Rector Magnificus, geachte toehoorders



Dovnload 49.63 Kb.
Datum18.08.2016
Grootte49.63 Kb.
Rector Magnificus, geachte toehoorders,
In de orgelversie van Verdi’s ‘Intocht der Gladiatoren’ en de film de ‘Gladiator’, horen en zien we de kracht van sport en spelen. We beleven op indringende wijze in het oude Rome, de emoties, het respect, de macht en de maatschappelijke functie van de sport. In onze tijd heeft sport niets van de kracht en aantrekkelijkheid van deze functies verloren. Sport is allereerst vooral sport: hardlopen, zwemmen, lang fietsen, reactie en reflectie, emotie en berekening, heldendom en schlemieligheid. Met de avonturen van de wielrenner Rasmussen als hoogte en dieptepunt van dit jaar. Dat zou voor mij als sportbeoefenaar al genoeg zijn maar vanuit het perspectief van de wetenschapper en bestuurder staat sport natuurlijk hoog op de agenda vanwege haar maatschappelijke functie. Die functie van de sport is dus niet van vandaag of gisteren maar de politieke en beleidsmatige aandacht voor deze functie neemt het afgelopen decennium weer sterk toe. Onder de titel ‘Respect in en door sport’ wil ik dat in een drieluik aan u voorhouden.
Geïnspireerd door het prachtige boek Respect in een tijd van sociale ongelijkheid van Richard Sennett, start ik met een autobiografische weergave van de sociale betekenis die sport in mijn jeugd had. Een benadering die voor onze toptennissers ook door de naamgever van mijn leerstoel, Richard Krajicek, is gevolgd in zijn boek Harde Ballen.

In het tweede luik wil ik laten zien dat sport niet alleen in mijn jeugd een grote sociale betekenis had, maar die ook vandaag de dag heeft - vanuit de optiek van sporters en in het bijzonder vanuit het perspectief van Marokkaanse meisjes en jongens. Ik zal spreken over de condities die nodig zijn om die betekenis verder uit te bouwen.

In het derde luik richt ik mij op de betekenis van de Krajicek playgrounds voor jongeren en hoe we de sociale kracht van de sport op deze veldjes mogelijk kunnen gebruiken.

Ik sluit af met een tweetal theoretische reflecties


Het eerste Luik: Individuele betekenisgeving in de sport
“Wat is deze”, hoorde ik een jongen ooit tegen een ander zeggen toen hij mij zag.

‘Deze’ groeide op aan de rand van de Bloemenbuurt en de Babberspolder, in Vlaardingen. De Babberspolder was een wijk vol naoorlogse noodwoningen die tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw zouden blijven staan. In de Babberspolder woonden vooral laaggeschoolde en ongeschoolde havenarbeiders. In de Bloemenbuurt woonden de iets beter geschoolde arbeiders en kleine middenstanders. Mijn vrienden waren Aad (zoon van de bloemist), Gerrit (zoon van de melkboer) en zijn neef Cock, die met zijn moeder bij zijn oma woonde (waarvan wij de vader niet kenden) en Frans (zoon van een ambtenaar)


Toen ik eindelijk tien was, mocht ik ‘op voetbal’, bij een club dus. Mijn broer Ab was op zijn zestiende gaan werken zodat mijn zus en andere broer konden blijven leren op school. Ab betaalde mijn eerste voetbalschoenen want mijn ouders hadden dat geld niet. Wat was ik verlegen en trots met die nieuwe Quicks die we kochten bij het Wapen van Dussen, bij het stadhuis en de grote kerk. Op mijn verjaardag kreeg ik van de familie de bijbehorende broek, het shirt en de wollen kousen van VFC, de Vlaardingse Football Club – waar Ab, als zeer talentvolle speler, al voetbalde.
Ik ging niet naar dezelfde vereniging als Aad en Gerrit. Ze zaten niet alleen op een andere, hervormde school, ze gingen natuurlijk ook naar de christelijke voetbalvereniging Zwaluwen. Frans ging helemaal niet naar een vereniging. Hij kon niet voetballen maar mocht ook niet op een club, vanwege het Calvinistische geloof. We spraken weinig over het geloof maar via Cock, die ik altijd ging ophalen en die dan vaak nog aan het eten was, werd ik zodanig bijgeschoold door het bijbellezen na het eten dat ik mijn hele leven een grote voorsprong heb gehad op veel gelovigen, qua bijbelkennis. Als ik wel eens door Gerrit en Aad werd gevraagd mee te voetballen met hun klasgenoten, leverde dat altijd een fel debat op want de klasgenoten begrepen niet dat een heiden zomaar in hun partij kon meedoen. Op bezoek bij mijn oom Paul presenteerde ik mijn vrienden als lid van het domineeselftal. In onze straat maakte dat niets uit. We voetbalden iedere dag samen. Dat heeft ons een belangrijke les geleerd. Hoe groot ook de ideologische verschillen en het debat tussen leiders, eenvoudige mensen kunnen door hun gemeenschappelijke liefde voor sport gewoon met elkaar leven. Ik denk daar vaak aan bij het huidige debat tussen politici en theoretisch georiënteerde intellectuelen over de onverenigbaarheid van de islam met het moderne Nederlandse leven. Ze hebben weinig buiten gespeeld, denk ik dan.
Op school speelde sport alleen een rol op het schoolplein en bij de jaarlijkse schoolvoetbaltoernooien. Bij gymnastiek leerden we vooral verantwoord bewegen.

De meester van Ab, die hele voetbalteams aan scholieren lid had gemaakt van VFC, was er helaas niet meer. Na hem kwam er een nieuwe hoofdonderwijzer, die ons graag wilde laten doorstromen naar de MULO en HBS. In onze klas waren er maar vier gegadigden voor de HBS waaronder mijn vriend Peter, die nooit voetbalde, en ik. Ook waren er nog vier Mulo klanten. Op een dag vertelde de meester trots dat wij, ter ondersteuning, twee keer in de week een uur extra les zouden krijgen in Frans en Engels. De onderwijzers handelden vanuit een sociaal geloof in de verheffing van de arbeidersklasse en met een geloof – in de traditie van van Heeck – in het ondersteunen van onze nog verborgen competenties. Maar ze rekenden buiten onze liefde voor de sport. Samen met andere twee klasgenoten weigerde ik mee te doen, want op dat uur werd er door onze vriendjes gevoetbald. Ik werd uit het opleidingsklasje gezet en pas na weken van discussies weer in genade aangenomen.

Ik moet hier nog wel eens aan denken als ik hoor dat veel, met zeer goede intenties opgezette, programma’s voor achterstandsjongeren niet werken. En ik denk er ook aan als ik hoor dat nu juist sport wordt ingezet om schoolprestaties te verbeteren en dat jongeren die dreigen uit te vallen door sport geresocialiseerd en binnen de school gehouden worden.
Op twaalfjarige leeftijd ging ik van de pupillen naar de junioren (van de D’tjes naar de C’tjes in voetbaljargon). Dat ging gepaard met een heuse ceremonie waarbij we allemaal op het eerste veld klaar stonden. We kregen een diploma waarop een jonge eend (symbool van de club) met je naam erop, wegvloog. De eerste, die opgeroepen werd, was Peter Verweel. Ik was verbaasd. Wie was deze jongen? Maar Peter kwam, ook na drie oproepen, zijn diploma niet ophalen. Toen ik als laatste nog geen diploma had, werd het me duidelijk, pijnlijk duidelijk. Na twee jaar voetballen bij deze club weten ze nog je naam niet.
Die negatieve ervaring werd verder gevoed aan het begin van het seizoen bij de C4. We wonnen de eerste wedstrijd met 8-0 en waanden ons een superteam. Maar de volgende wedstrijd bleken al vier spelers geselecteerd te zijn voor de C3. Gelukkig wonnen we die nog net. In mijn derde wedstrijd bleek ik reserve te zijn bij de C1 en ik was zeer vereerd. We gingen voetballen in Schiedam. Niemand sprak met mij en ik heb ook geen minuut gespeeld. Na afloop stapte ik op mijn fiets en ging alleen naar huis.

Ik wilde niet meer naar de club. Van mijn ouders moest ik mij zelf gaan afmelden bij de secretaris, die om de hoek woonde. Ik vertelde hem dat ik geopereerd moest worden en niet meer mocht voetballen. Daarna heb ik nooit meer wat van de club gehoord. Van een pedagogisch klimaat was er duidelijk geen sprake. Doorselecteren zonder aandacht voor de persoon heb ik vele verenigingen tot op de dag van vandaag zien doen. Het vlaggenschip, zoals het eerste elftal vaak genoemd wordt, de hoogste jongensteams en winnen: daar gaat het toch om?


Ik miste de club eigenlijk niet want ik voetbalde iedere dag op straat. Op school voetbalden we elke dag op het schoolplein, thuis schoten we op de deur van de wagenloods en iedere middag en avond (als het mocht) voetbalden we op een plein bij de voormalige speeltuin waar de bankjes de doelen waren. De wetten van de straat en het voetbal regeerden.
Mijn relatie met mijn ouders was moeizaam. Op zeventienjarige leeftijd wilde ik weg. Via mijn broer Hendrik sprak ik met Pro Juventute (een particuliere welzijnsinstelling) maar na een half jaar was ik geen steek verder. Ook de sociale dienst kon voor mij niets doen omdat ik zelf koos weg te gaan en niet door mijn ouders weggestuurd was. Instituten hadden toen, en hebben nu, regels voor zaken die ze kennen, regels om te volgen. Ik viel overal buiten en besloot op eigen houtje te vertrekken. Dankzij de interventie van mijn vrienden, broers en zus werd ik een paar maanden ondergebracht bij een vriend van een van mijn broers met de opdracht mijn HBS af te maken en zo snel mogelijk een vervangend huis te vinden. Via mijn jongste broer Ron, die net als ik ondertussen bij HVO voetbalde (waar ik als zestienjarige, na VFC via Aad lid was geworden), sprak ik met de keeper van de B1, Izaak. Hij vertelde dat hij het zijn vader zou vragen want zijn zus Olga ging net het huis uit. Voordat ik antwoord had, speelden we met de A1 een toernooi in Schravezande. Ik werd bij HVO, net als Peter Bekhoven, beschouwd als een talent: ik was snel, had een enorme conditie, speelinzicht en ik was goed voor tussen tien en vijftien doelpunten per jaar. Ik scoorde tegen Schravezande en de kampioensbokaal van het toernooi zou voor HVO zijn. Maar een oud mannetje achter het doel beweerde dat de bal door het zijnet ging. Peter en ik gingen, razend als vedetten, van het veld af. Een bestuurslid van HVO stuurde ons terug maar de wedstrijd bleef 0-0. Daardoor verloren we de eerste plaats. Bij de uitreiking scandeerden we: “Zijnet, zijnet, zijnet”.

Schravezande was not amused en onze clubleiding ook niet. Maar ik had het geluk dat Izaaks ouders, die aanwezig waren en mijn stiefouders zouden worden, dat begrepen. Voetbal had mij, niet voor het eerst en niet voor het laatst, een netwerk opgeleverd, waar men mij ondersteunde en het gevoel gaf erbij te horen zonder dat ik mij hoefde uit te leveren aan een groep of een heersende ideologie.


Mijn ervaringen hebben mij in mijn studiejaren een plaats gegeven in de toen zeer christelijke vereniging die DESTO was. Met dank aan Aad, Cock en Gerrit wist ik er heel goed mijn weg te vinden.

Ook al was ik niet gelovig en had ik een heel andere politieke overtuiging, ik kon met overtuiging de uitgangspunten van de club respecteren. Enerzijds was ik voor mijn medespelers anders, maar wel een van hen. Anderzijds begreep ik ook dat hun leven niet een op een was met wat de christelijke leer hen voorschreef. We hadden, zonder zware woorden te gebruiken, respect voor elkaar. Onze groepsidentiteit, persoonlijke identiteit en maatschappelijke positie ontwikkelden ongemerkt ons sociaal kapitaal.


Deze persoonlijke reflecties, waarin de antropologische onderzoeker de elementen van de life history en critical incidents herkent, laten zien dat sport larger than sport is. Sport structureerde mijn leven. Nog steeds mis ik het sportritme: op vrijdagavond al stiller worden; zaterdag vroeg naar de bakker; rustig eten; met Martin ‘Tony Boltini’ Donker of Eric ‘effe poorten’ van Riet met de auto of op de fiets naar het veld; een uur voor de wedstrijd aanwezig zijn; de warming up; de wedstrijd; de derde helft; de zalige vermoeidheid na de wedstrijd of het balen na verlies. Sport gaf mij het netwerk, het zelfvertrouwen en het vertrouwen in anderen dat individueel maar ook maatschappelijk sociaal kapitaal is, zoals ik later begreep. Sport overbrugde voor mij de religieuze, economische en sociaal-culturele verschillen met andersdenkenden; bracht mij bij mijn pleegouders; bezorgde me via Piet ‘penalty altijd raak’ Mast een kamer in mijn studententijd en schept ook nu nog vaak een band, als bijvoorbeeld blijkt dat een volkomen vreemde die ik in Pakistan ontmoet, ook aan sport doet.
Sport leverde ook een belangrijke bijdrage aan mijn zelfbeeld en was een houvast in moeilijke tijden. Sport zorgde dat ik een bleef met mijn vrienden van de Babberspolder – ondanks mijn HBS-studie – en sport zorgde er mede voor dat ik binnen de HBS geaccepteerd werd vanwege mijn sportieve kwaliteiten.
II . Ik kom aan het tweede luik: Sociaal kapitaal, sociale cohesie en identiteit
De niet antropologische geschoolde luisteraar zal mogelijk wat minder waarde hechten aan een life history en critical incident als het gaat om de generaliseerbaarheid van mijn persoonlijke belevingen. Het zijn aardige verhalen voor op verjaardagen maar wat heb je eraan en wat moet zoiets in de wetenschap en op deze plaats? Uiteraard zijn de belevenissen uniek maar ook weer niet zo uniek dat er geen vergelijkbare processen in de sport en bij andere sporters bestaan. Ze zijn empirische uitwerkingen van de theorie van Putnam over sociaal kapitaal, uitwerkingen van de theorie van Wiley en Weick over betekenisgeving en geven nadere invulling aan Senneths begrip respect en gebrek aan respect in een situatie van ongelijkheid. Ze zijn persoonlijk maar laten ook de complexe dynamiek zien tussen maatschappelijke processen en individuele betekenisgeving.

Zoals sport in mijn leven juist die verschillen – toen sociaal-economisch en levensbeschouwelijk van aard – bij elkaar bracht, zo wordt sport nu door politici en beleidsmakers geacht een bijdrage te leveren aan de participatie (in politieke termen: integratie) van vooral Marokkaanse en Turkse jongens en meisjes. De inzet is echter veranderd. Waar wij op onze gesegregeerde scholen en in verenigingen gescheiden werden maar onze sociale positie in de wijk ons bij elkaar bracht, moeten deze jongens en meisjes zich juist aansluiten bij bestaande verenigingen en het liefst bij witte kinderen die vaak niet meer in hun wijk wonen.


In de Utrechtse wijk Kanaleneiland is slechts 33 procent van de Marokkaanse meisjes tegenover 60 procent van de Marokkaanse jongens in groep zeven van de basisschool lid van een sportvereniging. Vergelijkbare cijfers zijn moeiteloos te achterhalen voor vele wijken in steden met veel allochtone jeugd. Deze cijfers illustreren de flinke achterstand in sportdeelname van vooral Marokkaanse en Turkse meisjes ten opzichte van autochtone kinderen, waarvan bijna 80 procent sport.
Van Rhee onderzocht in 2005 tevens de behoefte aan sport van Marokkaanse en Turkse meisjes tussen twaalf en achttien jaar. Opvallend is dat de ondervraagde meisjes graag willen sporten. De condities voor sportdeelname zijn voor hen echter doorslaggevend om daadwerkelijk deel te nemen. Voor sport- en beweegaanbieders betekent dit dat zij rekening moeten houden met de culturele achtergrond van de meisjes. Dominant daarbij is de zorg van ouders – en overigens ook van meisjes zelf – dat zij veilig kunnen sporten. ‘Veilig’ betekent: apart van jongens, die gezien worden als een mogelijke bedreiging voor de eer. Als er alleen gelegenheid wordt geboden om samen met jongens te sporten, heeft dat tot gevolg dat minder dan dertig procent van de oudere allochtone meisjes deelneemt, ondanks de wens van veel meer meiden actief bezig te zijn.
Uit het voorafgaande valt af te leiden dat er behoefte is aan mogelijkheden om te sporten en bewegen, maar dat de nodige condities ontbreken om aan hun wensen tegemoet te komen.
Waarom laten we deze meisjes niet sporten op hun eigen manier, net als de hockeymeisjes van Kampong? Waarom zien we deze meiden als een grote groep allochtonen? Wie de verhalen van de zwembaden kent, weet dat buiten de eigen zwemuren veel Marokkaanse meisjes in nauwelijks verhullende bikini’s op gemengde uren zwemmen om de verboden omgang met hun Marokkaanse vrienden te legitimeren met ‘zwemmen voor hun gezondheid’. Andere meisjes willen juist onder elkaar sporten of met een hoofddoek, zonder jongens en m,et lange broek De ene Marokkaanse is de ander niet. Dat zou ons, in onze geïndividualiseerde samenleving, nauwelijks mogen verrassen.
Kortom: we moeten onze beelden van Turkse en Marokkaanse meiden bijstellen en hun eigen wensen om te sporten en te bewegen onder door henzelf gewenste condities als uitgangspunt nemen. Het idee dat je alleen kunt integreren door ontmoetingen met mensen uit andere sociale groepen (de ‘samen-moet-ideologie’) is een illusie die ook in ons eigen leven niet bestond en bestaat. Wij sporten ook met onze eigen vriendinnen en vrienden en slechts voor een enkeling horen daar Turkse en Marokkaanse vrienden en vriendinnen bij. “Het moet niet gekker worden”, hoor je vaak als van autochtone Nederlanders gevraagd wordt de nieuwkomer te begrijpen. Maar de wet van vraag en aanbod negeren die verder overal als zaligmakend wordt beschouwd, roept vragen op. Het ligt in ons vermogen de sportdeelname van Turkse en Marokkaanse meiden te vergroten, maar dan moeten we die vermogens wel aanspreken.
Sportvereniging Lady Fit, winnaar van de Krajicek Award 2007, is een door Turkse en Marokkaanse vrouwen zelf opgerichte vereniging, die erin geslaagd is in twee tot vier jaar tijd 650 meisjes en vrouwen te organiseren. Het valt op dat de vereniging zich kenmerkt door een open houding: iedereen kan lid worden. De vraag van de deelnemers is leidend; een uitgangspunt dat beleidsmakers graag hanteren, maar waar veel sportaanbieders nog niet aan toe zijn. Lady Fit heeft ‘voor elk wat wils’, inclusief een gericht aanbod voor specifieke groepen: fitness met of zonder muziek, voetbal in de zaal of op het veld, een eigen fitnessuurtje voor de mannen. Beter dan veel welzijnsorganisaties en sportverenigingen heeft Lady Fit een analyse gemaakt van haar doelgroepen.
Lady Fit wijst ons de weg. Als een relatief jonge vrijwilligersorganisatie vraag en aanbod met elkaar weet te verbinden, waarom zou dat onze in hoge mate geprofessionaliseerde organisaties dan niet lukken? Mijn antwoord is: de Nederlandse beleidsmakers en sportaanbieders benaderen de organisatie van het sportaanbod niet op een moderne wijze, namelijk niet met eerbied voor verschillende wensen van verschillende klanten. Daardoor bedienen ze alleen de relatief kleine groep van Turkse en Marokkaanse vrouwen die onder alle omstandigheden wil sporten. Als we afstand nemen van de paternalistische houding dat sporten alleen mag zoals wij het organiseren met onze verschillen en sportopvattingen en we allochtone vrouwen het zelfbeschikkingrecht geven waarop we ze op andere terreinen aanspreken, dan krijgen we meer liefhebbers van sport en bewegen. Dan ontmoeten we elkaar in de sport, (h)erkennen we elkaar als sporters en als mensen, ieder met zijn eigen wensen.
In de sport kennen we nog altijd de Christelijke Omnivereniging DESTO, de Rooms Katholieke vereniging Willen Is Kunnen; RKWIK, de arbeidersvereniging Havenbedrijf Vlaardingen Oost (HVO), de elitevereniging Kampong, etc.

We kennen nog altijd dames- en herencompetities, leeftijdscategorieën en spelen op zaterdag en op zondag. En hoewel de individualisering en ontkerkelijking ervoor zorgen dat we niet meer verplicht zijn om van de wieg tot het graf deze wegen te volgen en eigen keuzes kunnen maken, speelt identiteit van een vereniging om historische, sociale of andere redenen nog een grote rol.

Kortom: sport wordt gedomineerd door verschillen. En juist door die verschillen kunnen er zoveel sporters meedoen.
Uit ons NWO-onderzoek blijkt dat de processen van etnische identificatie niet gebonden zijn aan slechts een gemengde (bridging) of juist een eigen context (bonding). Juist in gemengde situaties doet zich op (onverwachte) momenten het vraagstuk van de eigen identiteit voor. Zo zaten in bepaalde gemengde clubs de allochtone jongens in kleedkamer 1 en de autochtonen in kleedkamer 2 en speelden de onderlinge partijen zich ook vaak af in een groepje Marokkanen tegen Surinaamse of Nederlandse teamgenoten. Zelfs de capaciteiten van spelers werden regelmatig besproken als horende bij een etnische identiteit. Een Turkse speler van een gemengd team kreeg tijdens problemen bij een Turkse vereniging te horen: “Ali, hou jij je landgenoten eens koest”.

Als Ali op dat moment ergens geen behoefte aan had, was het deze scheidslijn, die hem ineens tot een Turk maakte, terwijl hij dacht bij zijn eigen team te horen. Kortom: juist in gemengde situaties zijn er naast de momenten van bridging (samen winnen en verliezen, samen boos op de scheidsrechter, samen uit eten, bevriend raken dwars door groepen heen, etc.) juist ook momenten waarop de eigen identiteit door anderen wordt teruggebracht tot een groepsidentiteit (bonding).


Andersom zijn er in de eigen vereniging vaak momenten waarop bridging capital wordt gevormd. Een team moet immers spelen tegen tal van andere verenigingen. Op het veld moet rekening gehouden worden met die tegenstander. Vaak hoorde ik complimenten van tegenstanders over de sportieve en leuke speelwijze van een Marokkaans team. Het drinken van Marokkaanse thee geeft een extra dimensie aan een bezoek van bepaalde verenigingen. Maar ook op minder harmonieuze momenten leren spelers omgaan met die verschillen. Loopt het uit de hand omdat je iemand uitgescholden hebt of een schop gegeven of omdat je Marokkaan of Turk bent? Ik zag meisjes met hoofddoeken leren hoe ze moesten omgaan met het feit dat ze voor pinguïns werden uitgescholden. Ze besloten te laten zien dat ze konden voetballen in plaats van op de vuist te gaan. Ik noteerde ook dat ‘Marokkaanse’ jongens van de buurt Hooggraven in Utrecht zelf niet op de fiets de weg konden vinden naar een betere wijk als Voordorp. Dankzij het voetbal kwamen zij daar wel en leerden, net als ik in mijn jeugd, het verschil tussen de jongens van de Goudkust en henzelf. Maar ze leerden ook dat je allemaal voetballers bent.
De rondgang langs onderzoekservaringen bij de verenigingen van nu laat zien dat mijn persoonlijke ervaringen niet uniek zijn. Ook voor andere jongeren speelt sport een rol in het verwerven van sociaal kapitaal zoals door Putnam beschreven en het vinden van een eigen identiteit. Ook deze kinderen worden op de vereniging geconfronteerd met maatschappelijke opvattingen, die mede van invloed zijn op waar jij bij hoort en wie je zou moeten zijn. Ook deze kinderen worden gecategoriseerd en soms gestigmatiseerd maar ook zij geven een eigen invulling aan hun definitie van de werkelijkheid. Daarvoor is een omgeving nodig die steun geeft, zoals door Senneth is aangegeven, maar helaas wordt die door verenigingen en ouders langs de kant niet altijd gegeven. Het is daarom ook van belang, zoals voor mij in mijn leven, dat de jeugd ook buiten verenigingen de kans heeft sport inhoud te geven.
III Ik kom hiermee aan het Derde luik: De betekenisgeving van jongeren op playgrounds
In mijn jeugd bleek dat wat ik en mijn vriendjes belangrijk of onbelangrijk vonden vaak niet overeenkwam met wat de sportvereniging of de kerk van ons wilden. Marokkaanse en Turkse kinderen ondervinden ook vaak de spanning tussen hun eigen wensen, die van hun ouders en de inzichten van de vereniging over hoe er gesport moet worden. Maar hoe zit dat nu met sporten in de wijk en op de playgrounds van de Krajicek Foundation? Welk evenwicht treffen we hier tussen de eigen beleving en de eisen van de institutionele omgeving?
Vermeulen, docent/onderzoeker van de USBO, leidt een onderzoeksteam met onder andere Van Slobbe, Spijkerboer, Maarschalkerweerd, Van Wersch, Ordelman en Mostert, die in opdracht van de Krajicek Foundation de interactie op de veldjes in kaart brengt, alsmede de invloed daarvan op de sociale cohesie in de wijk. Daarbij zoekt het onderzoeksteam met de Foundation naar betekenisvolle interventies. Maar ook het onderzoeksmateriaal dat is verzameld in opdracht van de Nederlandse Sport Alliantie door Boessenkool, Van Eekeren, Ytrehus en Kuitenbrouwer levert interessante gezichtspunten op met betrekking tot de beleving van jeugd bij het sporten in de buurten.
Boessenkool e.a zien dat het verschil tussen sporten bij een vereniging en op de veldjes uit de optiek van de jeugd een pragmatisch onderscheid is. Het is niet zo – wat vaak wordt aangenomen – dat kinderen die op veldjes spelen, niet op een vereniging zouden willen vanwege de socialiserende eisen of uit angst voor ervaringen zoals de mijne bij VFC. Een reeks van factoren beïnvloedt de sportbeleving.

Ze sporten ook op de veldjes juist met een beeld van de ‘echte ‘sport voor ogen maar ze missen het geld voor het lidmaatschap of worden vanwege wachtlijsten of dubbele wachtlijsten (waarbij allochtonen alleen in een bepaalde verhouding worden toegelaten naast autochtonen) geweerd.

Ook de afwezigheid van sportverenigingen en velden in hun wijken speelt een rol. Dat is het gevolg van overheidsbeleid uit de jaren tachtig, waarin deze verenigingen succesvol naar de randen van de stad verbannen zijn. Het beeld van de sport wordt voor veel kinderen toch bepaald door wat zij op TV zien, waar het stardom te bereiken is. Ik kan het niet beter zeggen met woorden dan met de daden van Mitchel op internet
Voor kinderen is een combinatie van sporten even vanzelfsprekend als voor mij in mijn jeugd en ook de kinderen van de verenigingen vinden we natuurlijk in overvloed op de veldjes – en met de trucjes van de veldjes ook weer bij de verenigingen.
Onderzoek van Mostert (2007) in drie wijken in Rotterdam laat zien dat jongeren naar de veldjes komen voor sport en contact. Die aspecten lopen door elkaar. ‘Lekker sporten’ is tegelijk ‘gezellig’. Maar ‘gezellig kletsen’ vraagt tegelijk om een omgeving om in te sporten. Technische vaardigheden bepalen mede de sociale verhoudingen. Wie goed is, blijft het langst staan. Als je niet goed bent, doe je wel mee maar neemt praten als vanzelf een grotere plaats in. Bovendien komen sociale contacten voort uit het spel.

“Om te kunnen voetballen, gaat het vanzelf. Je moet wel contact maken om te kunnen voetballen”, zegt een jongen.

De playground is voor de jongeren een ontmoetingsplaats waar sport de bindende factor is. Deze beschrijving komt overeen met de bevindingen van Vermeulen en zijn team in Groningen, Rotterdam, Bergen op Zoom en Den Haag.
De playgrounds blijken een plaats waar je anderen van buiten je eigen groep kunt leren kennen.

“Kennismaken met nieuwe jongens doe ik regelmatig. Soms worden het vrienden maar alleen om mee te voetballen, niet echt voor thuis. Je komt sommige jongens alleen hier tegen, sommige ook in de wijk”, zeggen verschillende jongeren.



Het is interessant te zien dat deze jongens hun voetbalcontacten zien als vrienden, zoals ik Peter Bekhoven van HVO en vele DESTO spelers als mijn vrienden beschouwde, maar dat deze vriendschappen anders gedefinieerd worden dan de vriendschappen thuis. Op geheel eigen wijze definiëren jongeren hier het verschil in gevoelswaarde tussen bonding (vrienden in eigen kring) en bridging (vrienden in andere kring) maar dat betekent niet dat de diepgang van deze relatie bij de ontmoeting minder is.
Veel beleidsmakers, politici maar ook wetenschappers zullen bij het aanschouwen van het veldje direct de bekende beleidscategorieën voor ogen hebben. Doen de Kaapverdianen mee? Spelen Surinamers en Marokkanen in een zelfde team of in een eigen team? Zij zien sociale cohesie door groepen heen verbanden bestaan. Dat etnische groepen in eigen kring samenspelen, zou leiden tot isolement in deze beleidsoptiek.
Het is des te opvallend dat uit het onderzoek van Mostert blijkt dat voor deze jongens etniciteit, geloof en nationaliteit nauwelijks een rol speelt. ‘Het maakt niet uit, als je maar kunt voetballen. Eigenlijk zijn er geen verschillen als je wilt sporten.’ Dat is de algemene teneur bij de jongens. Het speelt zelfs geen rol in de aanduiding van een speler. Hij is lang of heeft een rode haarband. Slechts in tweede instantie zal gezegd worden dat hij die grote Surinamer is. Opgemerkt moet worden dat op deze playgrounds bijna geen autochtonen komen. Op andere plaatsen komen juist weer vooral autochtonen. Vaak zijn deze verhoudingen ook een afspiegeling van de samenstelling van de wijk. Onderzoek in de Utrechtse wijk Hoograven vanuit het perspectief van de jeugd zelf kende een zelfde uitkomst. Waar ouderen in rep en roer zijn over Turken en Marokkanen maakten jongeren een onderscheid tussen ‘oké jongeren’ en ‘rotzakken’. Etnisch onderscheid was voor hen geen uitgangspunt, de scheidslijnen liepen door alle groepen.
Er komen weinig meisjes op de playgrounds, die in het onderzoek betrokken waren. Als ze komen, komen ze ook meer voor de sociale contacten. Daar zijn ze ook toe veroordeeld omdat ze van de jongens vaak niet mogen meedoen. Op bepaalde playgrounds lukt het gewoon niet meisjes te betrekken bij sportactiviteiten. In het onderzoek geven jongerenwerkers aan dat het mede komt doordat de meisjes andere keuzes maken. Maar zoals we uit de onderzoeken in het tweede luik weten, bestaat er wel degelijk een grote ‘verborgen’ sportwens bij meisjes. Ook blijkt dat als er speciaal voor meisjes activiteiten georganiseerd worden, ze wel komen, zelfs al sporten ze dan samen met jongens. In de stad Utrecht bleek dat in twee vergelijkbare wijken in drie maanden honderd meiden de speciaal voor hen in een zaal georganiseerde activiteit deden uitpuilen. In beide gevallen gingen twintig van die honderd meiden na een jaar al competitie voetballen bij de KNVB. Maar daarvoor moet je dan wel hun wensen als uitgangspunt nemen.
De begeleiders maken nog weinig gebruik van de jongens bij het organiseren van activiteiten. Jongeren willen desgevraagd best wat doen maar weten niet wat en of ze het kunnen. Juist het leren nemen van verantwoordelijkheid en leren organiseren en anderen aansturen, zoals dat in sportverenigingen gebeurd, zou de sociale competenties van jongeren kunnen vergroten.
Natuurlijk zijn de beelden uit dit drieluik de resultante van het door mij gekozen perspectief. In mijn optiek kleuren de visie van de onderzoeker en de onderzochten elkaar. Antropologen zoals ik hanteren net als iedere wetenschapper theoretische beelden vooraf. “Je kunt niets zien als je niets weet,” zegt mijn collega De Ruijter altijd.

Maar tegelijk nemen wij de betekenisgeving en constructies van de deelnemers serieus. De participerende observaties en het beschrijven van critical incidents zijn methoden waarin beide perspectieven op elkaar betrokken worden. Er is niet louter een voorgevormde theoretische zienswijze die deelnemers mogen inkleuren (met vragen als: “Bent u een allochtoon?”). Maar de definitie van de situatie wordt ook niet geheel in handen van de deelnemers gelegd alsof de theorie als vanzelf zou voortkomen uit direct gedrag en uitspraken.

Deze benadering levert verrassende beelden op die door anderen vaak veronachtzaamd worden. Uiteraard besef ik dat die kennis ook maar een beeld, een constructie van de werkelijkheid is zoals iedere andere constructie. Mijn beeld is niet per definitie beter maar wel anders. Mijn aanpak is ook niet per definitie beter maar laat wel andere kennis toe door juist en als eerste de deelnemers aan het woord te laten.
Mijn antropologische ‘huisperspectief’ is helder maar tegelijk ben ik een warm en overtuigd voorstander van theoretisch en methodologisch pluralisme. De kwantitatieve wijze waarop ik met Jan Janssens inzicht kreeg in de omvang van de betekenis van sociaal kapitaal in de sport, heeft mijn kwalitatieve blik op het vraagstuk verder verrijkt. Het historisch perspectief van Stokvis en Van Bottenburg is vaak een verademing en het kritisch perspectief van Anthonissen, Elling en Knoppers en nu ook in de aanstaande dissertatie van Claringbould is een voortdurende waarschuwing. Dezelfde sportfoto wordt steeds op een andere manier uitvergroot, waardoor er steeds iets anders te zien is.
Betekent dit nu dat het voor antropologen vertrouwde relativisme zich van mij meester heeft gemaakt? Anything goes, zoals vele postmodernisten zouden zeggen? Nee, in mijn ogen geldt relativisme wel voor de gevolgde methode maar niet voor de sociale overwegingen die aan de keuze voor een methode of theorie ten grondslag liggen.
Natuurlijk kan ik mij ook verplaatsen in de visie van de doorselecterende coach (ik wil zelf ook altijd winnen). Natuurlijk snap ik dat een zaakwaarnemer van een 14-jarige Kongolese voetballer of tienjarig Marokkaans talent uit Kanaleneiland eerder geld dan een jongen ziet. Dat zijn de wetten van het kapitalisme.

Dat onze wetgeving en onze sportbestuurders en politici daarbij de andere kant opkijken, mag en moet beoordeeld worden. Evenzeer mag de wetenschapper beoordeeld worden op zijn of haar keuzes voor wat hij of zij wel of niet in beeld brengt. De wijze waarop de betekenisgeving, de weergave van het leven van jongeren in de sport en vereenvoudigende en stigmatiserende categorieën gebruikt worden door intellectuelen van naam en faam en de wijze waarop leiders, trainers, bestuurders en ouders hun gezag uitoefenen, mag en moet beoordeeld worden.


Juist door propagandisten van de sociale kracht van de sport als ik moet ook gewezen worden op de ontkrachtende werking van sport: het negeren van meisjes, de uitsluiting van motorisch zwakke kinderen (de ‘krukken’) en andersdenkenden. Sport is een tweesnijdend zwaard dat in- en uitsluiting tot gevolg heeft. Hier past kritiek en geen relativisme.
Ik heb ondertussen een van de belangrijkste thema’s in het drieluik behandeld zonder het begrip te benoemen. Het gaat in de wetenschap om respect, zoals het mij in mijn jeugd om respect ging en zoals het de Marokkaanse en Turkse jongens en meisjes van Hoograven en Kanaleneiland maar ook de Rotterdamse jongeren op de playgrounds om respect gaat. Waar vooral Marokkaanse jongeren nogal eens aangevallen worden op het verschil tussen het respect dat ze geven en het respect dat zij vragen, viel in de studies op dat ook maatschappelijke instituties, politici, beleidsmakers, verenigingen, leiders, begeleiders en ouders nogal eens respect vragen zonder het te geven. Respecteren is blijkbaar niet zo gemakkelijk en tegelijkertijd is het een centraal aspect in het leven. Respect voor elkaar ontstaat en bestaat ook in de sport niet automatisch.
Als de sport een gezond klimaat nastreeft, zou respect een centraal begrip moeten zijn op de wijze zoals de Rotterdamse jongeren weten wie ‘relaxed’ is of ‘een agressieveling’. Respect is, zoals Sennett het zo mooi helder en heel tastbaar heeft neergezet, de ander de kans geven zijn eigen keuzes te maken en die keuzes te ondersteunen in plaats van de zeggenschap van de ander over te nemen. Ook al is het goed bedoeld, het nemen van besluiten voor en over anderen, is het ontkennen van die ander. Je kunt wel proberen die ander alternatieven te laten zien, wegen voor de ander mogelijk te maken en te proberen voor die ander het verschil te maken zodat hij of zij eigen keuzes kan maken. De weg wijzen en de eigen keuzes ondersteunen, dat deden mijn pleegouders voor mij, dat doet Lady Fit voor Turkse en Marokkaanse meisjes en dat is ook het doel van de begeleiding van de Krajicek Foundation op de playgrounds.
Voor de mensen die hopen met eenvoudige ‘te trainen regels’ tot respect te komen, geef ik graag het voorbeeld van een door mij bewonderde welzijnswerker, tevens sporttrainer en ondersteuner van allochtone toptalenten, Hassan Imoussaten.

Op een ochtend kwam een jongen het clubhuis binnen die tegen Hassan zei: “Ik wil koffie en schiet een beetje op.”

“Wil je koffie?” vroeg Hassan.

“Ja, en schiet een beetje op, want jij wordt er voor betaald,” reageerde de jongen.

“Wacht even,” zei Hassan, “want dan heb je ook recht op een koekje en dat moet ik bij de winkel aan de overkant halen”.

De jongen wachtte verbaasd af.

“Waarom doe je zo?” vroeg hij Hassan, toen die terug was.

“Omdat jij het als loser verdient door mij geholpen te worden,” zei Hassan, “als je in jezelf geloofde, zorgde je dat je zelf je koffie kon betalen”.

Beschaamd ging de jongen weg. Hassan had hem een les in zelfrespect geleerd. Leren over respect is niet regeltjes inhaleren en volgen maar contextueel handelen. Weinig mensen zouden het Hassan nadoen. Ze zouden kwaad worden of maar niets zeggen om de lieve vrede te bewaren. Of erger nog: ze zouden gaan praten over moraliteit, op een wijze die deze jongen niet zou begrijpen. Hassan had de moed op zeer originele wijze mee te gaan in de betekenisgeving van de jongen en toch helder te maken dat je alleen respect krijgt als je verantwoordelijkheid voor jezelf neemt. Respect is, zoals Anthonissen (2006) heeft beschreven, een basisprincipe voor het omgaan met verschillen
Respecteren van verschillen en daarbij proberen het verschil te maken. Nog een keer hang ik dat op aan de sport. Ik wilde altijd winnen maar in het team hoefde ik niet de beste te zijn als ik maar wel het verschil kon maken. Betekenisvol aanwezig zijn ben ik dat later gaan noemen. Dat gevoel is mij ook bijgebleven tijdens mijn studie, tijdens mijn politieke activiteiten, mijn huidige bestuurlijke en sportactiviteiten en ook aan de universiteit. Ik heb een huisperspectief maar hoop relativist genoeg te zijn om verschillen te respecteren en naar het standpunt van Sennett het verschil te maken. Ik ben het aan mijn geschiedenis verplicht om waar mogelijk als hoogleraar ook het verschil te maken voor studenten en personeel en ben dankbaar dat ik anderen zoals de helaas dit jaar overleden Erika Stern met haar geschiedenis een plaats heb kunnen geven. Zo maakte zij met anderen ook voor mij het verschil.
Dankwoord
Uiteraard bedank ik het College van Bestuur en de oud-rector Gispen voor het in mij geschonken vertrouwen als eerste aan de universiteit Utrecht een ‘endowed chair’ te mogen bekleden. Ik heb mij door het College en de decaan van de faculteit altijd zeer gesteund gevoeld

Ik dank de Krajicek Foundation. Dat een groot sportman via zijn Foundation zijn naam verbindt aan mijn leerstoel is een eer. Het ondersteunt mijn streven de sport en de sporter het respect te geven dat hen toekomt. Dat juist een sporter met een achtergrond als Richard Krajicek dat steunt, vergroot de ambitie van mijn opdracht.

Zeker zo intens is mijn dank aan al de inspiratie die ik alle jaren kreeg van studenten, alleen al door hun aanwezigheid maar vooral hun eigenheid. Zonder jullie is de universiteit een bejaardentehuis. Het is als tennis zonder ballen. Die dank richt ik ook tot al mijn collega’s van nu en vroeger en natuurlijk in het bijzonder Mark Bovens en Peter Leisink, aan de universiteit met wie ik korter of langer heb mogen werken. Dat jullie mijn sportinteresse delen of tolereren is een groot geschenk.

Heel veel dank ben ik verschuldigd aan al mijn sportmaten uit de Babberspolder, van HVO, DESTO, de VSU, Hoograven, beleidsmakers en sportbestuurders.

Dank met name aan Simon, die de kleine Paul in beeld bracht en Mitchel voor zijn Feijenoord film.

Dank aan Mijn zoons Michael, Kenneth en Abel die mij leerden dat theoretische opvattingen over ondersteuning en autonomie niet eenvoudig zijn in het dagelijkse leven. Teach your father well, boys.



Aan Marlies mijn vrouw die ik om romantische redenen graag mijn vriendin blijf noemen. Het gedicht ‘jij bent zo mooi anders dan ik’ van Hans Andreus tekent ons maar als het gaat om respect voor anderen en elkaar, verschillen slechts onze benaderingen. Ten slotte dank ik mijn pleegouders Jo en Phlip Koudstaal, die het geheim kennen van het verbinden van de dagelijkse betekenis van sociaal handelen met de politieke en maatschappelijke betekenis ervan. Een geheim dat voor veel wetenschappers helaas verborgen blijft. Er is inderdaad een groot verschil tussen wijsheid en kennis. Jullie maakten voor mij het verschil. Een verschil dat ik probeer te leven.
Ik heb gezegd.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina