Tevens oud programma filosofie deel 1 van 1



Dovnload 66.68 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte66.68 Kb.


Examen VWO 2010
filosofie
tevens oud programma filosofie
deel 1 van 1
Examenopgaven
tijdvak 1

Dinsdag 25 mei

9.00 - 12.00 uur

Dit examen bestaat uit 17 vragen.

Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen.

Achter elk vraagnummer staat hoeveel punten met een goed antwoord behaald kunnen worden.


Als bij een vraag een verklaring, uitleg of argumentatie gevraagd wordt, worden aan het antwoord geen punten toegekend als deze verklaring, uitleg of argumentatie ontbreekt.
Geef niet meer antwoorden (redenen, voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd. Als er bijvoorbeeld twee redenen worden gevraagd en je geeft meer dan twee redenen, dan worden alleen de eerste twee in de beoordeling meegeteld.
* Noot van Dedicon:

De bladzijde-nummers zijn te vinden met de zoekfunctie (Ctr+F). Zoek op het woord bladzijde plus het betreffende nummer, gevolgd door 'enter'.




Inhoud


Opgave 1 Oriëntalisme en Occidentalisme 2

Opgave 2 Humanisme, geloven en weten 6

Opgave 3 Ramadan in de post-seculiere samenleving 10


Symbolenlijst


( ronde haak openen

) ronde haak sluiten

" aanhalingsteken

[ blokhaak openen

] blokhaak sluiten

bladzijde 2



Opgave 1 Oriëntalisme en Occidentalisme

In onderstaande tekst beschrijft Jan de Hond, conservator geschiedenis aan het Rijksmuseum te Amsterdam, de ontstaansgeschiedenis van het Oriëntalisme. Het Oriëntalisme is een karikatuur van de oosterse mens en de oosterse cultuur. Oriëntalisme komt voort uit cultuurkritiek en een cultuurpessimistische houding tijdens de westerse Romantiek.

De Hond laat deze geschiedenis beginnen bij Napoleon.
tekst 1

naar: Jan de Hond, 'Verlangen naar het Oosten. Oriëntalisme in de Nederlandse cultuur', Leiden: Primavera Pers, 2008
Napoleons veldtocht naar Egypte in 1798 was het startsein voor westerse bemoeienis met het Oosten: de Oriënt. Het Oosten was altijd al een belangrijke handelspartner geweest, maar nu werd het ook een lucratieve afzetmarkt voor industriële producten.

Niet alleen op politiek-economisch, maar ook op cultureel gebied vormde Napoleons Egyptische avontuur een mijlpaal voor de oost-west relaties. Dit leidde tot wetenschappelijke en artistieke interesse in de Oriënt.

In de negentiende eeuw groeide het onbehagen met de eigen tijd en velen realiseerden zich dat kostbare waarden voorgoed verloren dreigden te gaan.

Een vluchtroute leidde naar de Oriënt. Dat statische Oosten was immers nog niet bedorven door de moderne cultuur. Hier hoopten vele westerlingen de waarden te vinden die in het moderne Westen allang verdwenen waren.




Vraag 1: 3 punten


Volgens de filosofische stroming van het communitarisme en met name volgens Charles Taylor leidt modernisering tot het verloren gaan van waarden, wat direct samenhangt met secularisering.

Leg uit hoe waarden door modernisering verloren kunnen gaan.

Bespreek een voorbeeld van zo'n waarde die door modernisering verloren zou kunnen gaan.

Leg bovendien uit wat het verband is tussen secularisering en modernisering.


tekst 2

naar: Jan de Hond, 'Verlangen naar het Oosten. Oriëntalisme in de Nederlandse cultuur', Leiden: Primavera Pers, 2008
Al sinds de late achttiende eeuw werd het enthousiasme voor de Oriënt verder gestimuleerd door de opkomst van de Romantiek. Voor romantische schrijvers en kunstenaars, met hun voorliefde voor passie, heroïek en felle tegenstellingen, was de Oriënt, met zijn sensuele haremvrouwen, stoere bedoeïenen en wilde hartstochten, een ideale plaats voor lokalisatie van hun eigen idealen en dromen.

Het Oosten werd een heuse hype. Oriëntalistische romans, gedichten, toneelstukken, opera's, schilderijen, sculpturen, keramiek, meubels, fotografie en architectuur: geen enkel genre bleef gevrijwaard van deze oosterse rage. Meer dan een eeuw lang bleef het Oosten een telkens terugkerend thema in de westerse kunsten.

bladzijde 3

Vraag 2: 3 punten


Velen zochten kennelijk in het Oosten ervaringen die ze in het Westen niet meer konden vinden.

Ervaringen zijn volgens fenomenologen direct en onherleidbaar, maar dit inzicht is door het westerse denken naar de achtergrond gedrongen. Vanuit hun visie op ervaring als direct en onherleidbaar bekritiseren de fenomenologen het sciëntisme. Zij stellen dat de menswetenschappen een andere methode behoeft: de hermeneutische methode.

Wat bedoelen fenomenologen als zij stellen dat de menselijke ervaring 'onherleidbaar' is?

Geef bovendien aan waarin de hermeneutische methode verschilt van de methode die het sciëntisme voorstaat.

Tegenover het Oriëntalisme staat het Occidentalisme: de visie op het Westen die in het Oosten leeft. Het is eveneens een karikatuur, maar nu van de westerse mens en de westerse cultuur: technisch verder ontwikkeld, maar puur materialistisch en van God los.

In 2004 verscheen het boek 'Occidentalism. The West in the Eyes of its Enemies' van de Brits-Nederlandse Ian Buruma en de Israëlische Avishai Margalit. Op de voorkant van dit boek wordt de westerling afgebeeld als een vette kapitalist die zich - in smoking en met een varkenskop - wentelt in gouden munten, met rokende schoorstenen op de achtergrond.

In een recensie schrijft Arnold Heumakers hierover het volgende:
tekst 3

bron: Arnold Heumakers, NRC Handelsblad, 7 mei 2004
Occidentalisme is het niet aan geografische grenzen gebonden begrip dat alle waarden dekt die door gelovige en ongelovige occidentalisten worden verworpen: het idee, het concept van de materialistische, kapitalistische, ongelovige, oppervlakkige, triviale, wortelloze, aan mode verslaafde, raciaal gemengde, verstedelijkte, verseksualiseerde samenleving. Het gaat dus niet uitsluitend om Amerika, althans het idee Amerika, maar om het hele, verweekte, vergiftigde Westen met zijn democratische cultuur van de middelmaat. En lees voor 'het Westen' dan ook modernisering van derdewereldlanden of vormen van decadente verwestersing in de islamitische wereld.

bladzijde 4



Vraag 3: 4 punten


Deze karikaturen presenteren het Oosten als religieus en het Westen als een cultuur waarin religie verdrongen is door de (instrumentele) rede en de wetenschap.

Durkheim, die wel de vader van de sociologie wordt genoemd, geeft een sociologische beschrijving van twee functies van religie in een samenleving. Eén daarvan, de speculatieve functie, kan door de wetenschap worden overgenomen. De andere functie daarentegen niet en deze tweede functie loopt in de huidige westerse samenleving zelfs gevaar.

Wat is die tweede functie die Durkheim geeft in zijn sociologische beschrijving van religie?

Leg aan de hand van tekst 3 uit dat deze tweede functie van religie gevaar loopt in de huidige westerse samenleving.

Leg bovendien uit waarom deze tweede functie niet door de wetenschap kan worden overgenomen.

De occidentalist verheerlijkt het leven op het platteland en hekelt het leven in de grote stad. Op het platteland leeft de mens een 'eigenlijk' leven: dicht bij de natuur, een leven zoals het bedoeld is.

In de stad daarentegen is de mens zijn wortels kwijt, is de mens gedegenereerd en is het leven verworden tot opportunistisch hedonisme. Heumakers vervolgt zijn artikel met het volgende:
tekst 4

bron: Arnold Heumakers, NRC Handelsblad, 7 mei 2004
De stad als centrum van het kwaad, als centrum van zedeloosheid, goddeloosheid, individualisme, geld, handel en seks. De stad als een gigantische marktplaats met hotels, bordelen en warenhuizen waar alles te koop is voor een goed, aards leven. De stad waar de mensen liegen en bedriegen, hoeren en snoeren. "Osama bin Laden en Mohammed Atta kozen niet voor niets New York uit. Het gaat niet om steden per se, maar om wat sommige steden symboliseren en dat is alles behalve religie", zegt Margalit. De stad is in hun optiek een metafoor voor een zielloos bestaan.


Vraag 4: 3 punten


In deze visie staat de westerse stad in schril contrast met de polis die Al Farabi beschrijft als deugdzame stad. In deze beschrijving van de deugdzame stad noemt Al Farabi een hiërarchie van objecten van kennis. Verder beschrijft hij verschillende soorten gedachtegangen bij mensen die leiden tot verkeerde visies op de religieuze waarheid. Er zijn volgens Al Farabi drie oorzaken van het ontstaan van onjuiste religieuze inzichten.

Beredeneer aan de hand van tekst 4 welke oorzaak van onjuist inzicht de occidentalist in het Westen zal zien.

Noem daarbij een object van kennis uit de deugdzame stad van Al Farabi waarvan de occidentalist zal beweren dat het in de westerse stad ontbreekt.

bladzijde 5



Vraag 5: 3 punten


Kritiek op de westerse instrumentele rede is niet nieuw en ook niet alleen afkomstig uit andere culturen. Cultuurkritiek maakt al sinds de romantiek deel uit van het westerse denken. Al sinds die tijd zijn er denkers van naam die kritiek leveren op de westerse rationaliteit.

Omdat zowel de westerse wetenschappelijke benadering als de oosterse religieuze benadering waarheidspretenties hebben, spreekt Samuel Huntington van een "Clash of Civilizations" (botsende beschavingen). Huntington stelt vanuit een cultuurrelativistische positie de (natuur)wetenschappelijke benadering en de religieuze ervaringswereld op zo'n wijze tegenover elkaar, dat dit onvermijdelijk leidt tot een botsing tussen beschavingen.

Ben jij van mening dat cultuurrelativisme - in het algemeen - inderdaad leidt tot een botsing tussen beschavingen?

Beargumenteer je antwoord en leg in de toelichting op je antwoord uit wat er onder cultuurrelativisme wordt verstaan.

bladzijde 6

Opgave 2 Humanisme, geloven en weten

In de afgelopen eeuwen heeft het humanisme in onze westerse cultuur een duidelijke plaats ingenomen als levensbeschouwing. Het Humanistisch Verbond beschrijft het humanisme op haar website als "een levensbeschouwing die bij het interpreteren van de wereld en de plaats van de mens uitgaat van de 'redelijke en zedelijke vermogens' van de mens. Het humanisme doet daarbij geen beroep op een bovenmenselijke of bovennatuurlijke macht of kracht, zoals een God."

Verder wordt de levensbeschouwing als volgt omschreven:
tekst 5

bron: www.humanistischverbond.nl
Het woord 'humanisme' is afgeleid van het Latijnse 'humanitas'. In het woord zitten twee betekenissen vervat, namelijk 'mens-zijn' en 'het streven naar menselijkheid'. In het humanisme staan beide elementen centraal. [...]

Humanisten hechten voor wat betreft kennisverwerving sterke waarde aan de wetenschappelijke methode en menen dat de geschiedenis uitwijst dat de wetenschappelijke methode betrouwbaarder is dan een goddelijke openbaring. Humanisten weten sommige dingen [...] gewoon niet, en over veel andere dingen twijfelen ze. Het twijfelen en het voortdurend bereid zijn om levensbeschouwelijke vragen en antwoorden in het licht van nieuwe informatie opnieuw te bezien, is misschien wel één van de belangrijkste kenmerken van het humanisme.

Sommige humanisten noemen zich overigens wel religieus, andere humanisten zeggen niet te weten of er iets is tussen hemel en aarde en zeggen daarover dus ook geen uitspraak te kunnen doen. Deze diversiteit aan opvattingen vinden humanisten belangrijk en waardevol. Humanisme is ook een moreel en politiek streven. [...]

Menselijke waardigheid heeft een fatsoenlijke en rechtvaardige politiek nodig, zowel nationaal als internationaal. In het publieke debat spreken humanisten zich daarom regelmatig uit tegen onrecht en over thema's als armoede, sociale ongelijkheid, etnische tegenstellingen, het milieu, mensenrechten enzovoort. Het politieke en morele streven van de humanistische beweging komt in Nederland onder meer naar voren in het werk van het humanistische instituut voor ontwikkelingssamenwerking HIVOS, Aim for Human Rights en Humanitas.




Vraag 6: 4 punten


Omdat binnen het humanisme plaats is voor uiteenlopende overtuigingen - sommige humanisten noemen zich wel religieus en andere niet - lijkt het moeilijk om een eenduidige definitie van de stroming te geven.

Ook is het de vraag of je het humanisme als religie zou kunnen omschrijven. In sommige gevallen kan het belangrijk zijn om als religie gezien te worden - bij het krijgen van subsidie bijvoorbeeld.

Aan de andere kant: als er geen duidelijke eisen zijn waaraan een levensbeschouwelijke stroming zou moeten voldoen om een religie te heten, zou elke levensbeschouwelijke stroming zich een religie kunnen noemen.

Welke twee problemen kunnen zich voordoen bij het definiëren van religie?

Leg aan de hand van deze problemen en tekst 5 uit in welk opzicht het humanisme wel als een religie beschouwd kan worden en in welk opzicht het humanisme niet als een religie beschouwd kan worden.

bladzijde 7


In een interview in NRC Handelsblad van 26 juli 2008 haalt minister André Rouvoet het humanisme aan om een vergelijking te maken tussen rede en geloof als diepste overtuiging in een debat.

Deze vergelijking doet enigszins denken aan de wetenschapsfilosofische discussie tussen Karl Popper en Paul Feyerabend over de status van wetenschap. Rouvoet zegt in het interview het volgende over de vergelijking tussen geloof en rede:


tekst 6

bron: NRC Handelsblad, 26 juli 2008
Humanisten vinden dat christenen hun geloof in de politiek zouden moeten relativeren. Maar zij hebben óók hun diepste overtuigingen, hun levensbeschouwelijke uitgangspunten, die zij niet willen opgeven. Zij baseren zich bijvoorbeeld op de universele mensenrechten en zeggen dat degenen die dat niet doen, het niet hebben begrepen. Humanisten en liberalen zeggen: redeneren vanuit het geloof is achterlijk. Uitgaan van de menselijke rede klinkt heel logisch, maar beargumenteer het maar eens.

[...]


Geloof is niet irrationeel, maar bovenrationeel. Het is een andere vorm van kennis, van wetenschap - een andere manier van zeker weten. Welk verschil maakt het wat betreft de politieke overtuigingskracht of je gelooft dat de wereld door de Schepper geschapen is, of dat er een oerknal was? We nemen dat aan op gezag van anderen. Ik doe het op basis van een boek, anderen op basis van wat ze uit de krant of de wetenschap leren.

In reactie op dit interview met Rouvoet schrijft de voorzitter van het Humanistisch Verbond Rein Zunderdorp over de overeenkomst tussen geloof en wetenschap het volgende:


tekst 7

bron: www.humanistischverbond.nl
De overeenkomst is volgens hem [Rouvoet] dat beide overtuigingen even 'bovenrationeel' zijn. De één gelooft in de bijbel, de ander in de wetenschap, maar in beide gevallen baseert men zich op 'het gezag van anderen'. Nog los van het feit dat humanisme meer omvat dan wetenschap, is de vooronderstelling dat wetenschap een geloof zou zijn wel erg kort door de bocht.

Wetenschap en religie zijn niet soortgelijke vormen van geloof, maar fundamenteel andere vormen van kennisverwerving.




Vraag 7: 3 punten


Met deze laatste zin van tekst 7 stelt Zunderdorp dat geloof en wetenschap op fundamenteel andere manieren tot kennis komen.

Op welke van de twee visies op wetenschap zou Zunderdorp in dit geval de argumentatie voor zijn stelling het beste kunnen baseren - op de wetenschapsvisie van Popper of op de wetenschapsvisie van Feyerabend?

Geef in je argumentatie duidelijk de posities van Popper en Feyerabend weer.

bladzijde 8


In tegenstelling tot Zunderdorp schrijft de filosoof Willard van Orman Quine, dat de scheidslijn tussen objecten van de wetenschap en die van het geloof op kennistheoretisch niveau helemaal niet zo scherp is. Quine sluit niet uit dat binnen de kennistheorie bovenrationele argumenten een rol spelen. In 'Two Dogmas of Empiricism' schrijft hij hierover:
tekst 8

bron: 'Two dogmas of Empiricism', geciteerd in 'Rede en religie', pag. 49
Maar wat betreft hun kentheoretische fundering verschillen fysieke objecten en goden alleen gradueel van elkaar, niet wezenlijk. Beide soorten entiteiten maken deel uit van onze concepties als cultureel bepaalde postulaten. De mythe van fysieke objecten is in kentheoretisch opzicht superieur aan de meeste andere, omdat [...]


Vraag 8: 3 punten


Waarom is volgens Quine de mythe van fysieke objecten superieur aan andere mythen?

Maak je antwoord duidelijk met behulp van een voorbeeld.

Geef vervolgens aan welke rol religieuze uitspraken in Quine's visie kunnen hebben.


Vraag 9: 4 punten


De rol die metafysische uitspraken kunnen hebben, hangt samen met het zichtbaar worden van twee dogma's die het empirisme er volgens Quine op nahoudt.

Leg uit hoe de onthulling van deze dogma's leidt tot de mogelijkheid van betekenisvolle metafysische uitspraken.

Licht in je antwoord toe om welke twee dogma's het gaat.

De theologe Karen Armstrong heeft onderzoek gedaan naar de betekenis van religieuze uitspraken en bronnen van religies. Zij vindt het kentheoretisch perspectief op religie, zoals Rouvoet en Zunderdorp beiden hanteren, niet alleen onvruchtbaar, het gaat volgens haar zelfs volledig voorbij aan wat religie eigenlijk is. Zij zegt hierover in haar lezing 'What is religion?' het volgende:


tekst 9

bron: Karen Armstrong, 'What is religion?', Van der Leeuw-lezing 2008
Ik wil vandaag dan ook graag ingaan op een aantal van deze moderne westerse misvattingen, en allereerst vaststellen wat godsdienst niét is.

De meest alledaagse veronderstelling is misschien dat godsdienst vooral bestaat uit een orthodoxe leer. Dit is zozeer het geval dat godsdienstige mensen vaak 'gelovigen' worden genoemd, alsof hun belangrijkste daad is dat ze een reeks opvattingen over het goddelijke aanvaarden. Maar kijken we naar de grote sterren uit het verleden, zoals Boeddha, Confucius of Jezus, dan constateren we dat zij niet alleen heel weinig belangstelling toonden voor metafysica en theologie, maar dat deze volgens sommigen zelfs uitgesproken schadelijk konden zijn. Niet omdat zij geen belang in het heilige stelden, maar omdat ze wisten dat de hoogste werkelijkheid onzegbaar en onbeschrijfelijk was. Godsdienst was geen kwestie van gedachtevorming. Elk godsdienstig onderwijs was pragmatisch of zou dit moeten zijn.

bladzijde 9

Vraag 10: 2 punten


Armstrong brengt hier naar voren hoe problematisch het kan zijn over metafysische zaken te spreken. Ook de filosoof Immanuel Kant zag dit probleem.

Geef aan in welk opzicht Kant het eens zou zijn met Armstrong over het problematische van het doen van metafysische uitspraken.

Leg je antwoord uit met behulp van tekst 9.

Armstrong vervolgt haar lezing:


tekst 10

bron: Karen Armstrong, 'What is religion?', Van der Leeuw-lezing 2008
Een mythe of leer is in wezen een actieprogramma; het krijgt pas betekenis als het in praktijk wordt gebracht - ritueel, ethisch of beschouwend. Zo lijken ook de regels van een bordspel uiterst vaag, abstract en onbegrijpelijk ingewikkeld - totdat we gaan spelen, dan valt alles op zijn plaats. Maar tegenwoordig vinden velen dat ze alleen een waarachtig godsdienstig leven kunnen leiden als ze voor zichzelf zekerheid over het bestaan van God kunnen hebben. Wetenschappelijk is dit een degelijke redenering, die wil dat we een beginsel eerst vaststellen voordat we het toepassen. Maar voor Boeddha of Confucius was dit de verkeerde volgorde.


Vraag 11: 3 punten


Metafysische uitspraken worden door het logisch positivistisch verificatieprincipe als betekenisloos bestempeld.

Geef aan met behulp van tekst 9 en tekst 10 hoe, volgens Armstrong, metafysische uitspraken wel betekenis kunnen hebben.

Waarom is het nu, vanuit het perspectief van praktijken, gemakkelijker om de vraag of het humanisme een religie is te beantwoorden?

Beargumenteer je antwoord met behulp van de lezing van Armstrong (tekst 9 en tekst 10) en met behulp van tekst 5.

bladzijde 10

Opgave 3 Ramadan in de post-seculiere samenleving

Op 15 maart 2008 hield de filosoof Jürgen Habermas in Nederland een lezing over de post-seculiere samenleving. Aan zijn stem wordt in het maatschappelijk debat over de rol van religie in onze samenleving groot gezag toegekend.

Afgelopen jaren heeft deze Duitse filosoof veel opzien gebaard met zijn pleidooi voor het meer serieus nemen van godsdienstig geïnspireerde opvattingen in de post-seculiere samenleving. Zijn kijk op de rol en betekenis van religie lokte over de hele wereld maatschappelijk commentaar uit.

Naar aanleiding van Habermas' lezing aan de Tilburgse universiteit verscheen in het Nederlands Dagblad een artikel onder de titel 'Verlichtingsdenker vindt godsdienst onmisbaar'. De volgende tekst komt uit dit artikel.


tekst 11

bron: 'Verlichtingsdenker vindt godsdienst onmisbaar', Marc Janssens, Nederlands Dagblad, 21 maart 2008
In zijn lezing riep Habermas de vraag op, hoe om te gaan met de toenemende rol van godsdiensten in de samenleving. Volgens hem zijn er in het huidige debat twee uitersten die elkaar wederzijds van extremisme beschuldigen. De ene groep beticht de andere van 'Verlichtingsvijandig multiculturalisme', dat kritiekloos minderheden in de politieke cultuur uitnodigt.

De andere groep beschuldigt de eerste van 'Verlichtingsfundamentalisme' en verwijt deze dat ze godsdienst helemaal naar het privé terrein wil verbannen. Deze 'Verlichtingsfundamentalisten' vinden religie cognitief en historisch gezien achterhaald en menen dat die [religie] zich daarom uit de politiek moet terugtrekken.




Vraag 12: 4 punten


De door Habermas aangehaalde groepen zijn te beschouwen als karikaturen van verschillende vormen van secularisme die in Europa bestaan.

Leg voor elk van de twee geschetste karikaturen uit welke vorm van secularisme past bij welke karikatuur.

Maak tevens in je antwoord duidelijk wat het verschil is tussen secularisering en secularisme.


Vraag 13: 4 punten


In tekst 11 lijkt het onderscheid tussen een publieke sfeer en een privé-sfeer als onproblematisch te worden verondersteld. De filosoof Foucault beredeneerde dat dit onderscheid op zichzelf kan worden gezien als het resultaat van moderne machtsuitoefening.

Op welke wijze kan het onderscheid tussen de publieke en de privé-sfeer volgens Foucault worden gezien als het resultaat van moderne machtsuitoefening?

Geef daarbij aan tot welke moeilijkheden deze scheiding van publieke sfeer en privé-sfeer kan leiden en beargumenteer bovendien welke houding Foucault hier tegenover zou bepleiten.

bladzijde 11



Vraag 14: 4 punten


Opvallend is dat Habermas veel minder negatief over de rol van godsdiensten in de samenleving oordeelt dan velen van een verlichtingsfilosoof hadden verwacht.

"Vooral met betrekking tot het kwetsbare terrein van het sociale samenleven beschikken religieuze tradities over de kracht om morele intuïties op overtuigende wijze tot uitdrukking te brengen", zo zegt Habermas. De geëigende rollen in de discussie tussen het hedendaagse secularisme en het religieus traditionalisme mogen wat hem betreft gerust omgedraaid worden. Neutraliteit van de staatsmacht mag in ieder geval niet verwisseld worden met uitsluiting van religieuze uitingen uit de politiek.

Wel stelt hij een voorwaarde aan de inbreng van religieuze taal in de politieke meningsvorming, een voorwaarde die hij concretiseert in verschillende eisen.

Ben jij het eens met Habermas dat er een voorwaarde moet worden gesteld aan de inbreng van religieuze taal in de politieke meningsvorming?

Beargumenteer je antwoord aan de hand van drie concrete eisen die Habermas stelt aan de plaats van religie in de openbaarheid.

Met zijn pleidooi voor het meer serieus nemen van godsdienstig geïnspireerde opvattingen in onze post-seculiere samenleving zou Habermas op bijval van de filosoof en islamitisch theoloog Tariq Ramadan mogen rekenen.

Ramadan - volgens 'Time Magazine' een van de honderd meest invloedrijke mensen in 2004 - was tot augustus 2009 hoogleraar aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam waar hij onderzoek deed naar 'Burgerschap en identiteit'.

Hij pleit voor een nieuw groot verhaal, 'de nieuwe wij' zoals hij het noemt.

In het onafhankelijk vakblad voor het onderwijs 'Didaktief' verscheen in april 2008 een interview met Ramadan onder de titel 'De nieuwe wij. Eenheid in verscheidenheid.' In dit interview stelt Ramadan dat normen en regels in de maatschappij duidelijk moeten zijn en door iedereen moeten worden gerespecteerd, en dat normen en waarden strikt onderscheiden moeten worden.

Tekst 12 en 13 komen uit dit interview.


tekst 12

bron: 'De nieuwe wij. Eenheid in verscheidenheid', interview door Monique Marreveld, 'Didaktief', nummer 4, april 2008
Niemand kan bepaalde waarden opleggen. Het is beter het bij wetten te houden: dit is wat we acceptabel vinden. Je kunt de gewetens van mensen niet controleren, stellen dat ze hetzelfde moeten denken als jij. De waarde dat diversiteit goed is, moet gedeeld worden, maar we hoeven het niet over alles eens te zijn. [...]

Juist dat je het niet eens bent over waarden, is kenmerkend voor 'de nieuwe wij': dat ís verschillende waarden en meningen. Wie gezamenlijke waarden wil vastleggen, begint met goede intenties, maar eindigt met dogma's.

bladzijde 12

Vraag 15: 2 punten


In de 17e eeuw betoogde ook Locke al, net als Ramadan nu, dat burgers dezelfde rechten en plichten moeten hebben voor de wet. Tevens stelde Locke vast welke bevoegdheid en plicht zouden moeten toekomen aan de burgerlijke overheid.

Beargumenteer dat Locke het eens zou kunnen zijn geweest met Ramadan dat niemand aan anderen waarden op kan leggen.

Maar het is de vraag of wetten en regels, rechten en plichten, genoeg zijn om een maatschappij te laten functioneren. Volgens Ramadan heeft burgerschap behalve een juridische ook een sociaal-psychologische dimensie.
tekst 13

bron: 'De nieuwe wij. Eenheid in verscheidenheid', interview door Monique Marreveld, 'Didaktief', nummer 4, april 2008
Het juridische raamwerk biedt ruimte aan diversiteit, maar om die rijkdom op waarde te schatten heeft een burger het gevóel nodig er bij te horen, 'a sense of belonging'. Maar dat gevoel is - net als de liefde - afhankelijk van tweerichtingsverkeer. [...]

De vraag: wat ben je, een moslim of een Nederlander, is absurd. Je bent nooit maar één ding, ieder mens heeft verschillende identiteiten, het hangt af van de omstandigheden welke belangrijker is. Als ik moet stemmen, ben ik Nederlands en maak ik me druk om de samenleving. Maar als ik sterf, is mijn paspoort geen antwoord. Niets, maar dan ook niets belet me in Holland om te bidden, te vasten, om te doen wat ik moet doen als moslim. Ik ben hier volledig vrij. Wie de islam niet praktiseert, moet het systeem niet de schuld geven. De Nederlandse wet vormt geen enkel excuus om geen goede moslim te zijn.




Vraag 16: 5 punten


De Canadese filosoof Charles Taylor heeft in de 20e eeuw het secularistische model van de overlappende consensus ontworpen. Daarmee wilde hij behalve gehoorzaamheid aan de wetten en regels van de legitieme autoriteit ook respect voor diversiteit van overtuigingen en onderlinge tolerantie tot stand brengen.

Beargumenteer in hoeverre het pleidooi van Ramadan past binnen het model van overlappende consensus dat Taylor gebruikt.

Maak bovendien duidelijk waarin dit model van overlappende consensus verschilt van de andere twee vormen van secularisme die Taylor onderscheidt.

bladzijde 13



Vraag 17: 3 punten


De van oorsprong Egyptische Tariq Ramadan is het kennelijk niet eens met de visie op het Westen van de 20e eeuwse Egyptische theoloog Sayyid Qutb.

Ramadan stelt immers dat de Nederlandse wet geen excuus is om geen goed moslim te zijn. In de ogen van Qutb is het Westen echter één groot bordeel, doortrokken van dierlijke lusten, hebzucht en egoïsme en waarin het menselijk denken er de status van God heeft gekregen. Qutb riep daarom op tot een gewelddadige revolutie.

Daarbij legitimeerde hij religieus geweld tegen de staat uit naam van de individuele gewetensvrijheid.

Beargumenteer waarom de individuele gewetensvrijheid volgens Qutb een gewelddadige revolutie rechtvaardigt.



Geef tevens aan in welk opzicht dit in gaat tegen zowel het standpunt van Ramadan in tekst 13 als de opvatting van legitieme autoriteit in het secularismemodel van Taylor.
Einde








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina