Wegen vol kronkels



Dovnload 0.77 Mb.
Pagina1/29
Datum27.08.2016
Grootte0.77 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29
Wegen vol kronkels.
Mevrouw Driessen, neemt u plaats”, nodigt meester De Rock uit. Hij kijkt hoe zijn cliënte op de rand van de zetel gaat zitten. Haar trekken zijn gespannen. Door de koude herfstwind, zijn haar neus en wangen rood aangeslagen. Ondanks de aangename verwarming in het kantoor van de advocaat, houdt zij haar jas en handschoenen aan. Ook haar handtas laat zij op haar schoot staan. Meester De Rock gaat onmiddellijk ter zake. “Zoals ik u al zei aan de telefoon, heb ik de informatie, dat u mij hebt gevraagd.” Hij zet zijn bril met het gouden montuur op en opent een map, waaruit hij het samengestelde dossier haalt. Op zijn bureaublad, legt hij afschriften van de correspondentie die is ontstaan tussen Maria en de overste van het internaat, enkele postkaarten, foto’s en het voornaamste, de geboorte akte van het kind. “Ik ben naar het Instituut Sainte Marie gestapt en heb gesproken met de directrice, Zuster Anne, over het meisje in kwestie.” Hij neemt de geboorte akte op een schuift het naar Maria toe. “Hier is het bewijs, dat Anaïs Driessen wel de dochter is van uw man.” Met een rillende hand neemt Maria het waardepapier aan. In een mooi gekruld geschrift, staat geschreven, dat die akte op de datum van zestien december negentienhonderd tweeënvijftig werd opgemaakt door meneer Léon Colin, districtbeheerder van het district Kutu. Anaïs Driessen, dochter van Lena Manboko, geboren te Kutu op twee maart negentienhonderd vierendertig. Vader, Albert Driessen, geboren te Antwerpen op twintig november negentienhonderd zeventien. Het meisje kreeg de namen, Anaïs, Leona. Die tweede naam verwijst naar mevrouw Driessen schoonmoeder. De gekrulde zwarte letters springen als spottende duiveltjes, voor haar ogen. Zij bijt op haar fijne lippen, om een kreet van verbazing niet te laten ontsnappen. Zonder een woord te kunnen zeggen, legt zij de geboorte akte onmiddellijk terug op het bureau, alsof het haar handen verbrandt. De advocaat vervolgt: “ Zuster Anne heeft mij verteld, dat meneer Driessen, het kind binnen heeft gebracht eind augustus negentienhonderd zestig, met de vraag of zij er het hele jaar kan verblijven, ook tijdens de vakantieperiodes. Hij had haar ook laten weten, dat haar moeder overleden was. De conclusie van de non was, dat de vader het te druk had, om voor zijn dochter te zorgen. Het schoolgeld werd op tijd vereffen en zij liet ook weten, dat Anaïs vader regelmatig het meisje kwam bezoeken. Deze foto’s bewijzen de woorden van Zuster Anne.” De advocaat schuift dit keer een pakje gekleurde foto’s. Maria laat er gewoon haar oog op vallen, maar neemt ze niet op. Zij herkent meteen haar man, die vrolijk naar de lens lacht, soms met een arm rond de schouders van een klein donker meisje. Op een ander legt het kind haar hoofd op zijn schouder. Een derde laat zien, hoe zij hem een zoen op zijn wang geeft. “Ik veronderstel, dat die meneer uw man is?” Vraagt de raadsman aan Maria, die zo wit ziet als een laken, knikt bevestigend en rolt zenuwachtig een zakdoek tussen haar vingers. Het is niet de eerste keer, dat één van zijn cliënten, moeite heeft om zijn of haar emoties onder controle te houden. Maria heeft, vanaf haar binnenkomst in zijn bureau, nog geen enkel woord gerept, geen enkel vraag gesteld. Het lijkt alsof hij tegen de muren aan het praten is “ Zuster Anne heeft duidelijk laten horen, dat zij het meisje niet in haar school kan houden, als er voor haar niet meer wordt betaald, zal zij in een weeshuis worden geplaatst.” Maria neemt al haar moed bijeen en met bijna een fluisterende stem, vraagt: “Ben ik verplicht om voor haar te zorgen?” “Nee, dat bent u niet. Voor de staat is het kind nu een wees, aangezien haar beide ouders overleden zijn. Als de vrouw van meneer Driessen, kunt u natuurlijk het initiatief nemen, om voor haar te zorgen “Ik besef dat dit een pijnlijke zaak voor u is mevrouw Driessen.” Met een koele blik laat zij verstaan dat dit echt ongepast is.

Buiten,snijdt het gure weer, doch besluit Maria naar huis te lopen. Zij moet stoom uitblazen. Zij is er zo van overtuigd geweest, dat die hele kwestie een grote vergissing is. Die dag, dat zij de eerste brief had ontvangen van de directrice van het Instituut Sainte Marie uit Brussel, was zij zeker, dat die brief niet voor haar was bestemd. “Hoeveel mensen dragen niet dezelfde naam en soms nog dezelfde voornaam?” Had zij gedacht. . Zij ontving de eerste brief twee weken na het overlijden van Albert. Het verdriet en de rompslomp aangaande de begrafenis werden haar te zwaar, om zich daarover zorgen te maken. Een brief, die beweerde dat haar man een kind zou hebben, ergens op een internaat in Brussel. Zij had het uit haar hoofd gezet en was helemaal verrast, toen zij enkele weken later een tweede brief kreeg. Dit keer antwoordde Maria, dat het om een vergissing ging, dat zij en haar man geen dochter hadden, alleen twee zoons. Na dit schrijven, kwamen er nog twee brieven van zuster Anne, die beweerde dat zij bewijzen had over de vader van het meisje, genaamd Anaïs Driessen. “Je kan beter raad vragen aan een advocaat”, rade haar schoonzusterhaar aan. Met volle zekerheid, dat het steeds om een vergissing was, stapte zij toen naar het kantoor van meester De Rock.

Bij het naar huis lopen, vechtend tegen wind en regen, draaien haar gedachten op hol. Er is geen twijfel meer. Albert is wel de vader van dat mulatmeisje. Haar verdriet mengt zich met woede. Zij gaat vlug een straat over, om een buurvrouw te ontwijken. Maria heeft helemaal geen behoefte aan gezelschap en woorden van medelijden aanhoren over het overlijden van Albert.

Zij kan niet vlug genoeg thuis komen en met bevende hand opent zij de voordeur. Zij vergeet haar doornatte paraplu uit te schudden voor zij binnenstapt en plaatst hem open in de gang, hangt haar mantel aan de kapstok. Haar hele lichaam rilt van de kou.

In de woonkamer, valt haar blik op een foto die op de schouwmantel staat. Het is één van de laatste foto’s van Albert. Het is genomen tijdens hun vakantie aan zee. Zoals elk jaar huurden zij voor de hele maand juli, een appartement in Blankenberge. Albert kwam altijd een week later, aangezien hij maar drie weken verlof kon nemen, maar voor de drie weken voorbij waren, moest hij nog het ene en ander doen voor zijn werk; één potentiële klant bezoeken, die alleen tijd had op die bepaalde datum. Maria heeft er nooit echt bezwaar tegen gehad. Haar man was gewaardeerd op zijn werk voor zijn inzet als vertegenwoordiger, daar was zij fier over. “Misschien was het gewoon een smoes, om dat kind op te zoeken”, denkt zij ineens. De afbeelding toont haar drie mannen, Peter hun oudste zoon van tweeëntwintig, Paul, veertien jaar oud en daar tussen, Albert, vol levenskracht. Hij heeft zijn armen rond de schouders van de jongens gelegd en poseert met een brede glimlach in de lens van het fototoestel. Tranen springen uit Maria’s ogen en rollen in dikke druppels over haar wangen. “Waarom Albert?” Vraagt zij naar het lachend gezicht op de foto. Die lach was het eerste die haar had verleid. De herinneringen komen ineens naar boven. Als een filmprent op het witte doek, rolt het verleden af.

Op haar vijftiende, moet Maria de schoolbanken verlaten, zo kon zij haar moeder helpen met het huishouden. Haar ouders baten een café uit aan de Stationsstraat in Geel. Het is een drukke zaak en haar moeder heeft haar handen vol met het schoonmaken van de gelagzaal, het bedienen van de klanten, het onderhouden van de woning en het verzorgen van haar twee dochters. Magda is het vijf jaar jongere zusje. Voor Maria, die verpleegster wilt worden, is er geen sprake van verder te studeren. “Vrouwen hoeven niet buiten huis te werken. Zij zijn in de wieg gelegd, om voor man en kinderen te zorgen.” Met die uitleg, snoert haar vader haar de mond, als zij probeert uit te leggen hoe graag zij verpleegster wilt worden. Op haar zeventiende heeft zij kennis met Ludo. Haar ouders vinden de jongen een goede partij. Hij is de enige zoon van een landmeter. Doch staan zij erop, dat het koppel pas twee jaar later zouden trouwen. Zij hebben uitgerekend dat Magda dan veertien zou zijn en niet meer schoolplichtig, zodat zij de huiselijke taken van haar zus zal kunnnen overnemen. “Twee jaar is zo voorbij, dan heb je tijd om een mooie uitzet bijeen te krijgen”, zegt haar moeder. Ludo vindt het kinderachtig dat zijn verloofde haar maagdelijkheid wilt behouden tot hun huwelijksnacht. Voor Maria is het niet alleen een kwestie van zonde, maar de angst om zwanger te worden speelt een grotere rol. Zij heeft meerdere verhalen gehoord over meisjes die zwanger werden en uit hun ouderlijk huis werden gejaagd, of dat de minnaar ineens ervandoor was. Ludo lost zijn seksuele drang op met een ander meisje. Enkele maanden voor het huwelijk, komt dit feit aan de oren van Maria’s ouders en de verloving wordt tenietgedaan. Maria is er kapot van. Niemand kan haar troosten. Zij wordr ziek. De dokter meldt dat het psychologisch is en Maria best een tijdje uit Geel zou moeten. “Maar dokter, het is maar liefdesverdriet. Dat gaat toch zo over!” Spreekt haar vader tegen. “Nee, nee, zo’n verdriet kan veel kwaad voor de gezondheid.” “Wij kennen niemand buiten Geel, die haar kan opvangen”, zegt haar moeder. De geneesheer is bevriend met een jonge collega en zijn gezin, die in Antwerpen wonen en hijzelf zou zorgen, dat Maria er als dienstmeisje kan werken. “Het zijn fatsoenlijke mensen. Zij hebben drie kleine kinderen, tussen vijf en twee jaar. Hij vraagt Lisa en John om erover na te denken. Maria moet natuurlijk willen gaan. Zij vindt het moeilijk om die beslissing te nemen en naar de grote stad te gaan wonen, waar zij niemand kent. Dokter Fransen verzekert haar dat zij zich daar niet vreemd zal voelen. “ De vrouw van mijn collega is namelijk afkomstig uit Mol.”

De dokter heeft volkomen gelijk. Mevrouw is heel vriendelijk en stelt Maria onmiddellijk op haar gemak. Zij krijgt een kamer op de tweede verdieping, die knus ingericht is, met aan de ramen fleurige gordijntjes, een mooie bedsprei op het bed, een ruime kleerkast, een toiletkastje en als grote luxe een lavabo met stromend water. Op de overloop bevindt zich een Engelse wc. Het dokterskwartier bevindt zich vooraan het huis. Langs de ene kant van de gang is zijn kabinet en aan de ander een kleine wachtkamer. De leefruimte bestaat uit een eetkamer, salon en grote keuken. Dit gedeelte van het huis heeft zicht op en overdekt terras met daarna een mooie beplante tuin. Maria is verrukt door de pracht en het comfort van dat mooi herenhuis. Haar taak is eenvoudiger dat zij had gedacht. Zij moet de dagelijkse huistaken vervullen, maar één maal per week komt een poetsvrouw het grote werk doen. Al gauw, wint Maria de vriendschap van de kinderen. Zij benut de maaltijden met het gezin. Zij voelt zich helemaal niet aanzien als een meid. Mevrouw vertelt hoe zij het moeilijk had gehad, om zich thuis te voelen in Antwerpen. “Die dokters vrouwen hier, hebben het nogal hoog en als ze vernemen dat je van een klein stadje komt, beschouwen ze je als een boerenmeid.” Elke zondag krijgt Marie vrijaf en kan naar believen haar ouders bezoeken of de stad ingaan of gewoon zich ontspannen op haar kamer of in de tuin. Voor haar bazen is het een rustdag, die zij het liefst buitenhuis besteden. Soms rijden zij naar de kust of de Ardennen of brengen een bezoek aan familie en kennissen. Het gebeurt dat zijzelf gasten ontvangen, maar doen nooit beroep op Maria om te helpen. Zij respecteren haar welbeloonde rustdag. Mettertijd, maakt Maria kennis met Agnes, een dienstmeisje, die zij regelmatig tegenkomt bij de kruidenier of de bakker . Zij spreken soms af om samen de stad in te gaan en wandelen langs de grote lanen, waar zij dromend naar de etalages kijken van de chique klerenwinkels en juwelierszaken. Zij wandelen tot aan het Steen, waar zij naar de boten kijken, die de schelde op en neer varen. Op een warme zomerdag, nemen zijzelf de veerboot tot aan de linkeroever, kopen elk een ijsje, die zij op het Sint Anna strand benutten, terwijl zij naar de badende mensen kijken. De twee boffen dat zij het zo goed hebben bij hun bazen. Tijdens de zomervakantie, huurt de dokter een huis in Den Haan aan Zee. Mevrouw, de kinderen en Maria verblijven er de hele maand augustus. De dokter komt er elk weekeinde. Mevrouw nodigt vaak haar familie. Voor Maria is het dan dubbel werk, maar de vriendelijkheid van die mensen vergoedt de vermoeidheid.

Het tweede jaar, dat zij in dienst is, besluit de dokter zijn kabinet volledig te herinrichten en laat een binnenhuisarchitect komen. Deze man doet beroep op Peter Driessen, een fijne schrijnwerker met wie hij altijd samen werkt. Peter Driessen en twee van zijn zonen komen dagelijks het huis van de dokter in en uit. Albert is de jongste van de twee. Zijn uiterlijk en zijn charme vallen Maria meteen op en doet haar vlinders in de buik voelen. Ook de jonge man voelt zich aangetrokken door haar. Maria krijgt niet veel gelegenheid, om in zijn buurt te komen. Om tien uur bringt zij hun een kop koffie met een stuk cake en alsook in de namiddag, om vier uur. Voor ’s middags, hebben zij een schoofzak mee met allerlei lekkers, dat hun moeder heeft klaargemaakt, want moeder Driessen zorgt heel goed voor haar jongens. Ondanks, dat Maria de vele duidelijke blikken in zijn ogen merkt, is zij toch erg verrast, als Albert haar vraagt om met hem een zondag namiddag te spenderen.

Hun liefde wordt zo intens, dat zij er haar eetlus van verliest en mevrouw betrapt haar met dagdromen. “Het zou mij niet verwonderen dat hier liefde in het spel zit”, stelt zij vast. Maria bloost. “Is het niet die jonge gast, die timmerman met zijn blonde haar en zijn lieve glimlach?” Maria is verwonderd dat mevrouw het zo juist kan raden. “Ik heb zijn bewonderende blikken naar jou gericht wel opgemerkt.” Maria is opgelucht, dat haar bazin instemt in haar relatie met Albert. Op een avond, klopt Mevrouw aan de kamerdeur van Maria, opent ze op een kier en vraagt: “Geen belet?” Zij draagt een kleine plateau, met daarop twee koppen warme chocola. Maria zit in haar bed te lezen en kijkt verwonderd op, ziet hoe de vrouw het plateau, op de commode plaatst en met de twee koppen in de handen, naast haar op het bed komt zitten. “Pas op, het is heet”, zegt ze, als zij er één Maria toereikt. Het is de eerste keer sinds zij daar werkt, dat Mevrouw bij haar komt buurten. “Je weet dat mijn man en ikzelf verantwoordelijk zijn voor jou en wij zouden het erg vinden dat er met jou iets gebeurt”, zegt zij op een ernstige toon. Maria fronst haar wenkbrauwen. “Wat zou er met mij kunnen gebeuren, die u zo ongerust maakt?” Mevrouw legt haar hand op de hare en vervolgt: “Ik bedoel, dat een jongeman soms meer verlangt dan een kus en lieve woordjes.” “Mevrouw, zo is Albert niet en tenslotte, ik zal het hem nooit toelaten. Daar mogen jullie gerust in zijn.” Haar stem klinkt zo verzekerd, dat Mevrouw met een gerust geweten haar dienster goede nacht wenst en met de glimlach de kamer verlaat. Maria voelt een gloed van geluk, om de bekommernis van haar bazen.

Albert is de charmantste jongen die zij ooit is tegengekomen. Niet alleen zijn sportief uiterlijk, zijn heldere blauwe blik, de volle mooie getekende mond, de sterke kin, zijn honingblonde haarbos hebben haar bekeerd, maar ook zijn zacht karakter, zijn humor en zijn inzet om steeds andere bij te staan, zoals een vriend, die het niet meer goed ziet zitten. Hij heeft altijd een cent klaar voor een bedelaar, een glimlach naar een kind en hij draagt zijn familie op zijn twee handen. Hij is de jongste van drie broers en kijkt tegen hen op. Zij werken alle drie voor het familiebedrijf en dat versterkt hun band. De twee oudste zijn al gehuwd.

“Vandaag neem ik je mee op bezoek bij mijn broer Antoon”, meldt hij op een zondag. “Maar Albert, ik vind dat wat vervelend. Ik bedoel…” Hij lacht haar lief toe. “Maak je geen zorgen. Bij Nicole en Antoon, zal je je onmiddellijk thuis voelen”, verzekert hij haar.

Inderdaad, zij wordt met open armen ontvangen. Nicole zet koffie. Zij heeft voor de gelegenheid een appeltaart gebakken en bedient iedereen, die rond de keukentafel plaats neemt, na dat haar jonge schoonbroer Maria heeft voorgesteld. Zoals Albert haar heeft verzekerd, voelt Maria zich meteen op haar gemak.

Nicole is een mooie, jonge slanke, burgerlijke vrouw, van vierendertig jaar. Maria vindt het grappig, dat zij, een dorpsmeisje, een huisbediende, daar gezellig zit te praten met mensen, die zij vergelijkt met haar bazen. Antoon lijkt helemaal niet op Albert. Hij is donker van haar en heeft een ronder aangezicht en is zwaarder van postuur. Alleen, heeft hij ook die mooi heldere blauwe ogen en zit ook vol humor. Maria merkt de goede verstandhouding tussen man en vrouw. Hij noemt haar liefje. Zij legt vaak haar hand op zijn arm, als zij hem aanspreekt. Hun liefde is bezegeld met een dochtertje. Veerle is vier jaar oud.

Bij zijn andere broer, neemt Albert haar niet op bezoek. “Ik vind zijn vrouw niet erg sympathiek. Ik begrijp niet hoe Armand met haar kan leven. Zij is egocentrisch en bekijkt iedereen vanuit de hoogte.” Door die uitleg, is Maria niet ongeduldig om Rita te leren kennen. Elke keer dat Maria haar ouders gaat opzoeken, merken zij dat hun oudste dochter er gelukkig uitziet. Zij hebben geen vermoeden, dat de liefde er voor iets tussen zit en denken gewoon, dat zij tevreden is met haar werk. Maria probeert zo goed mogelijk haar liefde geheim te houden, maar langs de andere kant, wil zij het over alle daken roepen.

Na zes maanden verkering, vindt zij de tijd rijp om het thuis te vertellen. Ze spreekt over Albert met zo’n gloed van warmte, dat Lisa haar hart vast houdt en zich afvraagt, of haar dochter weer niet in een val zal lopen. “Een tweede ontgoocheling zal zij niet overleven”, zegt ze tegen haar zuster. Als Albert de zondag daarop, Maria vergezelt naar Geel, zijn haar ouders onmiddellijk weg van hem. Terwijl de vrouwen aan de vaat staant, neemt John hem mee in de gelagzaal, zodat hij hem beter kan polsen over de ernst van zijn relatie met zijn dochter. “Meneer, in het dieps van mijn hart, hoop ik met Maria mijn leven te delen en een gezin te stichten”, verklaart Albert ernstig. “Is dat een aanzoek?” Die onverwachte vraag overdondert Albert. Hij weet er geen raad mee. Eigenlijk, heeft hij nog niet over het huwelijk gedacht. Maria heeft hem verteld over haar breuk met Ludo en Albert was van plan niet overhaastig te zijn. In een flits van een seconde tracht hij een passend antwoord te vinden. “Ja, zo kunt u het noemen”, zegt hij ineens, verrast door zijn eigen woorden. John roept zijn gezin bijeen. “Mag ik u melden, dat deze jongeman zojuist de hand van Maria heeft gevraagd!” Haar moeder laat een kleine kreet horen achter haar hand. Maria kijkt verbaasd en blij naar Albert en Magda klapt in haar handen.

“Wat denk jij, Maria. Ben jij bereid met die man je leven te delen?” Vraagt haar vader. “Ja, dat wil ik zeker!”Antwoordt zij opgewonden en voelt tranen van geluk opkomen. “Dan kan ik alleen maar toestemmen zeker.” Er wordt gefeliciteerd en gekust. “Daar drinken we op!” Roept John en vult de glazen met witte schuimwijn.

Voor Maria, kan het geluk niet op, maar Albert zit nu met een groot probleem. Hij gaat te raad bij Antoon, vertelt hem over zijn bezoek bij de ouders van Maria en de plotse verloving. “Ben je niet zeker dat je met haar wilt trouwen?” “Dat wil ik wel, maar hoe moet ik dat thuis uitleggen?” Vraagt hij met een diepe zucht. “Dan is het tijd, dat je haar aan de ouders gaat voorstellen”, antwoordt Antoon. “Ik weet op voorhand, hoe Moeder zal reageren. “Een dienstmeisje uit een boerendorp. Denk aan onze standing”, doet hij zijn moeder na.

Ook Maria vraagt zich af, of het geen tijd is om kennis te maken met zijn ouders. “Wat zeggen je ouders over onze verloving?” Zij zitten op een bank in het stadspark. Albert antwoordt niet meteen. Zenuwachtig, werpt hij kiezeltjes op de zandweg. “Je hebt het hen toch verteld?” Hij bijt op zijn lippen. “Dus niet!” Ik had al zo’n vermoeden. Anders had je mij al lang aan je ouders voorgesteld. “Zij weten dus niets van onze relatie, terwijl jij regelmatig op bezoek gaat bij mijn ouders? “Mijn moeder is niet van de gemakkelijkste. Zij heeft haar eigen mentaliteit en …” “Ik zal niet goed genoeg zijn!” Het is hun eerste ruzie.

Om zijn relatie in woord te brengen thuis, kiest Albert een moment, dat zijn broers ook aanwezig zijn. Dat geeft hem meer steun. Het gebeurt tijdens het middagmaal, die zij met hun ouders elke dag delen. “Ik zou jullie iets willen melden!” Iedereen kijkt van zijn bord op. Albert schraapt zijn keel, neemt eerst een slok tafelbier en vervolgt: “Ik denk dat ik de vrouw van mijn leven heb gevonden, echt een meisje voor mij, mooi, lief, gedienstig, intelligent…” Zijn moeder staart hem met gefronste wenkbrauwen aan en onderbreekt onmiddellijk die vloed van bijvoeglijke naamwoorden: “Is zij van goeden huize?” “Haar ouders zijn ook middenstanders”, antwoordt Albert plechtig. De interesse van Leona Driessen stijgt.“

In welke branche?” “Zij hebben een taverne.” “In’t Stad?” Vraagt zijn vader. “Nee, zij wonen in Geel, een dorp niet ver van Turnhout.” Moeder schrikt en slikt verkeerd, zodat zij rood wordt van het hoesten. Antoon schenkt haar een vol glas van het donkere tafelbier. Zij drinkt het in een trek uit en zet haar verhoor voort. “Hoe kom jij aan een meisje uit zo’n dorp?” “Bij een klant, waar wij een inrichting hebben gedaan.” Zijn vader weet al genoeg. Hij herinnert zich het dienstmeisje en de manier waarop zijn jongste oog voor haar had. “Is het dat meisje, die je bij dokter Verhulst hebt ontmoet?” Vraagt hij. Voor haar zoon, zijn vader kan beantwoordden, komt Leona tussen beide: “Is zij een kennis van die dokter of is zij familie?” Dat zou voor haar natuurlijk de situatie veranderen. Albert bundelt zijn moed samen en antwoordt, zonder zijn moeder aan te kijken: “Maria werkt er als dienstmeisje.” “Een meid!” Roept zij mishagend uit. Haar ogen schieten vuur. “Er zijn toch genoeg meisjes van onze standing, die wachten, om een fatsoenlijke jongen te huwen. Nee mijn zoon loopt rond met een boerenmeid!” “Jongen toch!” Zij begint weer te hoesten. “Moeder, dat meisje is heel fatsoenlijk”, komt Antoon tussen het gesprek. “Hoe kan jij dat weten?” “Albert heeft ze ons al voorgesteld. Nicole en ikzelf vinden haar heel fatsoenlijk en zeer sympathiek.”

“Tenslotte Moeder, het is niet omdat je in dienst bent ergens, dat je niet fatsoenlijk bent”, voegt Armand eraan toe. “Een meid blijft een meid! ” Zich naar haar oudste zoon richten, zegt ze op een beschuldigende toon: “Jullie hadden hem de les moeten spelen in de plaats van hem in zijn ongeluk te laten lopen.” Zij draait zich weer naar Albert toe. “En jij belooft mij, dat meisje niet meer te ontmoeten!” De drie zoons en de vader kunnen moeilijk hun lach inhouden. Leona duwt haar bord opzij. Haar eetlus is weg. “Ik ga even een dutje doen”, meldt hun vader en verlaat de tafel . Zijn vrouw laat een diepe zucht horen. “Ja, jij trekt je er natuurlijk niets van aan, dat je zoon op het slechte pad loopt!” Roept zij hem achterna. Voor Peter Driessen is standing, zoals zijn vrouw het noemdt, niet van belang. Hijzelf is geboren en getogen in een werksman gezin. Zijn vader was dokwerker en zijn moeder werkte in een wasserij. Zijn broers en zussen moesten al vroeg gaan werken, om financieel te kunnen

bijstaan. Hijzelf ging in leer bij een schrijnwerker, als hij dertien was. De vader van Leona was postbode en haar moeder moest niet buitenhuis werken. Leona had nog een broer die mocht studeren en ingenieur is geworden. Zijzelf had de naadschool gevolgd, maar had nooit moeten werken. Zoals Albert en Maria, had Peter Driessen haar leren kennen, tijdens het werk. Hij moest met een andere werknemer een kast leveren, dat haar ouders hadden besteld bij zijn baas. Leona stond erop te kijken en lachte naar hem toe. Sedert die dag, liep Peter regelmatig de straat op en neer, waar zij woonde. Als Leona de gelegenheid zag, liep zij hem tegemoet en gingen zij er stiekem vandoor. Haar ouders hadden helemaal geen bezwaar gehad tegen hun huwelijk, want zijzelf waren gewonen mensen, die de kleinere man respecteerden. Het feit was, dat Leona naar haar broer en schoonzus opkeek. Zij had haar man aanbevolen een eigenzaak te beginnen en had hem daarin al haar steun gegeven. Hij moest ook toegeven, dat Leona hun kinderen een uitstekende opvoeding had gegeven, wel met de strenge hand, maar het resultaat kon niet beter. Zij wilt het beste voor haar jongens, daar is hij zeker van.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina