Wat ik was vóór en wat ik ben nadat ik gered werd



Dovnload 26.99 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte26.99 Kb.

Wat ik was vóór en wat ik ben
nadat ik gered werd


http://www.theignorantfishermen.com/, 1 mei 2011

Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling (1977 of HSV)


Vertaling en voetnoten door M.V.

61 Dingen die waar waren voordat ik gered werd:



Ik was op de brede weg die naar het verderf leidt (Mattheüs 7:13).
Ik was verloren (Lukas 19:10; 2 Korinthiërs 4:3).
Ik was reeds veroordeeld wegens mijn ongeloof (Johannes 3:18; vergelijk 1 Korinthiërs 11:32).
Ik was een liefhebber van duisternis (Johannes 3:19).
Ik was onder Gods blijvende toorn (Johannes 3:36) in afwachting van Gods komende toorn (Lukas 3:7; Efeziërs 5:6; Kolossenzen 3:6).
Ik was onwetende aanbidder (Johannes 4:22).
Ik was een kwaaddoener die de verdoemenis verdient (Johannes 5:29; vergelijk 3 Johannes 11).
Ik was van de wereld en van beneden (Johannes 8:23).
Ik was nog in mijn zonden (Johannes 8:21,24; vergelijk Johannes 20:23).
Ik was een kind van de duivel (Johannes 8:44).
Ik was een Christus-verwerper (Johannes 12:48).
Ik was een Christus-hater (Johannes 15:18) en een hater van hen die Christus toebehoren (Johannes 17:14).
Ik was onder de macht van Satan (Handelingen 26:18; 1 Johannes 5:19).
Ik was ondankbaar, gaf geen eer aan God (Romeinen 1:21).
Ik was onrechtvaardig (Romeinen 1:29-31; 3:10; 1 Korinthiërs 6:9-10).
Ik was onder de zonde (Romeinen 3:9) en zonde-ziek (Lukas 5:31-32).
Ik was nutteloos (Romeinen 3:12; vergelijk Filemon 11).
Ik was zonder vrees voor God (Romeinen 3:18).
Ik was schuldig voor God (Romeinen 3:19).
Ik was een zondaar (Romeinen 3:23; 5:8).
Ik was krachteloos (Romeinen 5:6).
Ik was goddeloos (Romeinen 5:6; 4:5).
Ik was Gods vijand (Romeinen 5:10; Kolossenzen 1:21).
Ik was een dienaar (slaaf) van de zonde (Romeinen 6:17,20; Johannes 8:34).
Ik was iemand die de dood verdiende (Romeinen 6:23; vergelijk 2 Thessalonicenzen 1:8-9).
Ik was in het vlees (Romeinen 7:5; 8:8).
Ik was in gevaar van verloren te gaan (1 Korinthiërs 1:18; 2 Korinthiërs 2:15; Lukas 13:3,5).
Ik was een natuurlijk mens die de dingen van God als dwaasheid beschouwde (1 Korinthiërs 1:18; 2:14).
Ik was onder Gods vloek (1 Korinthiërs 16:22).
Ik was verblind door de god van deze wereld (2 Korinthiërs 4:4).
Ik was een deel van deze boze wereld (Galaten 1:4).
Ik was dood in overtredingen en zonden (Efeziërs 2:1,5; Kolossenzen 2:13).
Ik was iemand die wandelde overeenkomstig de wil van Satan en zijn wereld (Efeziërs 2:2).
Ik was een kind van de ongehoorzaamheid (Efeziërs 2:2).
Ik was een kind van de toorn (Efeziërs 2:3).
Ik was zonder Christus (Efeziërs 2:12).
Ik was vervreemd van het burgerschap van Israël (Efeziërs 2:12).
Ik was een vreemdeling wat betreft de verbonden van de belofte (Efeziërs 2:12,19).
Ik had geen hoop (Efeziërs 2:12) en geen fundament (Lukas 6:48).
Ik was zonder God in de wereld (Efeziërs 2:12).
Ik was veraf (Efeziërs 2:13).
Ik was iemand die wandelde in de zinloosheid van mijn denken (Efeziërs 4:17).
Ik was verduisterd in het verstand (Efeziërs 4:18; Romeinen 1:21).
Ik was vervreemd van het leven dat uit God is (Efeziërs 4:18; Kolossenzen 1:21).
Ik was onwetend (Efeziërs 4:18).
Ik was blind en verhard van hart (Efeziërs 4:18).
Ik was overgegeven aan losbandigheid (Efeziërs 4:19).
Ik was overgegeven aan losbandigheid (Efeziërs 4:22).
Ik was voorheen duisternis, maar nu licht in de Heer (Efeziërs 5:8; 1 Thessalonicenzen 5:5; 1 Johannes 2:11).
Ik was in het rijk en de macht van de duisternis (Kolossenzen 1:13; Lukas 1:79; Handelingen 26:18).
Ik was iemand die God niet kende (1 Thessalonicenzen 4:5).
Ik was onverstandig, dwaas (Titus 3:3; Romeinen 1:22).
Ik was ongehoorzaam (Titus 3:3).
Ik was dwalend (Titus 3:3).
Ik was verslaafd aan allerlei begeerten en hartstochten (Titus 3:3).
Ik was levend in slechtheid en afgunst (Titus 3:3).
Ik was hatelijk en elkaar hatend (Titus 3:3).
Ik was een dwalend schaap (1 Petrus 2:25).
Ik was iemand die leefde naar de begeerten van mensen (1 Petrus 4:2).
Ik was iemand die wandelde in losbandigheid, begeerten, dronkenschap, zwelgpartijen, drinkgelagen en allerlei walgelijke afgoderij, enz. (1 Petrus 4:3).
Ik was een natuurlijk mens die de Geest niet heeft (Judas 19).

215 Dingen die waar zijn nu ik gered ben:

Mijn redding is volledig volbracht (Johannes 19:30).
Ik heb eeuwig leven als een huidig bezit (1 Johannes 5:12).

Ik ken de enige, ware God (Johannes 17:3; 1 Johannes 2:3; 5:20).


Ik ben gered door Zijn genade (Efeziërs 2:1-10).
Ik ben gerechtvaardigd door Zijn genade (Titus 3:7).
Ik ben overgegaan van de dood in het leven (Johannes 5:24; 1 Johannes 3:14).
Ik ben levend gemaakt door God (Efeziërs 2:1,5; Kolossenzen 2:13).
Ik ben bekwaam gemaakt om deel te hebben aan de erfenis in de hemel (Kolossenzen 1:12).
Ik heb vergiffenis van zonden (Efeziërs 1:7; Kolossenzen 1:14).
Mijn zonden werden weggedaan (Johannes 1:29; Hebreeën 9:26; 1 Johannes 3:5).
Ik ben van mijn zonden compleet gereinigd (Hebreeën 1:3).
Mijn zonden worden door God niet meer in herinnering gebracht (Hebreeën 8:12; 10:17).
Ik werd schoongewassen (1 Korinthiërs 6:11; Titus 3:5; Openbaring 1:5).
Ik zal wandelen met Christus in witte kleren (Openbaring 3:4-5).
Ik ben genezen door Zijn striemen (1 Petrus 2:24).
Al mijn overtredingen zijn vergeven (Kolossenzen 2:13; 1 Johannes 2:12).
Ik ben volledig gerechtvaardigd (Romeinen 4:5; 8:30; 1 Korinthiërs 6:11; Galaten 2:16; Titus 3:7).
Ik ben verzoend met God (2 Korinthiërs 5:18-19; Kolossenzen 1:20).
Ik ben dichtbij gekomen door het bloed van Christus (Efeziërs 2:13).
Ik ben vrijgekocht door Zijn bloed (1 Petrus 1:18,19; Efeziërs 1:7; Kolossenzen 1:14).
Ik ben vrijgekocht van de vloek van de wet (Galaten 3:13).
Ik ben vrijgekocht van alle wetteloosheid (Titus 2:14).
Ik ben gekocht met een prijs (1 Korinthiërs 6:20; 7:23).
Ik ben verlost uit een zo groot levensgevaar (2 Korinthiërs 1:10).
Ik ben uit deze tegenwoordige boze wereld getrokken (Galaten 1:4).
Ik ben uit de macht van de duisternis getrokken (Kolossenzen 1:13).
Ik zal verlost worden van de komende toorn (1 Thessalonicenzen 1:10).
Ik ben gered en kom niet in de verdoemenis (Johannes 5:24; Romeinen 8:1).

Ik ben een kind van God (Johannes 1:12; Romeinen 8:16; Galaten 3:26; 1 Johannes 3:1,2).


Ik ben een zoon van God (Galaten 4:5-7).
Ik behoor Jezus Christus toe (Galaten 3:29; 5:24).
Ik ben aangenomen tot kind (Galaten 4:5; Romeinen 8:15, 23).
Ik ben erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus (Romeinen 8:17; Titus 3:7).
Ik ben mede-erfgenaam van de genade van het leven (1 Petrus 3:7).
Alle dingen zijn van mij (1 Korinthiërs 3:21-23).
Ik bezit alles (2 Korinthiërs 6:10).
Ik zal alles beërven (Openbaring 21:7).
Ik ben in alles rijk geworden in Hem, in alle spreken en alle kennis (1 Korinthiërs 1:5; 2 Korinthiërs 9:11).
Ik ben mede-erfgenaam (Efeziërs 3:6).
Ik ben door Christus’ armoede rijk geworden (2 Korinthiërs 8:9; Openbaring 2:9).
Ik ben gezegend met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus (Efeziërs 1:3).
Ik ben in Christus een erfdeel geworden (Efeziërs 1:11, 14; Hebreeën 1:14; 9:15; 1 Petrus 1:4).
Ik ben bestemd tot het verkrijgen van de zaligheid (1 Thessalonicenzen 5:9; Hebreeën 1:14).
Ik ben Zijn erfenis (Efeziërs 1:18).
Ik ben mede-erfgenamen en behoor tot hetzelfde lichaam en ben mededeelgenoot van Gods belofte in Christus, door het evangelie (Efeziërs 3:6).
Ik ben een nieuwe schepping in Christus (2 Korinthiërs 5:17; Efeziërs 2:10; 4:24; Kolossenzen 3:10).
Ik ben vernieuwd door de Heilige Geest (Titus 3:5).
Ik ben begenadigd in de Geliefde (Efeziërs 1:6; vergelijk Mattheüs 3:17).
Ik ben in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus (Efeziërs 2:6).
Ik ben tot lof van Zijn heerlijkheid (Efeziërs 1:6, 12).
Ik ben licht in de Heer (Efeziërs 5:8).
Ik ben een kind van het licht (Efeziërs 5:8; 1 Thessalonicenzen 5:5).
Ik behoor tot een uitverkoren geslacht, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte (Titus 2:14; 1 Petrus 2:9).
Ik ben een priester die geestelijke offers kan brengen (Hebreeën 13:15-16; 1 Petrus 2:5, 9; Openbaring 1:6; 5:10; 20:6).
Ik ben een koning die zal regeren (Openbaring 1:6; 5:10; 20:6).
Ik ben bevoorrecht met de gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon (1 Johannes 1:3).
Ik woon in Christus (Johannes 6:56; 1 Johannes 3:24; 4:13, 15, 16).
Christus woont in mij (Johannes 6:56; Galaten 2:20; 1 Johannes 3:24; 4:12-16).
Ik ben in Christus (Johannes 14:20; 2 Korinthiërs 5:17).
Christus is in mij (Johannes 14:20; Kolossenzen 1:27; Romeinen 8:10; 1 Johannes 4:4).62.

De Geest van God woont in mij (Romeinen 8:9; 1 Korinthiërs 3:16; Efeziërs 2:21-22).


Ik ben niet in het vlees maar in de Geest (Romeinen 8:9).
Mijn “aarden kruik” bevat een grote schat (2 Korinthiërs 4:7).
Mijn lichaam is een tempel van de Heilige Geest (1 Korinthiërs 6:19).
Ik ben verzegeld en heb het onderpand van de Geest in mijn hart gekregen (2 Korinthiërs 1:22; Galaten 4:6; Efeziërs 1:13-14; 1 Thessalonicenzen 4:8; Titus 3:6; 1 Johannes 3:24; 4:13).
Ik heb de zalving van de Heilige en ik weet alles (1 Johannes 2:20, 27).
Ik ben een “geroepene” van Jezus Christus (Romeinen 1:6; 8:28-30; Judas 1; Openbaring 17:14).
Ik ben door God geroepen tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus (1 Korinthiërs 1:9).
Ik ben door God geroepen tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus (1 Petrus 5:10).
Ik ben geroepen met een heilige roeping (2 Timotheüs 1:9).
Ik ben deelgenoot aan de hoge, hemelse roeping (Filippenzen 3:14; Hebreeën 3:1).
Ik ben uit de duisternis geroepen tot Zijn wonderbaar licht (1 Petrus 2:9).
Ik ben van tevoren door God gekend (Romeinen 8:29; 1 Petrus 1:2).
Ik ben van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig te zijn (Romeinen 8:29; Efeziërs 1:5, 11).
Ik ben reeds verheerlijkt overeenkomstig Gods voornemen (Romeinen 8:30).
Ik ben voor eeuwig verzekerd van de liefde van God in Christus Jezus (Romeinen 8:38-39).
Ik ben door God vóór de grondlegging van de wereld in Christus uitverkoren (Efeziërs 1:4; Kolossenzen 3:12; 1 Thessalonicenzen 1:4; 1 Petrus 2:9; Openbaring 17:14).
Ik ben door God van het begin verkoren tot zaligheid (2 Thessalonicenzen 2:13).
Ik ben volmaakt geworden in Christus (Kolossenzen 2:10).
Ik ben een uitverkorene van God, heilig en geliefd (Kolossenzen 3:12; 2 Thessalonicenzen 2:13).
Ik wordt bestraft en gedisciplineerd door mijn hemelse Vader (Hebreeën 12:6-7).
Ik maak deel uit van een groep waarvan Christus niet beschaamd is Zijn “broeders” en “vrienden” te noemen (Hebreeën 2:11; Johannes 15:14-15).
Ik ben een kind van Abraham (Galaten 3:7).
Ik ben van Abrahams nageslacht (Galaten 3:29).
Ik ben gezegend samen met de gelovige Abraham (Galaten 3:9).
Ik behoor bij de kinderen van de belofte (Galaten 4:28, 31).
Ik zal samen met de Koning der koningen overwinnen (Openbaring 17:14).
Ik ben een schaap in Zijn kudde (Lukas 12:32; Hebreeën 13:20; 1 Petrus 2:25).
Ik ben een lid van Zijn lichaam (1 Korinthiërs 10:17; 12:27; Efeziërs 3:6; 4:25; 5:30).
Ik ben een steen in Zijn gebouw (Efeziërs 2:20-22; Hebreeën 3:6; 1 Petrus 2:5).
Ik ben een rank in de Wijnstok (Johannes 15:1-7).
Ik ben een kind van het koninkrijk (Mattheüs 13:38; vergelijk Markus 10:14-15).
Ik ben wedergeboren tot het gezin van God (Johannes 1:12-13; Jakobus 1:18; 1 Petrus 1:3, 23; 2:2; 1 Johannes 5:1).
Ik ben een van Gods kinderen want Hij claimt mij als van Zichzelf (1 Petrus 2:10; Openbaring 21:7).
In ben een medeburger met de heiligen en een huisgenoot van God (Efeziërs 2:19).
Ik ben in Christus Jezus gedoopt (Romeinen 6:3; Galaten 3:27).
Ik werd geïdentificeerd met Christus in Zijn dood (Romeinen 6:3-6, 8-11; 2 Korinthiërs 5:14; Kolossenzen 2:12, 20; 3:3).
Ik werd geïdentificeerd met Christus in Zijn opstanding (Romeinen 6:5,8,11; 2 Korinthiërs 5:15; Galaten 2:20; Kolossenzen 2:12; 3:1).
Ik ben gestorven en mijn leven is met Christus verborgen in God (Kolossenzen 3:3)

Ik stierf aan de zonde (Romeinen 6:2).


Mijn “oude mens” werd met Christus gekruisigd (Romeinen 6:6).
Ik ben gekruisigd met Christus (Galaten 2:20).
Ik heb mijn vlees gekruisigd met zijn hartstochten en begeerten (Galaten 5:24).
Ik ben dood voor de zonde maar leven in Christus 6:11,13; Galaten 2:19,20).
Christus is mijn leven (Filippenzen 1:21; Kolossenzen 3:4).
Ik kan wandelen in de nieuwheid van leven (Romeinen 6:4).
Ik kan dienen in de nieuwheid van Geest (Romeinen 7:6).
Ik kan voor de gerechtigheid leven (1 Petrus 2:24).
Ik ben door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet (Romeinen 7:4; Galaten 2:19).
Ik ben vrijgemaakt van de wet (Romeinen 7:6).
Ik ben niet onder de wet maar onder de genade (Romeinen 6:14).
Ik heb Gods wet in mijn hart gekregen (Hebreeën 10:16).
Ik ben gehuwd met Jezus Christus (Romeinen 7:4).
Ik heb deel aan Christus gekregen (Hebreeën 3:14).
Ik heb gemeenschap met het lijden van Christus (2 Timotheüs 2:12; Filippenzen 1:29; 1 Petrus 2:20; 4:12-13; 1 Thessalonicenzen 3:3; Romeinen 8:18; Kolossenzen 1:24).
Ik triomfeer altijd in Christus (2 Korinthiërs 2:14).
Christus maakt de geur van Zijn kennis door mij openbaar (2 Korinthiërs 2:15-16).
Ik ben een brief van Christus (2 Korinthiërs 3:3).
Ik wordt veranderd naar het beeld van Christus (2 Korinthiërs 3:18).
Het goede werk van God wordt voltooid tot op de dag van Christus (Filippenzen 1:6).
Mijn innerlijke mens wordt van dag tot dag vernieuwd (2 Korinthiërs 4:16).
Ik heb Christus aangedaan (Galaten 3:27).
Ik ben niet van de wereld (Johannes 17:14,16).
De wereld is voor mij gekruisigd (Galaten 6:14).
Ik ben gekruisigd voor de wereld (Galaten 6:14).
Ik ben afgezonderd tot het Evangelie van God (Romeinen 1:1).
Ik ben apart gezet, geheiligd in Christus Jezus (1 Korinthiërs 1:2; 6:11; Hebreeën 10:10; Judas 1).
Ik ben heilig (Kolossenzen 3:12; Hebreeën 3:1; 1 Petrus 2:9; Openbaring 20:6).
Ik zal als bruid bekleed worden met mijn rechtvaardige daden1 (Openbaring 19:8).

Ik ben een heilige (1 Korinthiërs 1:2; Filippenzen 1:1; Kolossenzen 1:2; Romeinen 1:7).


Ik ben zonder smet of rimpel in Christus (Efeziërs 5:27; Kolossenzen 1:22; Judas 24).
Ik ben tot in eeuwigheid volmaakt door Jezus’ offer (Hebreeën 10:14).
Ik ben niet van mezelf (1 Korinthiërs 6:19).
Ik ben geroepen tot leven in heiliging (1 Thessalonicenzen 4:7).
Ik ben een hemelburger (Filippenzen 3:20).
Ik ben een vreemdeling en een pelgrim die in deze wereld niet zijn thuis heeft (Hebreeën 11:13; 1 Petrus 2:11).
Ik ben getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde (Kolossenzen 1:13).
Ik ben besneden van hart (Kolossenzen 2:11; Filippenzen 3:3; vergelijk Deut. 10:16).
Mijn getrouwe God zal mij geheel en al heiligen en onberispelijk bewaren (1 Thessalonicenzen 5:23-24).
Mijn getrouwe God zal mij bewaren voor de boze (2 Thessalonicenzen 3:3; 2 Timotheüs 4:18).
Christus heeft mij waarlijk vrijgemaakt (Johannes 8:32-36; Galaten 5:1; 1 Korinthiërs 7:22).
Jezus Christus is mijn bevrijder (Romeinen 7:24-25).
Ik ben rechtens vrij van de zonde (Romeinen 6:7, 18, 22).
Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de

zonde en van de dood (Romeinen 8:2).


Ik ben Gods dienstknecht of slaaf (Romeinen 6:22).
Ik ben een dienstknecht of slaaf van Christus (1 Korinthiërs 7:22).
Ik ben dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid (Romeinen 6:18).
Ik ben geroepen tot vrijheid (Galaten 5:13).
Ik heb de gedachten van Christus (1 Korinthiërs 2:16).
Ik heb van God een geest gekregen van kracht en liefde en bezonnenheid (2 Timotheüs 1:7).
Christus heeft ons het verstand gegeven om de Waarachtige te mogen kennen (1 Johannes 5:20).
Ik bezit de gerechtigheid van Christus (2 Korinthiërs 5:21).
Ik verkrijg in alles altijd al het nodige (2 Korinthiërs 9:8).
God heeft mij alles geschonken wat tot het leven en de godsvrucht behoort (2 Petrus 1:3).
God zal mij beslist niet loslaten en Hij zal mij beslist niet verlaten (Hebreeën 13:5).
Ik heb de hele wapenrusting en wapens die ik nodig heb (2 Korinthiërs 10:4; Efeziërs 6:10-17).
Gods genade is voor mij genoeg (2 Korinthiërs 12:9).
Ik krijg barmhartigheid en genade om geholpen te worden op het juiste tijdstip (Hebreeën 4:16).
Ik ontvang de allesovertreffende grootheid van Gods kracht (Efeziërs 1:19; 3:20).
Ik heb toegang tot de Vader (Efeziërs 2:18; Hebreeën 4:16).
Ik heb een grote Hogepriester (Hebreeën 2:17-18; 3:1; 4:14-16; 8:1; 10:21).
Ik heb een niet falende pleiter (Hebreeën 7:25; 9:24; Romeinen 8:34).
Ik heb een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, voor als ik gezondigd heb (1 Johannes 2:1).
Ik heb vrede met God (Romeinen 5:1).
Christus is mijn vrede (Efeziërs 2:14).
Ik heb rust voor mijn ziel (Mattheüs 11:28-29; Hebreeën 4:9).
Ik wordt door de Geest van God geleid (Romeinen 8:14).
God zal niet toelaten dat ik verzocht wordt boven wat ik aankan (1 Korinthiërs 10:13).
De Geest Zelf getuigt met mijn geest dat ik een kind van God ben (Romeinen 8:16; Hebreeën 6:18).
Ik wordt door God vertroost (2 Korinthiërs 1:3-7).
Ik verkrijg de vrede van God, die alle begrip te boven gaat (Filippenzen 4:7).
Mij werd door de Geest gegeven de dingen te weten die ons door God genadig geschonken zijn (1 Korinthiërs 2:12).
Ik word in alles verdrukt, maar niet in het nauw gebracht (2 Korinthiërs 4:8).

Ik word in twijfel gebracht, maar niet vertwijfeld (wanhopig) (2 Korinthiërs 4:8).


Ik word niet verlaten (2 Korinthiërs 4:9).
Ik ben niet in duisternis (1 Thessalonicenzen 5:4).
Mijn bekwaamheid is uit God (2 Korinthiërs 3:5).
Mijn kracht is Christus (2 Korinthiërs 12:9-10; Filippenzen 4:13).
De Heer is voor mij een Helper en ik zal niet vrezen (Hebreeën 13:6).
Alle dingen werken voor mij samen ten goede (Romeinen 8:28).
Ik draag altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in mijn lichaam openbaar wordt (2 Korinthiërs 4:10-11).

Mijn God is voor mij (Romeinen 8:31).


God voorziet in alles wat ik nodig hebt (Filippenzen 4:19).
Ik ben Gods medearbeider (1 Korinthiërs 3:9; 2 Korinthiërs 6:1).
Ik ben geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat ik daarin zou wandelen (Efeziërs 2:10).
God werkt in mij (Filippenzen 2:13; Hebreeën 13:21).
Gods Woord is werkzaam in mij (1 Thessalonicenzen 2:13).
Ik ben verzegeld door God (2 Korinthiërs 1:22; Efeziërs 1:13).
Ik sta op de rots, het fundament, Jezus Christus (Mattheüs 16:18; 1 Korinthiërs 3:11).
Ik ben bevestigd in Christus (2 Korinthiërs 1:21; 2 Thessalonicenzen 3:3).
Ik wordt door de kracht van God bewaard (1 Petrus 1:5).
Ik wordt door Jezus Christus bewaard (Judas 1).
God bij machte om mij voor struikelen te bewaren (Judas 24).
Ik heb een gebouw van God in de hemelen (2 Korinthiërs 5:1).
Mijn naam is opgeschreven in de hemel (Lukas 10:20).
Ik ben meer dan een overwinnaar (Romeinen 8:37).
God geeft mij overwinning door Christus (1 Korinthiërs 15:57).
Ik overwin de wereld (1 Johannes 5:4-5).
God doet mij triomferen in Christus (2 Korinthiërs 2:14).
Hij Die in mij is, is groter dan hij (Satan) die in de wereld is (1 Johannes 4:4).
De Satan heeft op mij geen vat (1 Johannes 5:18).
Ik werd opnieuw geboren tot een levende hoop (1 Petrus 1:3).
Ik heb een heerlijke toekomst (Romeinen 8:18; 2 Thessalonicenzen 2:14).
Mij werd een eeuwige troost en goede hoop gegeven, in genade(2 Thessalonicenzen 2:16).
Ik word bewaard tot de komst van Zijn hemels Koninkrijk (2 Timotheüs 4:18).
Ik ontvang een onwankelbaar koningrijk (Hebreeën 12:28).
Voor mij is een plaats gereserveerd in de hemel (Johannes 14:2,3; 1 Petrus 1:4).
Ik zal eten van de boom des levens (Openbaring 2:7).
Mij zal geen schade toegebracht worden door de tweede dood (Openbaring 2:11; 20:6).
Ik zal een nieuwe naam hebben (Openbaring 2:17; 3:12).
Ik zal macht over de naties ontvangen (Openbaring 2:26; 5:10).
Mijn naam zal niet uitgewist worden uit het boek des levens (Openbaring 3:5).
Ik zal een zuil zijn in de Gods tempel (Openbaring 3:12).
Ik zal met Christus zitten op Zijn troon (Openbaring 3:21).
Ik zal voor altijd bij God zijn (Openbaring 21:3-4).

E-mail: verhoevenmarc@skynet.be

Homepage: www.verhoevenmarc.be of users.skynet.be/fa390968

Ga hier naar de Nieuwste Artikelen



1 God zal eenmaal openbaren welke van onze daden rechtvaardig en welke onrechtvaardig zijn geweest. Dit betekent uiteraard niet dat de gerechtigheid op grond van werken zou zijn. De behoudenis is uit het geloof, maar die behoudenis moet vervolgens blijken uit de goede werken die uit de behoudenis voortvloeien - en zelfs die werken zijn slechts mogelijk uit genade (zie Ef 2:8-10; Tt 2:14; 3:3-8). Aan de bruiloft moet dus eerst nog iets voorafgaan: het openbaar worden voor de rechterstoel van Christus, zoals Rm 14:10 en 2Ko 5:10 ons leren.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina