Vonnis van de kantonrechter



Dovnload 30.3 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte30.3 Kb.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM


Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 533560 / CV EXPL 11-14523
datum uitspraak: 11 juli 2012

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiseres]


te [woonplaats]
eiseres
hierna te noemen [eiseres]
gemachtigde mr. J. Singh

tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
G4S AVIATION SECURITY B.V.
te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen G4S
gemachtigde mr. S.W.J. Koenen

De procedure


[eiseres] heeft G4S gedagvaard op 27 oktober 2011. G4S heeft schriftelijk geantwoord.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 18 januari 2012 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 19 maart 2012. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. De zaak is vervolgens aangehouden voor voortprocederen. [eiseres] heeft een conclusie van repliek genomen, waarna G4S heeft geconcludeerd voor dupliek. Vonnis is bepaald op heden.

De feiten


1.  [eiseres], thans 40 jaar oud, is op 13 mei 2005 bij G4S in dienst getreden in de functie van visiteur B voor 32 uur per week.
2.  Op 13 december 2008 is G4S uitgevallen voor haar werkzaamheden in verband met ziekte. Bij [eiseres] is Multiple Sclerose (MS) vastgesteld.
3.  Op 31 augustus 2009 heeft de arbeidsdeskundige geoordeeld dat “de functie van visiteur voor betrokkene niet (meer) passend is”.
4.  Op 15 oktober 2009 is de re-integratie eerste spoor afgesloten.
5.  Per 10 mei 2010 is [eiseres] in het kader van de re-integratie tweede spoor gestart met werkzaamheden als securityhost bij een klant van [eiseres], TomTom in Amsterdam. Het betrof een 24-uurs functie als telefoniste/receptioniste.

6.  Op 24 mei 2010 is [eiseres] uitgevallen voor haar werkzaamheden bij TomTom. Zij is kort daarna in het ziekenhuis opgenomen in verband met een terugval in haar fysieke conditie, een zogenoemde ‘schub’.


7.  In een rapportage van 26 augustus 2010 heeft de bedrijfsarts B.D.J. Thio (hierna: Thio) met betrekking tot de re-integratie van [eiseres] in spoor 2 onder meer het volgende opgemerkt:
“Betrokkene werd te zwaar belast en kreeg wederom een schupp met opname in het ziekenhuis.”
8.  Op 10 december 2010 heeft de arbeidsdeskundige van het UWV, R.E. Orman (hierna: Orman), [eiseres] in het kader van een WIA-aanvraag met ingang van 11 december 2010 voor 100% arbeidsongeschikt geoordeeld. In het arbeidsdeskundig rapport heeft Orman onder andere het volgende gesteld:
“Wel is het werkgever te verwijten tot twee maal aan toe het verkeerde aan re-integratie te hebben gedaan met uiteindelijk ziekenhuisopnames als gevolg. Ook heeft werkgever de mogelijkheden in spoor 1 niet of nauwelijks onderzocht en is zich al zeer snel gaan richten op spoor 2.”
9.  Op 12 januari 2011 heeft G4S bij UWVWerkbedrijf een ontslagvergunning voor [eiseres] aangevraagd.
10.  Op 2 maart 2011 heeft UWVWerkbedrijf de ontslagvergunning verleend. In de beslissing op de ontslagaanvraag heeft UWVWerkbedrijf onder meer opgemerkt dat G4S “aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer […] binnen 26 weken niet zal herstellen voor het eigen werk […] en […] herplaatsing van werknemer […] binnen uw organisatie in een aangepaste of andere functie binnen 26 weken redelijkerwijs geen reële optie is, ook niet door middel van (bij)scholing”.
11.  Bij e-mailbericht van 14 februari 2011 heeft M. van ’t Oever, secretaresse Polikliniek Neurologie van het VU Medisch Centrum in antwoord op een vraag van F.W. Wolsak, huisarts van [eiseres], naar “de relatie tussen de hoge werkbelasting en het ontstaan van de Schub” het volgende geantwoord:
“Keihard wetenschappelijk aangetoond is het niet, maar in de praktijk komt deze relatie wel redelijk vaak voor.”
12.  G4S heeft de arbeidsovereenkomst met [eiseres] tegen 1 mei 2011 opgezegd.

De vordering


[eiseres] vordert (samengevat):
1)  een verklaring voor recht dat het aan [eiseres] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en/of dat G4S onrechtmatig en/of in strijd met goed werkgeverschap jegens [eiseres] heeft gehandeld;
2)  veroordeling van G4S tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding als gevolg van kennelijk onredelijke opzegging en/of onrechtmatige daad en/of handelen in strijd met goed werkgeverschap, bestaande uit: .
a.  € 97.913,37 ter zake van gederfde inkomsten tot aan het bereiken van haar pensioengerechtigde leeftijd op 1 februari 2037;
b.  € 12.000,00 ter zake van pensioenschade;
c.  € 5.000,00 ter zake van kosten rechtsbijstand;
d.  € 75.000,00 ter zake van eventuele, nog niet ingetreden, schade;
een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van G4S in de proceskosten.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
De gevolgen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst zijn voor [eiseres] te ernstig in vergelijking met het belang van G4S bij die opzegging, aangezien [eiseres] geen ander passend werk kan vinden en zij op geen enkele wijze financieel door G4S is gecompenseerd. Dat maakt de opzegging kennelijk onredelijk.
Bovendien ontbreekt de noodzaak tot beëindiging van het dienstverband. Er is voldoende passend en minder belastend werk voor [eiseres] bij G4S beschikbaar. G4S heeft zich echter onvoldoende ingespannen om [eiseres] binnen haar organisatie te re-integreren. Zij heeft [eiseres] te zwaar belast door haar meer te laten werken dan zij kon door haar voor de werkzaamheden bij TomTom in plaats van 24 uur, 32 uur per week in te roosteren en [eiseres] te werk te stellen op een locatie die voor haar moeilijk te bereiken was. Daardoor is [eiseres]’ lichamelijke conditie veel slechter geworden en is zij uiteindelijk in het ziekenhuis beland. G4S heeft daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld dan wel zich niet als een goed werkgever opgesteld en is daarom schadeplichtig.

De schade die [eiseres] lijdt dient te worden begroot aan de hand van de verwachte levensduur van de arbeidsovereenkomst. Deze zou, indien [eiseres] niet langdurig arbeidsongeschikt was geworden, naar verwachting hebben voortgeduurd tot 1 februari 2037, de datum waarop [eiseres] de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Het verschil tussen de het salaris dat [eiseres] bij G4S zou verdienen en hetgeen zij thans en in de toekomst als uitkering zal ontvangen, bedraagt € 97.913,37. Haar pensioenschade bedraagt € 12.000,00. Voor nog niet ingetreden schade in de zin van artikel 6:105 BW vordert [eiseres] een bedrag van € 75.000,00.


De kosten van rechtsbijstand in de onderhavige en de UWV-procedure, alsmede de kosten berekening pensioenschade komen tezamen op een bedrag van € 5.000,00.

Het verweer


G4S betwist de vordering. Zij voert het volgende aan.
Er bestaat geen causaal verband tussen de verslechtering van de fysieke conditie van [eiseres] in mei 2010 en haar werk bij TomTom. Een schub kan vele oorzaken hebben. [eiseres] heeft niet aangetoond dat de toename van haar lichamelijke klachten in mei 2010 terug te voeren is op de werkzaamheden die zij in de twee daaraan voorafgaande weken bij TomTom heeft verricht. G4S heeft [eiseres] in die weken, die golden als inwerkperiode, niet volledig ingeroosterd. Ook waren er rustdagen ingelast.
G4S heeft zich voorts voldoende ingespannen om [eiseres] te laten re-integreren. Dit blijkt ook het het feit dat het UWV G4S geen loonsanctie heeft opgelegd. G4S heeft [eiseres] op haar verzoek bij TomTom te werk gesteld. De werkzaamheden die [eiseres] daar zou verrichten waren als passend aan te merken.
De door [eiseres] ten gevolge van haar arbeidsongeschiktheid geleden en eventueel nog te lijden schade is daarom niet terug te voeren op enig verwijtbaar handelen van G4S. Het ontbreken van een financiële voorziening vormt op zichzelf geen grondslag voor de kennelijke onredelijkheid van een ontslag. G4S is dan ook niet schadeplichtig jegens [eiseres].
Ten aanzien van de schade heeft G4S aangevoerd dat niet vaststaat dat [eiseres] tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd volledig arbeidsongeschikt zal blijven, nu MS-symptomen voor 80% van voorbijgaande aard zijn en voor de overige 20% meestal behandelbaar zijn. De sombere opvatting van [eiseres] over haar kansen op de arbeidsmarkt is dan ook prematuur. Daar komt bij dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat [eiseres] haar gehele werkzame leven in dienst van G4S zou zijn gebleven.
De kosten voor rechtsbijstand heeft [eiseres] niet onderbouwd. Deze kosten vallen bovendien onder de proceskosten.
Voor toewijzing van de door [eiseres] gevorderde vergoeding van eventueel te lijden schade is geen grond.

De beoordeling


1. Ten aanzien van de kennelijke onredelijkheid beroept [eiseres] zich op het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 sub b BW. Bij de beoordeling daarvan heeft als uitgangspunt te gelden dat de enkele omstandigheid dat de werkgever de werknemer geen vergoeding heeft aangeboden het ontslag niet kennelijk onredelijk maakt. Sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden en serieuze verwijten die meebrengen dat de voor de werknemer nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsrelatie geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen. Het is aan [eiseres] om feiten en omstandigheden ten aanzien van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.

2. [eiseres] verwijt G4S dat haar arbeidsongeschiktheid is verergerd, omdat zij door G4S te zwaar is belast in de weken dat zij bij TomTom werkzaamheden verrichtte. G4S heeft die stelling gemotiveerd betwist. Daartegenover heeft [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van haar stelling. Uit het door [eiseres] overgelegde werkrooster kan worden afgeleid dat [eiseres] in de twee weken die zij als securityhost bij TomTom heeft gewerkt, gedurende drie dagen per week is ingeroosterd voor (maximaal) 8 uur per dag, derhalve voor 24 uur per week, dat was overeenkomstig de overeengekomen arbeidsduur. De opmerking van bedrijfsarts Thio in zijn verslag van 26 augustus 2010 dat [eiseres] “te zwaar werd belast” maakt het voorgaande niet anders, nu gesteld noch gebleken is dat deze constatering is gebaseerd op andere bronnen dan de mededeling van [eiseres] zelf. De verklaring van de secretaresse Van ’t Oever van het VU Medisch Centrum kan dientengevolge ook geen gewicht in de schaal leggen, nu hierin wordt uitgegaan van de vermeende te hoge werkbelasting.

3. Het door [eiseres] gestelde verband tussen de tewerkstelling op de tweede werklocatie en de verslechtering van haar fysieke conditie valt ook niet uit het verslag van Thio af te leiden. Hetzelfde geldt voor het verslag van de arbeidsdeskundige Orman van 10 december 2010, nu Orman niet aangeeft op welke gronden hij deze stelling baseert. Van belang is voorts dat het UWV G4S geen loondoorbetalingsverplichting heeft opgelegd naar aanleiding van de WIA-aanvraag. Het voorgaande brengt mee dat niet is komen vast te staan dat G4S in haar re-integratieverplichtingen is tekortgeschoten. Dit betekent dat, hoe ernstig en verdrietig ook de gevolgen van de ziekte van [eiseres] zijn voor haar persoonlijke leven, [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd op grond van welke concrete omstandigheden de gevolgen van de opzegging van het dienstverband voor rekening en risico van G4S moeten komen.

4. Dat G4S schadeplichtig is omdat zij zich niet als goed werkgeefster heeft gedragen door [eiseres] meer te laten te werken dan waartoe zij in staat was, is evenmin komen vast te staan. Ten slotte kan ook de stelling van [eiseres] dat G4S zich niet voldoende heeft ondernomen om [eiseres] in een andere, passende functie te werk te stellen, geen stand houden, nu [eiseres], tegenover de gemotiveerde betwisting van G4S, heeft nagelaten aan te geven voor welke andere functies bij G4S zij dan in aanmerking had kunnen komen. Ondanks daartoe op haar verzoek in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft [eiseres] bij conclusie van repliek geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat bij G4S andere, passende functies voor haar beschikbaar zijn.

5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiseres] bij gebreke van deugdelijke grondslag moet worden afgewezen.

6. Gelet op de aard van de procedure compenseert de kantonrechter de proceskosten in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


De beslissing


De kantonrechter:

- wijst de vordering af;



- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina