ’t selve tot steygeringe voors(creven) is gebruykt en sien gebruijken. En dat het selve van seer geringe waarde was, want wanneer diergelyke soude koopen niet gaarne eene gulden daer voor soude betaalen.
Allegeerde hij comparant voor reedenen van welwetentheyt niet alleen ’t geene voors(creven) gehaalt te hebben, maer mits aldaer meede in (..) was, daeromme in versse geheugen, voegende daer nog by dat het een stip hat, alwaar wel voor deese latten ingehouwen waren, derhalven seer wel kennelyk en daeromme ten hoogste de bovengenoemde volle waerdige.”

R99, fol. 27 (2-2-1728)

Schepenen in Veghel verklaren op verzoek van Antonij Tomasse van der Heijden, geboren te Deurne, bruidegom met Agnees Hendrik Lanberts, geboren te Veghel, “dat wij de kinderen die den voors(creven) Antonij Tomasse bij de voors(creven) Agnees Hendrik Lamberts, zijne aenstaende huysvrouwe naar dato deses mogte koomen te verwecken en tot Schyndel gebooren werdende, deselve kinderen voor de helfft in den requirants huysvrouwe voort geheel ingeval binnen den tyt van vyff jaaren naar deesen tot armoede mogt koomen te vervallen, desselve uyt onse arme kasse beneffens andere inboorlinge te sullen onderhouden en den armen van Schijndel daer van te sullen ontlasten.”

R99, fol. 41 (17-3-1728)



Voor schepenen in Veghel verschenen Roovert Jans van den Groenendaal, “president”, Marten van Doorn, Jan Adriaens Verhoeven en Goort Aert Gooers, “mede schepenen deses dorps”, Jacobus van Orten, “onder vorster”, en Helena Nouwens, vrouw van Bastiaen van de Werk, om op verzoek van Adriaen Doncquers, inwoner van Veghel, een verklaring af te leggen.
De vier eerste deponenten verklaren “dat op sondag de achtsten februarij jongstleden des voormiddag met seekeren Willem Geenhoven, slants deurw(aarde)r zijnde in de achtercamer van Bastiaan van de Werck, vorster ende herbergier alhier, hij deurw(aarde)r bij sig hebbende een groote lijst waar mede soo hij seijde moet omgaan, haar deponenten naar eenige veragterde posten vragende, waar op hij haar soo veel ligt tot uytvindinge gegeven wiert als mogelijck was. Dat oock onder andere naar een veragtert rentje staande op den naam, soo men meent, van Willem van Boxmeer, vragende: “Waer uijt gaat, oft wie moet dat betalen?” Ende geantwoort wiert: “Dat gaat uyt dit huijs, alwaar wij in sijn, en indien U E(dele) de eijgenaars wilt spreecken, den eenen is altans hier voor in huijs ende den anderen is Adriaen Doncquers, dien het te samen toecomen.” Hij deurw(aarde)r daar op repliceerde: “Neen, ik heb haar niet noodig. Ik salt goet morgen maar in arrest nemen en voor sijn gat vercoopen.” Naar dit alles ten opsigte van pagten en renten affgehandelt hebbende, zijde hij deurw(aarde)r: “Ik moet in dit dorp ook eens in de prothocollen comen hoijen, en ik heb nog een pretensie op Nieckens, maar soo ik daar aen te cort come, sal mij het dorp moeten betalen.”
Daar naar wiert bij hem deurw(aarde)r weder een ander propoost gemaackt, het materie van mans en vrouwe schamelheijt rakende en andere overmitse en ondeugende praaterije, seggende mede: “Mevrou des Tombes heeft twee mans gehadt, die hadde maar dingskens,” wijsende op sijnen eenen vinger, “soo lanck,” maar nu heeft zij een man,” die hij tegelijk noemde, “die heeft een ding aen sijn gat, soo groot,” vertoonende zijnen arm, “soo eenen swans heeft hij,” en meer dergelijcke ongeoorlooffde woorden, onbetamelijck en buyten ’t respect haarder deponenten, die in haar quael(itey)t daer saaten om op ordre van haar Ed(el) Mo(genden) soo veel doenelyck aen slants deurw(aarde)r wegens verduijsterde pagten ende renten verpligt zijn insructie te geven. Dese vertellinge haar deponenten ten laatste verveelende, schamende ’t selve langer aen te hooren, zijn vertrocken, laatende hem deurw(aarde)r alnog daar.
Verders verclaart hij eerste comparant gecomen zijnde int huijs van Lambert van den Boogaert, alwaer den requirant stont. Dat hij tegens den req(uiran)t seyde: “Hoe staat gij hier? Den deurw(aarde)r Ginhoven wil u huijs morgen in de arrest nemen en vercoopen.” Dat hij req(uiran)t vraagde: “Waar voor?” Hij deponent zeyde: “Voor een rente die ten agteren is.” Den req(uiran)t weder repliceerde: “Wel, ik ben noijt aengemaant geweest. Daar over moet ik hem eens gaan spreecken.”
De laatste comp(aran)te, zijnde Helena, huijsvr(ou) Bastiaen van de Werck, verclaert dat een weijnig teijt naar dat opgemelte deponenten vertrocken waren aen haar huijs is ingecomen den req(uiran)t ende desen vraagende naar den deurw(aarde)r Ginhoven, die zij deponente zeijde in de camer te zijn. Den requirant haar deponente versoekende, zeggende: “Weest soo goet en vraagt hem eens off ik hem wel eens mag spreeken,” tgeene de seponente aenstonts ging doen, ende bij hem deurw(aarde)r geantwoort wiert: “Jaa, laat hem binnen coomen,” ende waar op den req(uiran)t naar binnen ging.
Jacobus van Orten, ondervorster, verclaart dat hij ten dage voors(creven) comende aent huijs van opgem(elte) Van de Werck, alwaar in de ceuken sag staan den req(uiran)t in desen, bloijende aen sijnen hals. Dat de huijsvrouw van hem req(uiran)t gaande in de camer, alwaar hij deurw(aarde)r Ginhoven was. Dat hij deurw(aarde)r tegens haar zeyde: “Godt straff me,” “off “God doeijme, gaat uyt de camer, off ik breu u de cop aff, soo gij er niet uyt gaat” treckende met eenen zijnen sabel uijt. De deponent toeschietende en hem Ginhoven in de arme vatte, gaande deselve huijsv(ou) de camer uijt.”

R99, fol. 43 (22-3-1728)

Schepenen en secretaris van Veghel verklaren dat zij heden op verzoek van Jan Rombouts zich “hebben begeven aen de huijsinge en erve staande alhier ontrent de Leest, den requirant aengecomen bij coop ende opdragt van de kinder Hendrick Joosten, alhier gepasseert wesende van dato tweeëntwintig january jongstleden, ende aldaar oicalairelijck gesien ende bevonden dat het gemelte huijske geheel was gedevaliseert ende onmogelijck sonder nootsaakelijcke reparatie niet bewoont conde werden, als zijde voor eerst ontbloot van alle deuren, vensters, glaasen, vloeren, solderinge, oock geen schoorsteen, voor minste de helft dackloos, (en..) niets bevonden dan vier cleijnen gebontjens waer van den eenen steijl nog ontstucken is. De cap boven is mede in eenen slegten staatt, soo datter niets off weijnig goet aent geheel huijsken is. Ende voor ’t minste indien ’t eenisints bewoonbaar wort gemaakt, ’t gene egter nootsaackelijk is, omtr(ent) off ruijm hondert g(ulden) gespendeert sal moeten worden.”

R99, fol. 57v (24-5-1828)

Voor schepenen in Veghel verscheen Jan Tonis Klokgieters, oud ongeveer 32 jaren, en zijn broer Daniel, oud ongeveer 35 jaren, wonende in Veghel “en luijden van eere”, om op verzoek van de Wel Edele Gestrenge Heer Balthasar Repelaer, hoofdschout van Peelland, een verklaring af te leggen.
De eerste deponent verklaart “dat hij op de tweentwintigsten deeser loopende maent des naermiddaegs ontrent ses uren komende met zyn kar en peert geladen met mis (=mest), rydende op de gemeente voor den draeyboom off lant van sekeren Jan Daniels van Dinter alhier aen de heij genaemt, alwaer by hem gekomen is den persoon van Geerit sone Jan Daniels voorn(oem)t, hebbende in zyn hant eenen riek met drye eysere tanden, waer meede den ges(creven) Geerit Jan Daniels niet tegenstaende hij deponent verscheyde malen versogt en bidden hem niet te slaan, “want ik sal u beklagen soo gij mij quaat doet.” Des onaengesien wat bidden en smeeken hij dede, evenwel hem deponent seer miserabel met den riek hefft geslaagen en daer vandaan gedreven.
Den tweeden comparant verklaart present bij dit voors(creven) geval geweest te zijn, ook het bidden gehoort en het slaan met den riek bescheytentlic gesien te hebben.”

R99, fol. 58 (27-5-1728)

Voor schepenen in Veghel verschenen Maria, vrouw van Jan Evers van Hout, wonende te Veghel, haar knecht Andries Hendrix, oud 25 jaren, en haar “dienstmaegt” Cornelia Geerits, oud 24 jaren, om op vezoek van de Wel Edele Gestrenge Heer Balthasar Relepaar, hoofdschout van Peelland, een verklaring af te leggen.
Ze verklaren “dat op de 22ste van deze maand, rond 6 uur nademiddag, zij waren het onkruijt uijtweijen int lant genaemt den Nieuwenhoff, niet verre van den draeyboom hangende voort lant van Jan Daniels van Dinter aen de hey geleegen. Dat zy deponenten eenige questie horende tusschen Jan Teunis Clokgieter en Geerit soone Jan Daniels, zynde voor opgem(elde) draeijboom en verders gehoort te hebben dat den selven Jan Teunisse zyde teegens Geerit voorn(oem)t: “Slaat my niet, want dan sal ik u beklagen.” Dat zy deponenten daer op hoorden eenen slag, niet te regt te konnen seggen waar op het was, maar dat immediaat den selven Jan Teunis tegens haar deponente zeyde: “Ik neem u tot getuijgen, dat Geerit Jan Daniels my daer geslagen heefft.” Daer op zy deponenten opziende en hem Geerit Jan Daniels alsdoen sagen gaan met eenen riek in zyn hant. Ende de broeder van denselven Teunis, met name Daniel, met een kar geladen met mis (= mest) weeder terug van den draeyboom aff sagen rijden. Verklarende de eerste deponente alnog gehoort te hebben dat Geerit Jans voorn(oem)t zeyde tegens Daniel, broeder van Jan Teunis, “Soo gylieden weder door den draeyboom wilt varen, sal ik u nog wel anders hebben.”

R99, fol. 59v (2-6-1728)

Voor schepenen in Veghel verscheen Peter Hendrik Faassen, wonende te Schijndel, oud ongeveer 90 jaren, Adriaen Lamberts van Geffen, wonende int Eert, oud ongeveer 44 jaren, en Marten van Kilsdonk, wonende te Veghel, oud ongeveer 63 jaren, “alle luyden van eere”, om op verzoek van Joseph Ansems, wonende te Veghel int Eerdt, een verklaring af te leggen.
De eerste deponent verklaart “dat hij ontrent vijffentwintig jaaren gelegen, onbegrepen, is comen woonen int huijs alwaar den requirant altans in is woonende en sulx successivelijck bewoont vier à vijff jaren agter den anderen. Dat hij gedurende zijne inwooninge aldaar te coop heeft gehouden eenige winckelware, ook tapneering en een weijnig labeur gedaan. Dat hij sonder interruptie den tijd zijner voors(creven) wooninge de slants en dorps lasten, soo van persooneele quotisatie, cleijn specie, impost op de drancken, beestiael hoorngelt etc. noijt anders als aen die van Veghel heeft betaelt ende gecontribueert gehadt, ende ook van jare tot jare aldaar op de onvermogene hooftlijst neffens andere naburen aenget(ekent) geweest, en altijt als een inwoonder van Veghel geconsidereert geworden, sonder oijt van die van St. Oedenrode off iemant anders aengesprocken te zijn geweest.
De tweeden comparant verclaart int huijs van den req(uiran)t voors(creven) gewoont te hebben naar sijn best onthout den jare van 1717, 18, 19, 20 ende 1721. Ook daar almeede winckelware veijl gehouden, tapneering en labeur gedaan, sonder aen imant anders de voor gespecificeerde impositien, hooftgelt, etc. betaelt, als aen die van Veghel, sonder van imant anders daar voor aengesprocken geweest te sijn.
Den derden comparant verclaart dat ontr(ent) 26 à 27 jaren onbegrepen geleden den impost op de drancken over desen dorpe van Vechel was ingepagt bij seeckeren Aert Daniels, van wien hij deponent was geauthoriseert van dese insamelinge voor hem waar te nemen, in welcke occasie hij den vont ten huijse alwaar de requirant altans is woonende heeft gaan opnemen, en oock de impost ontfangen. Hebben daar naar nog verscheijde malen den vont mede weesen opnemen.”

R99, fol. 80v (30-11-1728)

President en schepenen van Veghel “ons heden morgen begeven hebbende ten huijse van Antonij Geelkercken alhier, alwaar gequest lag seeckeren Adriaen van den Tillaar, ook woonagtig binnen dese plaatse, hem affvragende hoe, waar, van wie, ende op wat wijse dese quetsure heeft ontfangen. Ende heeft den selven gequetse onder solemnelen eedt aen handen des gecom(miteerde) vant officie affgeleget, dat hij op gisteren avont ont(rent) vijff uren sittende bij het vier (= vuur) alhier, alwaar, soo hij meent, van agteren over de plaats in quam Jan Antonij Smits, swager van hem gequetse met het bloot mesch in sijn hant, seggende tegens hem gequetse: “Schelm, heb ik u hier,” vattende hem gequetse bij sijn kleederen ont(rent) de keel, steeckende ook naar hem, apparent om de keel aff te steecken, dog raakte bij geluck aen de kin. Den gequetse, devoiren doende om de voordeur uijtte comen, vattende in passant een schup die daar stont, om sig soo veel mogelyck nog te verdeedigen. Egter hij Jan Antonij Smits mog toespringende, bragt aen den gequetse eenen steeck aen den linckerzijde ont(rent) een hant breet onder mem.” (..) “En zijde hij gequetse verders dat mede in den huuyse en bij het voorval present waren de huysvr(ou) Antonij Geelkerken, Adriaen ende Lambert Doncquers, mitsg(ader)s Hendrik Peters.”

R99, fol. 82 (10-2-1729)

Schepenen en borgemeesters van Veghel verklaren “dat Hendrik Bedinx, Rooms priester alhier, de resolutie ende ord(inan)tie van haar Hoog Mo(gende) van den 10 Martij 1728, waarbij de executie van den Roomsen Godsdienst aan den selven is geinterdiceert, tot nog toe voor soo veel ons bewust is, exactelijck heeft geobedieert ende naagekoomen. Verklaren tot dien, dattet ons aangenaam soude zyn in cas haer Hoog Mo(gende) gelieffde by middell van gratieuse vergunning den selven in zyne voorige bedieninge te conniveeren.”

R99, fol. 99v (16-4-1729)

President, een schepen en de secretaris verklaren op verzoek van Francis Hendrik Arien Smits, “heden ons hebben begeven voor seeckere brake teulants, liggende alhier aen de Hoogeijnde, voor desen gecompeteert by des requirants vader zal(ige)r ende aldaer oiculairelijk gesien, dat uijt het voorhooft vers waren uytgedaen twee eijcke boomen (soo men hoorde door Antonij van Geelkerken) gedaen doen, liggende aldaer nog de tacken ende de spaanders, alwaar aen arbeijdende was Adriaen Adams van Gerwen, die ons betuijgde dat hij die boomen op ordre van Antonij van Geelkercken had omgedaan.
Nog ons vervoegt aen seecker huijsinge daar ont(rent) gestaan ende mede bij des requirants vader zal(ige)r besseten, welcke huijsinge soodanig is vervallen, datter alleen maar staat ses bloote gebonte, de cap omverre en onstucken, hebbende by naar geen dack, immers van weijnige waarde, ook voort meeste sonder wande, de schouw ingevallen, gelijck ook de zeijtmeur, alleen maar de voordeur, middel en camerdeur met een quade schuerdeur bevonden, alle glasen ende ramen daer uijt, de zolder geheel verrot, geen est, branthuijs, schop oft oven ont(rent) de huijsinge, (..) geheel gedevolideert en buiten staat bevonden.”

R99, fol. 104v (16-7-1729)

Voor schepenen in Veghel verschenen Wilbort Jan Doncquers, zijn vrouw Jenneken, en Antonij Kivits, “molenaar”, “alle luijden van eere” en inwoners van Veghel, om op verzoek van Antonij Geelkercken, “coopman ende gewesene herbergier dese plaatse” een verklaring af te leggen.
Zij verklaren “dat op den drijentwinyigsten der maant october in den voorledene hare seventien hondert agtentwintig des naarmiddag zij deponenten neffens andere int geselschap waren ten huijse van den requirant, en alwaar mede present was seeckeren Geerit Hendrik Jan Emons, inwoonder tot Erp. Dat aldaer enige verteeringe gedaan wesende, die hij eerste deponent verclaart geschiet te zijn ter occoasie dat den selven Geerit Hendrik Jan Emons aen hem mede is geldende in eene jaarlyxe rente, die ten agteren was, ende waar over den selven Geerit van hem eenig uijstelt was versoukende, ende ook bij hem deponent is toegestaan. Ende verclaren verders de gesamentlijcke deponenten dat deselve gedane verteeringe bij opgemelde Geerit Hendrik Jan Emons is affgesproken en aengenomen, tselve aen den requirant alleen te betalen.
Allegeerende zij comparanten voor redenen van welwetentheijt aen bij ende present geweest te zijn en bescheijndentlijck gehoort te hebben dat hij Geerit voors(creven) alleen het geheel gelag voor zijn reeckening nam, met bijvoeginge van de laatste deponent dat den selven Geerit Hendrik Jan Emons den requirant ook commandeerde van een speckstruijff te backen. Dat de twee eerste deponenten hebben gesien dat de speckstruijff in de pan over ’t vier hong ende daer op eweg gingen. Dog den derden deponent die speciael van hem Geerit daar toe versogt is geweest mede van de gebacke speckstruijff heeft gegeten.
Verders verclaart den laatsten deponent dat hij eenige weeken daar naar met den requirant door Erp passeerende, bij geval zijne gecomen ont(rent) de huijsinge van den selven Gerit Hendrik Jan Emons ende alsdoen opgemelte Geerit heeft hooren seggem tegen de requirant Antonij: “Ik sal eerstdaags tot Veghel comen en u betalen.” Dat den requirant daar op antwoorde: “’t is wel, maar het comt op geenen dag aan.”

R99, fol. 107 (15-9-1729)

Voor schepenen in Veghel verscheen Joris de Flaij, “dewelcke verclaarde dat hij nu gecomen was tot den ouderdom van vyffentzestig jaren ende dese Vereenigde Nederlandse soo als ruijter en als corporaal aen den anderen heeft gedient den tijt van ruijm veertig jaren, zijnde eerst gegaen onder de compagnie van den h(ee)r Dorp int regiment van de h(ee)r prince de Nassouw, ende alsoo successievelic int selve regiment ’t geene alsnu heeft den h(ee)r Brigadier Baron van Drincborn gebleven als zijnde alsnog actueeel corporaal onder de compagnie van den Ritm(eeste)r Lareliae. Dat hij alhier bij Claas Doncquers zijnen schoonssone sig is ophoudende omme, soo het Godt behaagde, van zijne siekte herstelt te werden.
Wijders verclaren wij schepenen ende s(ecfreta)ris op den eet int aenvangen onser ampten gedaan, dat den geseyde Joris Flaij, ons bekent, met veel moijte, mits zijne quelende sieckte, heeden voor ons heeft begeven ende dat den selven Joris Flaij ons geheel mager en verganckelijck, enfin, in een slegten staat is voor comende, niet minder als den lande voor tegenswoordig te connen dienen, en selffs buyten staat eenige reijse connen uijtstaan.”

R99, fol. 127 (28-1-1730)

Voor schepenen in Veghel verscheen Adriaen Bastiaens van Doorn, oud 24 jaren, “staande ter goeder naam ende faam, en voor dienstknegt woonende bij Maria Peeter Geerits alhier”, om op verzoek van Joannes Hellinx, “coopman binnen dezen dorpe van Veghel” een verklaring af te leggen.
Hij verklaart “dat hij voor zijn meestersse op den sevende deser loopende maant januarij met peert en kar is gevaren naar de den Stadt S’ Bosch. Dat hij ten huijse van Daniel Janette, coopman aldaar, op den Hoogen Steenweg voor den requirant heeft affgehaalt twee zuijcker broode met eenige coffijboonen. Dat den selven Daniel Janette hem deponent speciaal belaste te seggen aen Joannes Hellincx, requirant, dat zijn gelt klaar was, en ‘t selve konde krijgen als hij begeerde. Waar van ook van Den Bosch comende rapport heeft gedaan. Betuijgende verders dat hij deponent dien dag nogh selffs oijt oft immer meer eenig gelt door hem Daniel Janette is ter handt gestelt om aen den requirant te overhandigen.”




  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina