Werkdocument Jasmine Tilleman



Dovnload 62.63 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte62.63 Kb.


ZELFDODING

Werkdocument Jasmine Tilleman

1Ba TP C

Inhoud


Inhoud 2

1.Onderwerpsverkenning 3

1.1.Referentie 3

1.2.Synthese 3

1.3.Auteurs 7

1.4.Structuur 7

1.5.Specialist 8

1.6.Organisaties 9

1.7.Woordverklaring 10

2.Voorstelling 10

3.Interessante bronnen 11

3.1.Eindwerken 11

3.2.Handboeken 11

3.3.Kranten 12

3.4.Tijdschriften 12

3.5.Verzamelwerken 12

4.Excel-opdrachten 12

4.1.Soorten bronnen 12

4.2.Jaartal bronnen 13

4.3.Statistieken 14

5.Juridische context 15

5.1.Belgisch Staatsblad 15

6.Politieke context 16

7.Besluit 16

7.1.Wat moet je nog trainen? 16

7.2.Wat heb je geleerd en wat zal je bijblijven? 16

7.3.Wat heb je tekort? 16

16


7.4.Heb je voldoende info gevonden? 16


  1. Onderwerpsverkenning


Artikel ‘Moord en zelfdoding in Nederland’
    1. Referentie


Coid, J. (1983) ‘Th e Epidemiology of Abnormal Homicide and Murder Followed by Suicide’. Psychological Medicine, 13, 855-860.

Felthous, A.R. & A.G. Hempel (1995) ‘Combined Homicide-Suicides. A Review’. Journal of Forensic Sciences, 40, 846-857.

Frazier, S.H. (1975) ‘Violence and Social Impact’. In: J.C. Schoolar & C.M. Gaitz (eds.), Research and the Psychiatric Patient. New York: Brunner & Mazel.

Marzuk, P.M., K. Tardiff & C.S. Hirsch (1992) ‘Th e Epidemiology of Murder-Suicide’. Journal of the American Medical Association, 267, 3179-3183.

Milroy, C.M. (1993) ‘Homicide Followed by Suicide (Dyadic Death) in Yorkshire and Humbershire’. Medicine, Science and the Law, 33, 167-171.

Nieuwbeerta, P. & G. Leistra (2003) ‘Moord en doodslag in Nederland. Een overzicht van alle zaken in de perio de 1992-2001’. Tijdschrift voor veiligheid en veiligheidszorg, 2, 36-57.

Postulart, M. & P. Nieuwbeerta (2007) Moord en zelfdoding 1992-2006. Codeboek en documentatie.Leiden: NSCR. Interne Publicatie.

    1. Synthese


Moord-zelfdoding in Nederland

In het artikel ‘moord-zelfdoding in Nederland’ wordt er een overzicht gegeven van voorgaande studies in andere landen over het onderwerp moord gevolgd door zelfdoding. In het artikel is er een verschil gemaakt tussen partnerdoding, kinderdoding, gezinsdoding, doding van overige familieleden en doding van niet-familieleden gevolgd door zelfdoding.



Inleiding:

In Nederland plegen er jaarlijks 1500 mensen zelfmoord (CBS 2007) en worden er 200 mensen vermoord (Nieuwbeerta &Leistra 2007). Meestal staan deze 2 gebeurtenissen los van elkaar. Maar in sommige gevallen kan er een link tussen beiden gelegd worden. In een Engelse term heet deze combinatie van moord en zelfmoord ‘Homecide-Suicide’ ofwel ‘Murder-Suicide’. In het eerste deel van de term wordt duidelijk verwezen naar moorden en daarna is er zelfdoding van de dader. Men verkiest de term ‘zelfdoding’ boven de term ‘moord’ omdat die impliceert op een strafbare feit.


Desondanks moord-zelfdodingen een grote impact hebben op de maatschappij, is er nog maar zeer weinig onderzoek verricht naar deze zaak. In Nederland is er zelfs nog geen onderzoek gedaan naar het aantal slachtoffers die betrokken zijn geraakt in moord-zelfdodingen. Verder onderzoek is zeker nodig om de ernst van dit “probleem” te begrijpen. Op die manier kunnen we dergelijke situaties beter inschatten, voorkomen en begeleiden. Dit artikel zal op een aantal reeds onderzochte vragen antwoorden geven.
Het voorval van moord-zelfdoding:

Uit een registratie van het totaal aantal moorden gevolgd door zelfdoding varieert het aantal van 1,5 procent in de Verenigde Staten(Berman 1979) tot 42 procent in Denemarken (West 1965). Een recent onderzoek uit Engeland en Wales toont aan dat tussen de 1 en 7 procent van de moorden eindigt in zelfdoding (Barraclough & Clare Harris 2002).


Als men deze percentages van moord-zefldoding in en tussen landen gaat vergelijken, dan kan men zeggen dat: “hoe hoger het aantal moorden in een populatie, hoe lager het aantal abnormale moorden, waaronder de dader die zal overgaan tot zelfdoding(Coid 1983).” Maar in een onderzoek van Milroy (1995) werd aangetoond dat de hypothese van Coid weerlegt kan worden. Milroy’s studie toont aan dat er meer moorden gepleegd worden in landen waar ook een hoger aantal moord-zelfdodingen plaats vinden. Milroy vindt in zijn onderzoek een mogelijke factor die hier een rol in speelt, namelijk er word het meest mensen vermoord in landen waar je gemakkelijk aan een vuurwapen kan komen.
Classificatie van moord-zelfdoding:

Om een overzicht te krijgen in moord en doodslag maakt men gebruik van een classificatiesysteem. De meest courante classificatie is de indeling op basis van de relatie tussen de daders en slachtoffers (Leistra & Nieuwbeerta 2003; Nieuwbeerat & Leistra 2003). Dit classificatie systeem werd voor het eerst ook gebruikt voor moord-zelfdoding door Marzuk e.a. (1992). Marzuk deelde dit criteria in in de 4 meest voorkomende typen:


1. Partnerdoding gevolgd door zelfdoding
2. Kinderdoding gevolgd door zelfdoding
3. Gezinsdoding gevolgd door zelfdoding
4. Doding van niet-familieleden gevolgd door zelfdoding
5. (doding van overige familieleden gevolgd door zelfdoding)

1. Partnerdoding gevolgd door zelfdoding:

Partnerdoding (ook wel uxoricide genoemd) is het meest voorkomende type van fataal huishoudelijk geweld, maar komt ook het meest voor bij moord-zelfdodingzaken. (Bourget e.a. 2000; Dutton & Kerry 1999; Malphurs & Cohen 2002; Marzuk e.a. 1992). Partnerdoding en daarna zelfdoding wordt het meest gepleegd door mannen. Deze mannelijke daders (die na de moord zelfmoord plegen) zijn overwegend ouder dan andere daders die geen zelfmoord plegen na een partnerdoding (Belfrage &Rying 2004; Lund & Smorondinsky 2001). Dit verschil in leeftijd wordt ten eerste verklaard aan de hand van de psychiatrische stoornissen die frequenter voorkomen bij een hogere leeftijd. Ten tweede, hebben de oudere daders vaak een intiemere en emotionelere afhankelijke relatie opgebouwd met het slachtoffer (Felthous & Hempel 1995).


Eerder gemaakte epidemiologische studies tonen aan dat er twee groepen van partnerdoding-zelfdoding zijn. De eerste groep wordt gekenmerkt door het pathologische type van het ‘bezitten’ van de ander; de tweede groep is vooral gericht op de thema’s als ouderdom en ziekte, waaruit een soort van ‘zelfdodingspact’ (wederzijdse afspraak tussen twee personen die besluiten om samen te sterven (Cohen 1961)) kan ontstaan.
Bij partnerdoding-zelfdoding waar er geen sprake is van zelfdodingspact, spreekt men ook wel van ‘male proprietariness theory’ (Daly & Wilson 1988; Wilson & Daly 1993; Wilson e.a. 1995). Volgens deze theorie ziet de man zijn vrouw als zijn seksueel en reproductief eigendom die hij kan bezitten en inwisselen. Maar wanneer de vrouw dreigt de relatie te verbreken of haar geliefde afwijst dan wil de man controle behouden over zijn vrouw. Met als gevolg: er word (fataal) geweld gebruikt (Bourget e.a. 2000; Dutton & Kerry 1999; Morton e.a. 1998). Gevolgd door zelfdoding wordt gepleegd omwille van berouw van de daarvoor gepleegde moord of omdat de dader ervoor al suïcidale gedachten had. (Berman 1979; Guttmacher 1960; Henry & Short 1954; Lester & Lester 1971; Stack 1997).

2. Kinderdoding gevolgd door zelfdoding:

Kinderdoding gevolgd door zelfdoding (ofwel filicide-suicide) is de op tweena meest voorkomende geval van moord-zelfdoding (Barraclough & Clare Harris 2002; Malphurs & Cohen 2002; Marzuk e.a. 1992; Milroy 1993; Stack 1997; Wolfgang 1958). Strict genomen zijn er 3 types van kinderdoding: ten eerste heb je de infanticide, dit heeft betrekking op slachtoffers die tussen de 1 dag en 1 jaar oud worden vermoord. Ten tweede heb je filicide, dit is de officiële term die gebruikt word om de kinderen tussen de 1 en 12 jaar oud slachtoffer zijn van zelfdoding. Kinderen die nog geen 24 uur oud zijn en die vermoord worden, zijn slachtoffers van neonaticide (Resnick, 1970). Bij de laatste vorm volgt er zelden zelfdoding.


Historisch is bij ons bekend dat kinderdoding gevolgd door zelfdoding meer een vrouwelijke dader zou hebben. Maar ook mannen spelen hier hun rol (Byard e.a. 1999; Cooper & Eaves 1996). Men moet hier vooral rekening houden met het feit dan te zelfdoding bij vrouwen na het vermoorden van haar kinderen vaak niet fataal is. Bij mannen is de zelfmoordpoging hierna vaak wel gelukt (Schackelford e.a. 2005). Volgens Shackelford e.a. (2005) neemt de kans op zelfdoding toe bij de dader in vergelijking met het aantal slachtoffers die gevallen zijn. Zij concluderen dat deze daders in een ernstige psychopathologische toestand zijn.
Na onderzoek is gebleken dat er twee redenen zijn waarom ouders mogelijk hun kind om het leven brengen. Ten eerste is het een vorm van zelfvernietiging van de ouder. De ouder ziet zijn kinderen als een deel of verlengstuk van zichzelf, die ze meenemen in de dood. Deze gedachte word gemotiveerd door een pseudoaltruïstische ouder (ouders die besluiten dat er niemand voor hun kinderen zal zorgen nadat ze overleden zijn) (Merleau e.a. 1999; Messing & Heeren 2004; Milroy 1995; Somander & Rammer 1991; West 1965). Een tweede reden waarop kan wijzen dat een kind het slachtoffer wordt van kinderdoding-zelfdoding is de agressie die de dader gebruikt om zijn partner te laten lijden(Holden e.a. 1996; Wilson e.a. 1995). Dit word ook wel het ‘Medea Complex’ genoemd.

3. Gezinsdoding gevolgd door zelfdoding:

Familicide-suicide bestaat uit een samenstalling van partnerdoding-zelfdoding en kinderdoding-zelfdoding. Deze vorm van moord-zelfdoding wordt vrijwel altijd gepleegd door mannen (Adelson 1961; Byard e.a. 1999; Harder 1967; Marleau e.a. 1999; Somander & Rammer 1991), voornamelijk door dertigers en veertigers (Ewing 1997) die meestal ouder zijn dan de daders van kinderdoding (Alder & Polk 2001).


Er zijn 2 meest voorkomende vormen van gezinsdoding gevolgd door zelfdoding. In een eerste geval spreken we over ‘suicide by proxy’ (Frazier 1975): de man en vader die wanhopig staan tegenover het lot van hun gezin en niet enkel het zichzelf van het leven beroven, maar ook zijn vrouw en kinderen. Zijn motivatie is vaak om hen te beschermen tegen geanticipeerde pijn en lijden, zoals van armoede door verlies van een baan of door echtelijke conflicten. In een tweede geval spreken we van ‘murder by proxy’ (Frazier 1975): hier wordt duidelijk nadruk gelegd op moord. De oorzaak van de doding is vaak te zoeken in de wraaksfeer. Hier dood de man zijn kinderen omdat hij ze een verlengde van zijn vrouw ziet.

4. Doding van overige familieleden gevolgd door zelfdoding:

Bij doding van overige familieleden gevolgd door zelfdoding wordt er moord gepleegd op de eerste- tot de derdegraadsfamilie. Ook hier worden er 2 types beschreven. Ten eerste hebben we de parricide of de ouderdoding. De dader heeft hier vaak als motivatie een geschiedenis van psychisch, seksueel of geestelijk misbruik gekend. De dader heeft hierbij een weloverwogen keuze gemaakt (Dutton & Yamini 1995; Meloy 1992). Een tweede type van doding van overige familieleden gevolgd door zelfdoding is siblicide ofwel doding van broers of zussen, gevolgd door zelfdoding.



5. Doding van niet-familieleden gevolgd door zelfdoding:

Doding van niet-familieleden gevolgd door zelfdoding is een vorm die uiterst zeldzaam. Als eerste motief vonden de onderzoekers (Hickey 1991; Mullen 2004) het idee van ‘payback time’: de daders zijn vaak enig kind en werden vaak gepest tijdens hun jeugd. Zij zien en ervaren de wereld als onrechtvaardig en koesteren wrok tegen een aantal personen. Uit een aantal onderzoeken is gebleken dat de dader op voorhand voorbereidingen doet voor zijn zelfdoding (Andersen e.a. 2001; Cantor e.a. 2000; Hempel e.a. 1999; Mullen, 2004).



Slotbeschouwing:

Tot nu toe is er in Nederland nog steeds geen systematisch onderzoek gedaan naar het moord-zelfdodingsfenomeen. Daardoor hebben we een groot kennisgebrek. Om dit gebrek te verkleinen hebben we een nieuwe databank opgezet met alle moord-zelfdodingen sinds 1992.


In de periode van 1992-2006 vonden we in totaal 106 moord-zelfdodingszaken. Dat wil zeggen dat er ongeveer zo’n 7 moord-zelfdodingen ofwel 4% van alle moorden per jaar plaats vonden. Deze cijfers werden vergeleken met cijfers vanuit andere landen. En daar uit is gebleken dat de vergelijking van de huidige situatie de epidemiologische wetten van Coid (1983) tegenspreken. De resultaten van huidige onderzoeken komen meer overeen met de bevindingen van Felthous & Hempel (1995). Hun bevinding was namelijk: moord-zelfdodingen het meest gelijkenis vertoonden met andere dodingen in gezinsverband in plaats van met de algemene moordstatistieken.
Uit onderzoek bleek dat de meeste moord-zelfdodingen met een vuurwapen waren gepleegd. Daarom zou het beperken van de legalisering rond vuurwapens een stap in de goede richting zijn om het aantal moord-zelfdoding te doen dalen in landen waar je een soepelere wetgeving hebt omtrent vuurwapens.
Tot nu toe hebben we enkel nog maar een beschrijvend en epidemiologisch onderzoek verricht. Dit zal niet volstaan om het aantal moord-zelfdodingszaken te doen verminderen. Daarom is het van belang dat we nog bijkomend onderzoek doen door middel van de psychological autopsy methode (Shneidman, 1981). Dit onderzoek is gebaseerd op interviews met nabestaanden van de overledenen en een onderzoek naar de ziekenhuisrapporten en strafbladen van de slachtoffers.
    1. Auteurs


  • Marieke Liem: s als onderzoeker verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtwetenschappen in Utrecht.



  • Marieke Postulart : is student Sociologie (Radboud Universiteit Nijmegen) en was ten tijde van het onderzoek verbonden aan het NSCR in Leiden.



  • Paul Nieuwbeerta: is als senior onderzoeker verbonden aan het NSCR in Leiden en als hoogleraar aan de Vakgroep Sociologie van de Universiteit Utrecht.


    1. Structuur


De tekst is zeer logisch en gestructureerd opgebouwd. Er wordt gewerkt met titels en tussentitels. Dat maakt het heel interessant voor de lezers, want zo zien ze de onderverdeling van de soorten moord-zelfmoord doding. In de tekst worden ook referenties vernoemd die staan weergegeven door een naam en een datum. Op het einde van de tekst wordt een literatuurlijst weergegeven en op de allerlaatste pagina staat een profiel van de 3 auteurs. Er valt mij nog op dat in de structuur van het artikel ook grafieken en tabellen zijn verwerkt.

Inleiding:

1. Partnerdoding gevolgd door zelfdoding

2. Kinderdoding gevolgd door zelfdoding

3. Gezinsdoding gevolgd door zelfdoding

4. Doding van overige familieleden gevolgd door zelfdoding

5. Doding van niet-familieleden gevolgd door zelfdoding

Slotbeschouwing:
    1. Specialist


Naam: Coid

Voornaam: Jeremy

Functie: Professor in de forensische psychiatrie en directeur van een forensisch psychiatrisch onderzoek.

Contact: Tel: 020 7601 8138 (Professor Coid's PA)

Recente publicaties:
Coid J. (2003) Formulating strategies for the Primary Prevention of Adult Antisocial Behaviour: “High risk” or “Population” Strategies? In: Early Prevention of Adult Antisocial Behaviour. Eds D.P. Farrington & J.W. Coid. Cambridge. Cambridge University Press
Coid J. (2004) Comorbidity: Personality disorder and mental illness – the nature of their relationship. In: A.H. Crisp (ed) Every Family in the Land. Understanding prejudice and discrimination against people with mental illness (Revised edition). London. Royal Society of Medicine Press.
Coid J & Dunn W (2004) Forensic psychiatry assessments and admissions from East London, 1987-94. Journal of Forensic Psychiatry and Psychology 15 (1); 76 - 95
Coid J. (2005) Correctional Populations, Criminal Careers and Recidivism. In: Textbook of Personality Disorders (eds: J.M. Oldham, A.E. Skodol, D.S. Bender). American Psychiatric Publishing Inc.
Yang M, Coid J, Pan H, (2005) Multilevel generalised linear models for modelling age-related gender difference in violent behaviour and associated factors in the general household population, International Journal of Method in Psychiatric Research, 14(3): 130-145.
Coid J, Yang M, Tyrer P, Roberts A, Ullrich S. (2006) Prevalence and correlates of personality disorder in Great Britain. British Journal of Psychiatry, 188, 423-431.
Coid J, Yang M, Roberts A, Ullrich S, Moran P, Bebbington P, Brugha T, Jenkins R, Farrell M, Lewis G, Singleton N. (2006) Violence and psychiatric morbidity in the national household population of Britain: public health implications. British Journal of Psychiatry, 189, 12-19.
Coid J, Yang M, Roberts A, Moran P, Bebbington P, Brugha T, Jenkins R, Farrell M, Lewis G, Singleton N. (2006) Violence and Psychiatric Morbidity in the National Household Population. A Report from the British Household Survey. American Journal of Epidemiology 164 (12): 1199-1208.
Moran P, Stewart R, Brugha T, Bebbington P, Bhugra D, Jenkins R, Coid J. (2007) Personality Disorder and cardiovascular disease: results from a national household survey. Journal of Clinical Psychiatry 68 (1): 69-74.
Roberts ADL & Coid J. (2007) Psychopathy and offending behaviour: findings from the national survey of prisoners in England and Wales. Journal of Forensic Psychiatry and Psychology 18 (1): 23-43.
    1. Organisaties




  1. NSCR = Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving

Het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) is een nationaal onderzoekinstituut van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en wordt mede gefinancierd door het Ministerie van Justitie en de Vrije Universiteit Amsterdam. Het NSCR is in Amsterdam gevestigd. Het NSCR beweegt zich vanuit een fundamentele en interdisciplinaire onderzoeksoriëntatie op het snijvlak van theorie, praktijk en beleid. Het NSCR stelt zich de onderstaande doelen om een rol van betekenis te spelen in het nationale en internationale wetenschappelijk onderzoek op het terrein van criminaliteit en rechtshandhaving.

* Contact:
Telefoon: 020 598 5239
Fax: 020 598 3975
Email: nscr@nscr.nl
Website: www.nscr.nl

2) De Zelfmoordlijn

De zelfmoordlijn is een hulplijn voor iedereen die met zelfdoding in aanraking komt. Zoals mensen die aan zelfdoding denken, mensen die ooit een poging tot zelfdoding ondernomen hebben, verontruste mensen over iemand die (mogelijk) suïcidaal is en nabestaanden met vragen of nood aan steun en begrip.



* Telefoon:
Je kan de Zelfmoordlijn bellen op het nummer 02/649 95 55. Het nummer is overal gratis, ook met mobiele telefoon en in het buitenland. De Zelfmoordlijn is dag en nacht bereikbaar, 7 dagen op 7. Wie belt kan altijd anoniem blijven.

Ook als je belt voor iemand anders -’derden’ zoals wij ze noemen- kan je jouw verhaal doen. De beantwoorde zal samen met jou bekijken hoe je de derde het best kan ondersteunen, en wat jou kan helpen om hem of haar te ondersteunen.


De gesprekken aan de Zelfmoordlijn worden niet beantwoord door professionele hulpverleners (psychologen, psychiaters, …) maar door deskundig opgeleide vrijwilligers. Zij helpen je om het crisismoment te overbruggen. Bij hen kan je je verhaal kwijt en kan je open over je zelfdodingsgedachten praten, zonder veroordeeld te worden. Er gewoon eens over kunnen praten en je begrepen voelen kan al deugd doen. Daarnaast zal de vrijwilliger samen met jou zoeken naar manieren om met je problemen en zelfdodingsgedachten om te gaan.

Het centrum baseert, haar hulpverlening op drie uitgangspunten van suïcidepreventie. Ten eerste proberen ze de suïcidale gedachte van de zelfdodingsdaad te stoppen. Ten tweede proberen ze het verband tussen de wens om te sterven sterk verbonden te houden met de wens om te leven. Ten derde blijft er in crisissituaties altijd een behoeft om contact te hebben.


    1. Woordverklaring


Familicide-suicide: Gezinsdoding

Filicide: Slachtoffers tussen 1 en 12 jaar oud

Filicide Suicide: Kinderdoding

Homecide-Suicide: Moord-zelfdoding

Infanticide: Slachtoffers tussen de 1 dag en 1 jaar oud

Male proprietariness theory: Deze theorie zegt dat de man zijn vrouw als zijn seksueel en reproductief eigendom ziet, die hij kan bezitten en inwisselen.

Medea complex: De partner en dader vermoord al zijn kinderen om zijn partner te laten lijden

Moord-zelfdoding: Er wordt eerst een moord gepleegd en daarna pleegt de dader zelfmoord

Murder by proxy: De moord wordt gepleegd uit wraak.

Murder-Suicide: Moord-zelfdoding

Neonaticide: Slachtoffers van nog geen 24 uur oud

Parricide: Ouderdoding

Payback time: terugverdientijd (letterlijk) Psuedoaltruïstiche ouder: Een ouder die besluit dat er niemand voor hun kinderen zal zorgen nadat ze overleden zijn

Siblicide: Doding van broers of zussen, gevolgd door zelfdoding

Suicide by proxy: De man en vader die wanhopig staat tegenover het lot van zijn gezin en niet enkel het leven van zichzelf beroven maar van zijn hele gezin

Uxoricide: Partnerdoding

Zelfdodingspact: Twee oudere mensen die samen erin toestemmen om samen te willen sterven
  1. Voorstelling


Jasmine Tilleman. Ik ben studente 1e bachlor in de Toegepaste Psychologie op Katho te Kortrijk. Mijn rol in dit project is informatie opzoeken i.v.m. zelfdoding. Dit thema leunt zeker en vast aan bij mijn interesses. Mijn motivatie hiervoor: zelfdoding is een onderwerp die je bijna dagelijks in het nieuws hoort. En dan vraag ik mij toch soms af hoe het komt dat dit fenomeen zich voordoet en of dat er nog andere vormen zijn van zelfdoding.

Naam: Tilleman

Voornaam: Jasmine

Geboortedatum: 20 juni 1991

Studierichting dit jaar: BaTP

Hobby: Dansen, bakken en film gaan kijken

E-mailadres: jasmine.tilleman@student.katho.be


  1. Interessante bronnen

    1. Eindwerken


Deblaere, E. (2008). Suïcidepreventie op de PAAZ: een overzicht van de taakinhoud van de sociale dienst op de PAAZ-afdeling van het AZ Groeninge te Kortrijk inzake suïcidepreventie en voorstelling van twee specifieke methodieken ter aanvulling van het huidig takenpakket. (Ongepubliceerd) eindwerk Bachlor Maatschappelijk Werk. KATHO IPSOC, Kortrijk.

Rousseeuw, C. (2010). Hulpverlening aan nabestaanden zelfdoding vanuit CAW slachtofferhulp: evaluatie en toekomstperspectief van het werken met vrijwilligers. (Ongepubliceerd) eindwerk Bachlor Sociaal-Agogisch werk. KATHO IPSOC, Kortrijk.

Vermeulen, J. (2009). Zelfmoord in Japan: oorzaken van zelfdoding in het land van de rijzende zon. (Ongepubliceerd) eindwerk Master Letteren. K.U.Leuven, Leuven.

Vermeersch, C., (2006). Drijfveren tot suïcide bij personen met een majeure depressie. KATHO IPSOC, Kortrijk.


    1. Handboeken


De Cock, L. (2009). Psychogeriatrie : een medische gids : psychische verschijnselen bij ouderen beter herkennen en begrijpen. Leuven: Davidsfonds.

Kerkhof, A., van Luyn, J.B. (2010). Suïcidepreventie in de praktijk Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

Tholen, A.J., Berghmans, R. L. P. (1954-), Huisman, J., Legemaate, J. , Nolen, W.A., Polak, F. & Scherders, M.J.W.T. (2009). Richtlijn omgaan met het verzoek om hulp bij zelfdoding door patiënten met een psychiatrische stoornis. Utrecht: De Tijdstroom.

    1. Kranten


Avl. (2010, 20 oktober). Veroordeel hulp bij zelfdoding niet, De Standaard, p.43.

Dhg. (2010, 5 oktober). Voetballers mee tegen zelfdoding, De Standaard, p.72.

Msn. (2010, 8 december). Jongeren beginnen website ter voorkoming zelfdoding, De Standaard, p.47.

Vbr BELGAN. (2010, 3 november). Risico op meer zelfdoding holibi’s, De Standaard, p.6.



Wwoj. (2010, 19 oktober). Zelfdoding onder een andere naam, De Standaard, p.7.
    1. Tijdschriften


Tholen, A.J. (2000). Vaardigheden en zorgvuldigheid bij alternatieven voor hulp bij zelfdoding Een reactie op het artikel van Chabot over ‘De vraag om hulp bij zelfdoding’, Tijdschrift voor psychiatrie, 10, pp.767-772.
Selten, J.-P. (2007). Zelfdoding onder Nederlandse Surinamers naar etniciteit. Tijdschrift voor psychiatrie, 10, pp.773-774.
    1. Verzamelwerken


Davis, T. (2002). Depression and Attempted Suicide A Hospital Based Study of 437 Patients. In J. Kosky, S. Eshkevari, D. Goldney & H. Riaz (reds.), Suicide Prevention the global context (pp.157-161).
  1. Excel-opdrachten

    1. Soorten bronnen




Soort Bron

Procent

Aantal

Boeken

16%

15

Tijdschrift

22%

20

Eindwerk

11%

10

webstites

15%

14

Folders

2%

2

Verzamelwerk

4%

4

Kranten

30%

28

Totaal

100%

93













    1. Jaartal bronnen




Periode

Procenten

Aantal

Voor 1995

1%

1

1995-1999

1%

1

2000-2005

11%

8

2006-2008

23%

17

2009

9%

7

2010

54%

40

Totaal

100%

74


    1. Statistieken


Zelfmoord in Nederland

Jaar

Aantal zelfmoorden

1891-1900

273

1971

1216

1998

1353



Zelfmoord in België

Jaar

Aantal zefmoorden

1891-1900

799

1960

1335

1970

1591



  1. Juridische context

    1. Belgisch Staatsblad




  • Koninklijk besluit houdende benoeming van de leden van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie ingesteld inzake de toepassing van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie (28 maart 2007, BS 16 mei 2007).

  • Wet betreffende de euthanasie (1) (28 mei 2002, BS 22 juni 2002).
  1. Politieke context


Is niet van toepassing bij het onderwerp ‘zelfdoding’
  1. Besluit

    1. Wat moet je nog trainen?


Ik denk dat het belangrijk is dat ik nog veel ga oefenen op de oefeningen van excel. Want met de excel-opdrachten heb ik veel moeite gehad.
    1. Wat heb je geleerd en wat zal je bijblijven?


Ik heb in het geheel geleerd dat je zeker en vast geduld moet hebben met je medestudent. Niet iedereen is even snel mee met de bedoeling van de wiki-opdracht. Ik vind het jammer dat er een aantal studenten waren die niet gemotiveerd geraakten om toch hun steentje bij te dragen. Jammer genoeg voldeden ze niet aan de deadlines die wij opstelden en dit zorgde toch wel voor enige frustratie.
    1. Wat heb je tekort?


We hebben geen juridische contexten gevonden. Dat is niet echt een tekort aangezien er geen te vinden zijn.
    1. Heb je voldoende info gevonden?


Wij hebben heel veel informatie gevonden, bij ieder puntje op z’n minst 5 zaken. Een aantal bronnen waren wel beperkt zoals de tijdschriften en de recente kranten artikels over zelfdoding. Zelfdoding hebben we nergens gevonden in een politieke context.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina