Zie, uw Koning komt Een uiteenzetting van het Evangelie naar Mattheüs A. C. Gaebelein



Dovnload 1.3 Mb.
Pagina1/71
Datum23.08.2016
Grootte1.3 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   71

Zie, uw Koning komt


Een uiteenzetting van het Evangelie naar Mattheüs

A. C. Gaebelein

Oorspronkelijke titel: An Exposition of the Gospel of Matthew

Oorspronkelijke uitgave: Loizeaux Brothers, Neptune, New Jersey USA

English Version Part 1 : http://www.biblecentre.org/commentaries/acg_44_mathew_exp.htm

English Version Part 2 : http://www.biblecentre.org/commentaries/acg_44_mathew_exp2.htm
De in dit boek voorkomende Godsnaam ‘Jehova’ (tetragram JHWH) werd door overzetter consequent als ‘Jahweh’ weergegeven. De besproken Schriftgedeelten werden toegevoegd (in het blauw) en werden overgenomen uit de Voorhoeve-vertaling (Telos) van 1982. Tussen vierkante haken enkele toevoegingen door overzetter.


Hyperlinks naar de behandelde hoofdstukken in Mattheüs

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28



Over de schrijver


Arno Clemens Gaebelein (1865-1945) kwam als jonge immigrant in 1879 in de Verenigde Staten aan. Bekend is hij om zijn werk onder de in New York wonende Joden, maar ook om de vele bijbelconferenties die hij hield en door een reeks boeken die hij schreef. Hij was een intieme vriend van C. I. Scofield, en daardoor nauw betrokken bij de totstandkoming van de bekende Scofield Bijbel. Oorspronkelijk methodistisch predikant, voelde hij zich sterk aangetrokken tot de leer van ‘de broeders’, wat ertoe leidde dat hij zich in 1899 losmaakte van alle kerkelijke verbindingen (hoewel hij zich nooit bij ‘de broeders’ gevoegd heeft).

Van dezelfde schrijver is een commentaar op het Johannes-evangelie verschenen onder de titel: ‘Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd’.


INLEIDING


Het Evangelie van Mattheüs is het eerste Evangelie en tevens het eerste boek van het Nieuwe Testament, omdat het het eerst is geschreven en terecht genoemd kan worden het Genesis van het Nieuwe Testament. Genesis, het eerste boek van de Bijbel, bevat in beginsel de gehele Heilige Schrift, en dat geldt ook voor het eerste Evangelie; het is het boek van het begin ener nieuwe bedeling. Het lijkt op een geweldige boom. De wortels hebben zich diep ingegra­ven tussen massieve rotsen, en zijn ontelbare takken en twijgen strekken zich opwaarts uit, al hoger en hoger in volkomen harmonie en schoonheid. Het Oude Testament is het fundament met zijn Messiaanse beloften van het Koninkrijk. Van daaruit wordt alles in volmaakte harmonie ontwikkeld, reikend al hoger en hoger tot de nieuwe bede­ling in het begin van het duizendjarige tijdperk.

Het door de Heilige Geest gekozen instrument om dit Evangelie te schrijven, was Mattheüs. Hij was een Jood die niet behoorde tot de klasse van godsdienstige, beschaafde mensen, maar tot hen die bitter werden gehaat. Het Ro­meinse gouvernement had officiële personen aangewezen en hun opdracht gegeven, de wettige belasting te innen. Deze personen wezen op hun beurt incasseerders aan, die gewoonlijk uit Joden bestonden.

Slechts de laagstgezonkenen onder de Joden boden zich aan om de vijanden te helpen bij deze taak. Van hen bij wie ook slechts een kleine vonk gloorde van de Messias­verwachting, wilde niemand zich verbinden met de hei­denen, die uit het land gejaagd zouden worden bij de komst van de Koning. Om deze reden werden de tolle­naars, als Romeinse knechten, bijna nog meer gehaat dan de heidenen zelf. Zulk een gehate tollenaar was de schrijver van dit eerste Evangelie. Hoe de genade van God zich in hem openbaarde, zullen wij later zien. Dat hij gekozen werd om dit Evangelie te schrijven, is op zichzelf tekenend. Het spreekt van een nieuwe orde der komende dingen, namelijk de roeping van de verachte heidenen.

Uit inwendige kenmerken is af te leiden, dat het Evangelie oorspronkelijk geschreven werd in het Aramees, het Semitisch dialect, dat destijds in Palestina werd gesproken. Later werd het Evangelie vertaald in het Grieks. Vast staat, dat het Evangelie van Mattheüs bij uitnemendheid het Joodse Evangelie is. Vele passages kunnen in hun fundamentele betekenis alleen volkomen begrepen worden door iemand die nauw verwant is met de Joodse gewoonten en de traditionele onderwijzingen van de oudsten.

Omdat het het Joodse Evangelie is, vindt men er door­lopend de verschillende bedelingen in. Men kan gerust aannemen, dat iemand, hoe geleerd en toegewijd hij ook moge zijn, die de geopenbaarde waarheid van de bedelingen betreffende de Joden, de heidenen en de Gemeente Gods niet onderscheidt, falen zal om het Evangelie van Mattheüs te verstaan. Dit komt helaas maar al te veel voor en het is veel meer dan individueel falen in het begrijpen. Ver­warring, fouten, valse leer zijn de gevolgen, als de juiste sleutel ontbreekt voor welk deel van de Schrift ook. Wan­neer het karakter van de bedeling in Mattheüs werd ver­staan, zou geen zedekundige onderwijzing van de zogenaam­de Bergrede ten koste van de verzoening van onze Heer Jezus Christus mogelijk zijn, en er zou geen plaats zijn voor de sluwe, moderne begoocheling in onze dagen van een “soci­aal Christendom” dat de verheffing van de massa en de Reformatie van de wereld beoogt. Hoe geheel anders zou het Christendom zich openbaren als zijn leidende leraars, pre­dikers, uitleggers en professoren, verstaan hadden en wil­den begrijpen de betekenis van de zeven gelijkenissen in Mattheüs 13 met hun diepe en ernstige lessen. Als we bedenken hoevelen de leringen over de verschillende bede­lingen verwerpen, en ze zelfs bestrijden, daardoor nooit het Woord der waarheid recht leren snijden, is het niet vreemd dat deze mannen durven opstaan en zeggen dat het Evange­lie van Mattheüs zowel als de andere Evangeliën en ver­schillende delen van het Nieuwe Testament tegenspraken en fouten bevatten. Als gevolg van dit falen ten opzichte van de bedelingen, is tegelijkertijd de gedachte bij sommigen gerezen om de Evangeliën te harmoniseren, de gebeurte­nissen uit het leven van onze Heer te rangschikken in een chronologische volgorde en op deze wijze het leven van de Heer Jezus uit te beelden zoals wij de levensbeschrijvingen hebben van vele beroemde en vooraanstaande personen.

De Heilige Geest heeft nooit een levensbeschrijving gegeven van Christus. Dit blijkt wel heel duidelijk uit het feit, dat aan het grootste deel van het leven van onze Heer stilzwijgend wordt voorbijgegaan. Ook was het niet de bedoeling van de Geest om alle woorden, wonderen en verrichtingen van de Heer gedurende Zijn openbare dienst te vermelden en te rangschikken in een geschiedkundige orde. Wat is het dan aanmatigend van de mens, om iets te ondernemen dat de Heilige Geest nooit gedaan heeft! Iemand heeft terecht gezegd: “De Heilige Geest is geen verslaggever, maar een uitgever”. Een juiste opmerking. Het werk van een verslaggever is, alle bijzondere gebeurtenissen te vermelden. De uitgever rangschikt het materiaal op een manier die hem geschikt lijkt, en laat weg, verandert en voegt bij zoals het hem het beste lijkt. Dit heeft de Heilige Geest gedaan door het geven van vier Evangeliën, die niet een mecha­nisch verslag zijn van het leven en de werken van een persoon, genaamd Jezus van Nazareth, maar de geestelijke open­baring van de persoon en het werk van onze Heiland en Heer als Koning der Joden, Dienstknecht in gehoorzaam­heid, Zoon des mensen en Eniggeborene van de Vader. Wij kunnen hierop nu niet dieper ingaan, maar in de verklaring van ons Evangelie komen we hierop nader terug. In het Evangelie van Mattheüs, het Joodse Evangelie, dat ons spreekt van de Koning en het koninkrijk, en zich bezig­houdt met de Joden, de heidenen, en bij voorbaat ook met de Gemeente Gods, moet als in geen ander Evangelie elk ding bekeken worden uit het oogpunt van de bedeling. Al de meegedeelde wonderen, de gesproken woorden en de ver­haalde gebeurtenissen moeten vóór alles bezien worden als een voorafschaduwing en lering van de waarheden der bedeling. Dit is de juiste sleutel voor het openen en begrijpen van het Evangelie van Mattheüs. Het is even­eens een kenmerkend feit, dat de toestand van het volk Israël, met zijn trotse godsdienstige leiders, die de Heer, hun Koning verwierpen, en als gevolg daarvan zich het oordeel op de hals haalden, een beeld is van het eind der tegenwoordige bedeling, en wij in hen het komende verderf van het Christendom zullen zien. Het zelfde karakter van de tijden, toen onze Heer verscheen onder Zijn volk, dat zo godsdienstig en eigengerechtig was verdeeld in verschil­lende sekten, Ritualisten (Farizeeën) en Rationalisten (Sadduceeën   Hogere kritiek), die de leringen van mensen volgden, in beslag werden genomen door menselijke geloofs­belijdenissen, leerstukken enz.” wordt in het Christendom precies eender gevonden met zijn door mensen gemaakte instellingen, rites en rationalistische leringen.

Er zijn zeven grote bedelingen, die in dit Evangelie de aandacht vragen, en waar omheen alles is gegroepeerd. We laten een kort uittreksel volgen.

I DE KONING


Het Oude Testament is vol van beloften, die niet alleen spreken van de komst van de bevrijder, een zondedrager, maar ook van de komst van een Koning, Koning Messias, zoals Hij nóg genoemd wordt door de orthodoxe Joden. Die Koning werd door de vromen in Israël met hoop en verlangen verwacht. Naar Hem werd biddend uitgezien.

Dit is nóg zo met vele Joden in onze dagen. Het Evangelie van Mattheüs bewijst dat onze Heer Jezus Christus de ware, beloofde Koning Messias is. Wij zien Hem in dit Evangelie als de Koning der Joden, alles wijst er op, dat Hij in Waarheid de Koninklijke persoon is, van Wie de zieners en profeten, zowel als de geïnspireerde psalmisten schreven en zongen. Ten eerste is het nodig te bewijzen dat hij de wettige Koning is. Het geslachtsregister in het eerste hoofdstuk bewijst Zijn Koninklijke afkomst. Met “Boek des geslachts van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham”, begint het, het gaat tot Abraham terug, en houdt daar op, terwijl in Lukas het geslachtsregister teruggaat tot Adam” In het Evangelie van Mattheüs wordt Hij gezien als de Zoon van David, Zijn koninklijke af­stamming; Zoon van Abraham naar het vlees van het zaad van Abraham.

De komst van de wijzen wordt alleen vermeld in Mattheüs. Zij komen om de nieuw geboren Koning der Joden te aan­bidden. Zijn koninklijke geboorteplaats, de stad Davids, wordt genoemd. Het Kind wordt door de vertegenwoor­digers van de Heidenen aangebeden, en zij huldigen Hem als de ware Koning, hoewel de kenmerken van Zijn ar­moede Hem omringen. Het goud dat zij geven, spreekt van Zijn Koningschap. Elke ware koning heeft een heraut, zo ook de Koning Messias.

De voorloper treedt op, en zijn boodschap tot het volk in Mattheüs is: “Het Koninkrijk der hemelen is nabij ge­komen;” de Koninklijke persoon over wie zolang te voren gesproken werd, staat te verschijnen en wil dat Koninkrijk aanbieden. Als de Koning die verworpen werd, opnieuw zal komen om dit Koninkrijk op te richten, zal Hij nog eens voorafgegaan worden door een heraut, die Zijn komst zal aankondigen aan Zijn volk Israël, zoals Elia de profeet. In het vierde hoofdstuk blijkt, dat Hij werkelijk Koning is. Hij wordt driemaal verzocht, als Zoon des mensen, als Zoon van God en als Koning Messias. Na de verzoeking; waaruit Hij als de volkomen Overwinnaar tevoorschijn treedt, begint Hij Zijn dienst. De Bergrede (we willen deze benaming gebruiken, ofschoon ze niet Schriftuurlijk is) wordt in Mattheüs volledig gegeven. Markus en Lukas geven slechts fragmenten, Johannes spreekt er met geen enkel woord over. Dit zou in eens de staat van de drie hoofdstukken beslissen waarin deze rede voorkomt. Het is een lering in betrekking tot het Koninkrijk, de troonrede ervan met al zijn beginselen. Zulk een Koninkrijk op aarde, met al de kenmerken van de Koninklijke vereisten in de onderwerpen, is neergelegd in de rede. Indien Israël de Koning had aangenomen, zou het Koninkrijk toen ge­komen zijn, maar het is uitgesteld.

Het Koninkrijk zal tenslotte komen met een rechtvaardige natie als centrum; het Christendom is echter niet dat Ko­ninkrijk. In deze wondervolle rede spreekt de Heer als Ko­ning en als Wetgever, die de wet ontvouwt, waarnaar in Zijn Koninkrijk zal geregeerd worden. Van het achtste tot het twaalfde hoofdstuk zien wij de Koninklijke openbaring van Hem, die Jahweh is geopenbaard in het vlees. Dit gedeelte is vooral belangrijk, omdat het in een aantal wonderen de schetslijnen aangeeft van de bedeling der Joden, de Heidenen en hetgeen er komen zal nadat de tegenwoordige eeuw is voorbijgegaan.

Als Koning zendt Hij Zijn gezanten uit, begiftigt hen met de krachten van het Koninkrijk en laat tegelijkertijd de nabij­heid van het Koninkrijk prediken. Na het tiende hoofd­stuk begint de verwerping, gevolgd door Zijn onderwijs in gelijkenissen, de openbaring van de verborgenheden. Hij wordt aan Jeruzalem als Koning voorgesteld en het Messi­aans welkom wordt gehoord: “Gezegend is Hij, die komt in de naam des Heren”.

Daarna volgt Zijn lijden en sterven. In alles wordt Zijn Koninklijk karakter naar voren gebracht en het Evangelie eindigt plotseling en heeft niets te zeggen over Zijn op­varen naar de hemel. De Heer is, om zo te zeggen, op de aarde gelaten met alle macht in hemel en op aarde. In dit einde wordt gezien dat Hij de Koning is. Hij regeert nu in de hemel en op de aarde als Hij wederkomt.

II HET KONINKRIJK


De uitdrukking Koninkrijk der hemelen komt alleen voor in het Evangelie van Mattheüs. We vinden ze twee en dertig maal. Wat betekent ze daar? Alle vergissingen en verwarringen bij het uitleggen van het Woord vinden hun oorsprong in het foutieve begrip van het Koninkrijk der hemelen. Gewoonlijk neemt men aan, dat de uitdrukking Koninkrijk der hemelen betekent: de Gemeente. Van de Gemeente wordt dan gedacht dat zij is het ware Koninkrijk der hemelen, op de aarde gevestigd en de volkeren der we­reld overwinnend. Het Koninkrijk der hemelen is echter niet de Gemeente, en de Gemeente is niet het Koninkrijk der hemelen. Als onze Heer over het Koninkrijk der heme­len spreekt tot en met het twaalfde hoofdstuk, bedoelt Hij niet de Gemeente, maar het Koninkrijk der hemelen in oudtestamentische zin, zoals het beloofd werd aan Israël en gevestigd zal worden in het land met Jeruzalem als cen­trum. Vandaar uit zal het zich verbreiden over alle volken en de gehele aarde. Wat verwachtte de vrome, gelovige Jood op grond van de Schrift? Hij verwachtte en doet dat nog, de komst van de Koning Messias, die de troon van Zijn vader David bezetten zal; die het oordeel zal brengen over de vijanden van Jeruzalem, en verenigen de uitgewor­penen van Israël. Het land zal bloeien als nooit te voren, een algemene vrede zal gevestigd zijn; gerechtigheid en vrede als gevolg van de kennis der heerlijkheid van de Heer, zal de aarde bedekken zoals de wateren de bodem der zee. In het land, dat Jahweh’s land genoemd wordt, zal dit alles zijn als de hoofdfontein, waaruit alle zege­ningen, de stromen van levend water zullen vloeien. Een tempel, een huis voor aanbidding van alle volken, wordt verwacht in Jeruzalem, waarheen de volken zullen komen om de Heer te aanbidden. Dit is het Koninkrijk der hemelen zoals het beloofd werd aan en verwacht door Israël. Het is alles aards. De Gemeente is iets geheel anders. Haar hoop, de plaats, de roeping en de bestemming, haar regeren en heersen is niet aards, maar hemels. Nu de lang verwachte Koning verschenen was, predikte Hij dat het Koninkrijk der hemelen nabij was gekomen, dat is het beloofde aardse koninkrijk voor Israël. Als Johannes de Doper predikt: “Bekeert u, want het Koninkrijk der heme­len is nabij”, bedoelt hij hetzelfde. Het is geheel onjuist, op grond van zulk een tekstplaats in het Evangelie te ver­kondigen, dat een zondaar zich moet bekeren en dat dan het Koninkrijk tot hem komt.

Als Israël het getuigenis van Johannes zou hebben aange­nomen, zich bekeerd had en de Koning had aangenomen, zou toen het Koninkrijk gekomen zijn, maar nu is het af­gewezen totdat de Joodse discipelen opnieuw de prediking zullen uitspreken in de bede: “Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede gelijk in de hemel, alzo op de aarde”. Dat zal zijn nadat de Gemeente is opgenomen in de hemel. De geschiedenis van het Koninkrijk wordt in het tweede hoofdstuk gegeven.



III DE KONING EN HET KONINKRIJK WORDT VERWORPEN


In het Oude Testament is dit eveneens voorzegd, Jes. 53, Daniël 9:26, Psalm 22 enz. Ook in persoonstypen als Jozef, David en anderen wordt het gezien. De heraut van de Koning wordt eerst verworpen en eindigt zijn leven in de gevangenis. Dit spreekt van de verwerping van de Koning Zelf. In geen ander Evangelie wordt de geschie­denis van de verwerping zo volledig verteld als in dit. Het begint in Galilea, in Zijn eigen stad en eindigt in Jeruzalem. De verwerping is niet menselijk maar satanisch. Al de boosheid en verdorvenheid van het menselijk geslacht komt aan het licht, en Satan openbaart zich doorlopend. De ver­schillende klassen der mensen zijn alle in de verwerping betrokken. De menigten die Hem gevolgd waren en door Hem waren gevoed, de Farizeeën, de Sadduceeën, de Herodi­anen, de priesters, de overpriesters, de hogepriester, de oudsten. Tenslotte wordt bewezen dat zij wisten wie Hij was: hun Heer en hun Koning. Bewust leverden zij Hem over in handen der Heidenen. De geschiedenis van het kruis in Mattheüs toont eveneens de donkerste zijde van de ver­werping.

Zo wordt de profetie vervuld in de verwerping van de Koning.



IV DE VERWERPING VAN ZIJN AARDS VOLK EN HUN OORDEEL


Dit onderwerp uit het Oude Testament treedt zeer op de voorgrond in het Evangelie van Mattheüs. Zij verwierpen Hem, Hij verliet hen en het oordeel kwam, over hen. In het elfde hoofdstuk verwijt Hij de steden, waarin Hij Zijn meeste krachten gedaan had, dat zij zich niet hadden bekeerd. Aan het eind van het twaalfde hoofdstuk verloochent Hij Zijn familie en weigert ze te zien, terwijl Hij in het begin van het dertiende hoofdstuk het huis verlaat en naar de zee gaat. De laatste uitdrukking typeert de volken. Na Zijn voorstelling aan Jeruzalem als Koning, vervloekt Hij op de morgen van de volgende dag de vijgeboom, die Israëls natio­nale dood voorspelt, en daarna spreekt Hij Zijn twee ge­lijkenissen tot de overpriesters en de oudsten. Hij zegt hun dat het Koninkrijk Gods van hen is weggenomen en gegeven is aan een volk dat zijn vrucht zal voortbrengen.

In het gehele drie en twintigste hoofdstuk klinken de “wee u’s” over de Farizeeën en aan het eind spreekt Hij tot Jeruzalem en zegt: “Zie, uw huis wordt u woest gelaten”, totdat gij zult zeggen: “Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!”



V DE VERBORGENHEDEN VAN HET KONINKRIJK DER HEMELEN


Het Koninkrijk was door het volk van het Koninkrijk verworpen en de Koning Zelf heeft de aarde verlaten. Ge­durende Zijn afwezigheid is het Koninkrijk der hemelen in de handen van de mensen. Dan wordt het Koninkrijk gezien in een geheel andere vorm dan het in het Oude Testament was geopenbaard. De verborgenheden van het Koninkrijk, niet gekend van de grondlegging der wereld af, worden nu openbaar, Dit lezen wij in Mattheüs 13 en hier hebben wij, al is het niet meer dan een zwakke licht­straal, de Gemeente. Opnieuw wordt er aan herinnerd, dat beide niet gelijk zijn. Wat het Koninkrijk in zijn geheim­zinnige vorm is, leren ons de zeven gelijkenissen.

Het wordt daar gezien in een met boosheid vermengde toestand. De Gemeente, het ene lichaam, is niet slecht, want ze bestaat uit hen die door God geliefd zijn, geroepen heiligen. Het Christendom is eigenlijk dat Koninkrijk der hemelen in het dertiende hoofdstuk. De gelijkenissen laten zien, wat wij zouden kunnen noemen, de geschiedenis van het Christendom. Het is een geschiedenis van falen, van het worden van iets, dat de Koning nooit bedoelde, het zuurdeeg van het kwaad. Het gehele deeg wordt inderdaad doorzuurd en zo gaat het door totdat de Koning terugkeert en alle ergernissen uit het Koninkrijk zullen bijeenvergaderd worden. De gelijkenis van de parel valt grote waarde, spreekt alleen van de Gemeente.



VI DE GEMEENTE


In geen ander Evangelie dan dat van Mattheüs wordt iets van de Gemeente gezegd. In het zestiende hoofdstuk geeft Petrus zijn getuigenis over Christus, hem geopenbaard door de Vader die in de hemelen is. De Heer zegt hem, dat Hij op deze rots Zijn vergadering Gemeente zal bouwen en de poorten van de hades haar niet zullen overweldigen. Hij zegt niet: “Ik heb gebouwd”, maar: “Ik zal bouwen”. Direct na deze belofte spreekt Hij van Zijn lijden en ster­ven. De verandering van gedaante, in het volgende hoofd­stuk beschreven, spreekt van de heerlijkheid die volgen zal en is een type van de kracht en de komst van onze Heer Jezus Christus (2 Petr. 1:16:) Veel van wat volgt na deze verklaring van de Heer betreffende het bouwen moet toege­past worden op de Gemeente.

VII DE REDE OP DE OLIJFBERG, PROFETISCHE LERINGEN BETREFFENDE HET EINDE DER EEUW


De redevoering werd tot de discipelen gehouden, nadat de Heer Zijn laatste woorden tot Jeruzalem gesproken had. Ze is een van de meest merkwaardige gedeelten van dit Evangelie. We vinden haar in het 24ste en 25ste hoofdstuk. De Heer spreekt over de Joden, de Heidenen en de Ge­meente Gods. Ook het Christendom wordt er in gevonden. De Heidenen komen het laatst aan de beurt. De reden hiervoor is, dat de Gemeente eerst zal worden weggenomen van de aarde, waarna de belijders van het Christendom zullen worden achtergelaten en beschouwd als Heidenen die betrokken worden in het oordeel van de volken, zoals door de Heer wordt bekend gemaakt. Het eerste gedeelte van Mattheüs 24 is doorlopend Joods. Het vierde tot het vijf en veertigste vers geeft een zeer belangrijke profetie, die de gebeurtenissen op de aarde vermeldt, plaatsvindend na de opneming van de Gemeente. De Heer verenigt hier vele van de Oudtestamentische profetieën tot één grote profetie. De geschiedenis van de laatste week van Daniël wordt hier gevonden. Het midden van de week na de eerste drie en een halfjaar, is vers 15. De hoofdstukken 6 19 van de Openbaring, in de woorden van de Heer vervat, geven de zelfde waarheden, alleen meer uitgebreid en in bijzonderheden gezien, van de hemel uit, als een laatste woord van waarschuwing. Drie gelijkenissen volgen, waarin gesproken wordt over de geredden en de verlorenen. Waken en dienen is de leidende gedachte. Beloning en het werpen in de buitenste duisternis de tweezijdige uitkomst. Dit is van toepassing op het Christendom en de Gemeente. Het eind van Mattheüs 25 is het oordeel over de levende volken. Dit is niet het universele oordeel, een populaire maar geen Schriftuurlijke term in het Christendom. Het is het gericht over de levende volken in de tijd, dat onze Heer als Zoon des mensen zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.

Op de vele belangrijke feiten in het Evangelie, de aanha­lingen uit het Oude Testament, enz. enz., kunnen wij in deze inleiding niet ingaan, ze komen ter sprake in onze verklaring. Moge de Geest der waarheid ons in al de waarheid leiden.


HOOFDSTUK 1

Het geslachtsregister - 1:1-17

1 Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham. 2 Abraham verwekte Izaak, en Izaak verwekte Jakob, en Jakob verwekte Juda en zijn broers; 3 en Juda verwekte Perez en Zera bij Thamar; en Perez verwekte Hezron, en Hezron verwekte Ram, 4 en Ram verwekte Aminadab, en Aminadab verwekte Nahesson, en Nahesson verwekte Salmon, 5 en Salmon verwekte Boaz bij Rachab; en Boaz verwekte Obed bij Ruth; en Obed verwekte Isaï, 6 en Isaï verwekte David, de koning. En David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria; 7 en Salomo verwekte Rehabeam, en Rehabeam verwekte Abia, en Abia verwekte Asa, 8 en Asa verwekte Josafat, en Josafat verwekte Joram, en Joram verwekte Uzzia, 9 en Uzzia verwekte Jotham, en Jotham verwekte Achaz, en Achaz verwekte Hizkia, 10 en Hizkia verwekte Manasse, en Manasse verwekte Amon, en Amon verwekte Josia, 11 en Josia verwekte Jechonia en zijn broers ten tijde van de wegvoering naar Babel. 12 En na de wegvoering naar Babel verwekte Jechonia Sealthiël; en Sealthiël verwekte Zerubbabel, 13 en Zerubbabel verwekte Abiud, en Abiud verwekte Eljakim, en Eljakim verwekte Azor, 14 en Azor verwekte Zadok, en Zadok verwekte Achim, en Achim verwekte Eliud, 15 en Eliud verwekte Eleazar, en Eleazar verwekte Matthan, en Matthan verwekte Jakob, 16 en Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus is geboren, die Christus wordt genoemd. 17 Al de geslachten dus van Abraham tot David zijn veertien geslachten, en van David tot de wegvoering naar Babel veertien geslachten, en van de wegvoering naar Babel tot Christus veertien geslachten.

Het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Mattheüs is verdeeld in twee delen. Van het eerste tot en met het zeven­tiende vers vinden wij het geslachtsregister van Jezus Christus en in het laatste gedeelte het verslag van de geboorte van de Beloofde. In het tweede gedeelte zien wij Hem als Zoon van God en Zaligmaker, terwijl in het eerste, in het geslachtsregister, Zijn Koninklijke afkomst bewezen wordt. Hij is de werkelijke erfgenaam van de troon Davids en Zijn Koningschap wordt dus wettig vastgesteld.

De twee Griekse woorden waarmede dit Evangelie begint, zijn: “Biblos geneseos”, het boek van het geslacht, een uit­drukking overeenkomende met één uit het Oude Testament, die dikwijls in de Schriften gevonden wordt (Genesis 6:5, enz). Het begin van dit Evangelie toont duidelijk dat dit zeer belangrijk is voor de Joden. Het geslachtsregister, voorkomende in Lukas’ Evangelie, staat niet aan het begin, het komt pas in het derde hoofdstuk na de mededeling van de geboorte van de Heiland en de taak van de Voor­loper, als de Heer Zijn openbare dienst begint.

In het Evangelie van Lukas is Hij de Zoon des mensen en niet zoals in Mattheüs, de Koning. In Lukas gaat het geslachtsregister terug tot Adam, terwijl het in Mattheüs juist tegenovergesteld, niet zoals in Lukas begint met Zijn aardse naam Jezus, maar met Abraham, en het gaat voort totdat het einde is bereikt in Jozef, de echtgenoot van Maria. Het eerste vers in Mattheüs kan het opschrift ge­noemd worden van het geslachtsregister dat volgt: “Boek des geslachts van Jezus Christus, Zoon van David, zoon van Abraham”. Zoon van David, omdat er een Koning beloofd is die in gerechtigheid op de troon van Zijn vader David regeren zal; maar in breder zin, zaad van Abraham, door wie al de geslachten der aarde gezegend zullen worden en de volken geestelijke zegeningen zullen ontvangen. Hoe foutief zou het zijn geweest als er gezegd was: boek des geslachts van Jezus Christus, Zoon van Abraham, Zoon van David. Dat zou de opvatting van de mens zijn geweest, maar de Heilige Geest plaatst David vóór Abraham, hoewel geschiedkundig Abraham het hoofd is, de eerste. Jezus Christus is ten eerste de Zoon van David, en als zodanig wordt Hij aan het volk van Israël voorgesteld als Koning, om door hen te worden verworpen. In breder zin is Hij Degene, door Wie de beloften van zegen in Abraham aan de volkeren moeten worden vervuld. Hoe duidelijk toont ons dit de letterlijke inspiratie. Als die er niet is, kan er in het geheel van geen inspiratie gesproken worden.

Niet zelden gebeurt het, dat lezers van het Nieuwe Testa­ment vragen, waarom al deze namen in het eerste hoofd­stuk zijn opgesomd. Gedurende de jaren zijn vele vragen door ons beantwoord en zeer veel brieven geschreven, als ant­woord op vragen van Joden om inlichtingen betreffende het ge­slachtsregister, zoals het hier voorkomt en de ogenschijnlijke tegenspraken en verschillen tussen dat in Mattheüs en Lukas. Gevraagd wordt, waarom iemand twee geslachts­registers moet hebben en welke nu eigenlijk het juiste is? Als een Jood het Nieuwe Testament opent met Mattheüs, bevindt hij zich op bekend terrein. Zijn eerste overweging is, dat als Jezus van Nazareth de Messias is, de Zoon van David, dit uit het geslachtsregister moet blijken. Bewijzen de geslachtsregisters van Mattheüs en Lukas dit?

Dikwijls is de vraag aan zulk een Joodse belangstellende gesteld: Veronderstel dat Jezus van Nazareth niet de Mes­sias was, niet de Zoon van David, dan zoudt gij de komst van een Messias verwachten, de Zoon van David, geboren te Bethlehem. Maar hoe zou die komende Messias kunnen bewijzen dat Hij in werkelijkheid de Zoon van David is, daar uw geslachtsregisters reeds eeuwen geleden verloren zijn geraakt?

Anderen hadden moeilijkheden met twee verschillende ge­slachtsregisters. Wij willen in enkele woorden trachten uit te leggen wat zij ons te zeggen hebben.

Het geslachtsregister van Mattheüs gaat over Jezus Christus als de wettige Koning; dat van Lukas over de Zoon des mensen, en als zodanig verbonden met het gehele menselijk geslacht. Mattheüs bewijst dat Jozef een afstammeling is van David, door het huis van Salomo; Lukas, dat Maria, de maagd, eveneens een afstammeling van David is, echter niet door het huis van Salomo, maar verwant met David door het huis van Nathan. De Messias zou geboren worden uit een maagd, die een afstammelinge van David was. Maar een vrouw heeft geen recht op de troon. Als de Zoon van de maagd alleen, kon Hij geen wettige rechten laten gelden. Om te maken dat de Eengeboorne, de in haar verwekte door de Heilige Geest, de wettige erfgenaam van de troon van David in de ogen van het volk zou zijn, moest de maagd de vrouw zijn van een man, die een volkomen en onveranderlijk recht had op de troon. Het geslachtsregister in Mattheüs toont aan, dat Jozef de zoon van David is en als zodanig recht heeft op de troon. Daarom is Jezus wettig Erfgenaam van de troon, wettige afstammeling en erfge­naam van David door Jozef, maar nooit Jozefs Zoon. Naar het volk meende, was Hij de Zoon van Jozef. “En Hij Jezus, begon omtrent dertig jaar oud te worden, en was, naar men meende, een Zoon van Jozef” (Lukas 3:23). “Is deze niet de Zoon van Jozef?” (Lukas 4:22). Zijn recht om de werkelijke Zoon van David te zijn, is daarom nooit een kwestie van dispuut geweest. Als Hij de Zoon van Jozef geweest was naar het vlees, had Hij nooit onze Zaligmaker kunnen zijn. De 51ste Psalm zou dan van toepassing ge­weest zijn: “In ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen” (vers 7). Aan de andere kant, als Hij de Zoon van Maria was geweest zonder dat zij de wettige vrouw van de zoon van David was, zouden de Joden van het eerste begin af. Zijn rechten verworpen hebben. Wij zien dus dat Hij wettelijk de Zoon van Jozef was; in Zijn mensheid de Zoon van Maria. En verder zoals in de slotverzen staat: Hij is de Zoon van God. De twee geslachtsregisters tonen Hem als Koning   Zoon des men­sen en Zoon van God, als de Enige van Maria, die in haar verwekt was door de Heilige Geest.

In het geslachtsregister van Mattheüs wordt bederf, verval en hopeloosheid duidelijk uitgedrukt. Als geslacht na ge­slacht genoemd is, stelt het voor onze aandacht de schande­lijke geschiedenis van Israël, zijn ongeloof, afval en oor­delen. Tenslotte is het alles duisternis en zonder hoop voor zover het Israël betreft. Evenals de moederschoot van Sarai (en zij is een type van het volk) was de gehele natie dood, zonder hoop, alles was in verval en bedorven. Maar God kan leven uit de dood te voorschijn brengen. “Toen de volheid des tijds gekomen was, zond God Zijn Zoon, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, op­dat Hij hen die onder de wet waren, zou vrijkopen, opdat wij het zoonschap ontvangen zouden” (Gal. 4:4 en 5). Zo is het ook met de tegenwoordige bedeling, want nadat de Heer Zijn Gemeente tot Zich heeft opgenomen, zullen duisternis, verderf en boosheid de overhand nemen en in het duisterste uur van het gelovig overblijfsel der Israëlieten en in de geschiedenis van de wereld, zal de Eerstgeborene wederkomen in de bewoonde wereld, omringd door Zijn heiligen en aanbiddende engelen.

De verdeling van het geslachtsregister is drievoudig. Van Abraham tot David, van David tot de Babylonische balling­schap, en van de Babylonische ballingschap tot Christus (16). In elk gedeelte worden veertien geslachten gevonden, twee zevens in elk deel. Dit stelt ons de volkomen harmonie en orde voor, zoals Hij, die het alles heeft gegeven, de Geest is van orde en niet van wanorde (1 Kor. 14:33). Zeven is een zeer symbolisch getal, in ‘t bijzonder voor Israël. In de geschiedenis van Israël is veel in zeven ver­deeld; de zeventigjarige ballingschap, de zeventig profe­tische weken van Daniël, de laatste toekomstige week be­staande uit zeven jaren, enz., zijn welbekende feiten voor elk ernstig Bijbellezer. Hier worden driemaal twee zevens gegeven, die volledige vervulling uitdrukken. Een nader onderzoek toont direct dat een aantal geslachten zijn weg­gelaten. Men heeft pogingen gedaan dit op verschillende manieren te verklaren. Vele kortzichtige mensen hebben het beschouwd als een fout; hogere critici en ongelovigen als een argument tegen de ingeving van het Woord, als een voorbeeld van tegenstrijdigheid. Anderen hebben gedacht dat Mattheüs onkundig was en dat hij niet beter wetend, deze geslachten had weggelaten. Als Jood was hij ongetwijfeld goed bekend met de Oudtestamentische Schriften. Hij had volledige toegang tot alle boeken, die wij het Oude Testament noemen. Van de historische boeken zou het een zeer gemakkelijke taak zijn geweest een volledig register van alle namen samen te stellen, dat in volkomen overeenstemming met het onderwerp zou zijn geweest met het oog op de bevrediging der Joden. De mens zou inderdaad zo gedaan hebben bij het samenstellen van een geslachts­register, maar Mattheüs schreef niet in overeenstemming met zijn eigen gevoelens en wensen; de Heilige Geest inspi­reerde elk woord en Hij heeft het goed gevonden een aantal weglatingen te doen. Om deze reden is hetgeen dat zo dikwijs als een bewijs van tegenstrijdigheid wordt aan­gevoerd, om te laten zien dat de Bijbel niet onfeilbaar is, een werkelijk getuigenis voor de Goddelijkheid van het Woord.

Met deze gehele rangschikking, het weglaten en verwisselen, heeft de Heilige Geest een wijs doel en als wij in onze kort­zichtigheid het niet geheel verstaan, volgt hieruit absoluut niet dat ergens een fout moet zijn. De Geest heeft recht zo te doen en nodig gevonden geslachten weg te laten. Dit zelfde is het geval in een ander geslachtsregister (zie Ezra 7). De meest in het oog lopende weglating vindt men in het 8e vers. Drie koningen worden daar niet genoemd. Dit zijn Ahazia, Joas en Amazia. Wie waren zij? Nakomelingen van de dochter van de boze Achab, Atalia. Atalia wilde het koninklijke zaad van het huis van Juda uitroeien. Dit was een satanische aanval om de doeleinden van God te ver­ijdelen. Evenals de aanslag van Haman, ingegeven door de mensenmoordenaar van de beginne, was het wat wij zouden kunnen noemen Anti Messiaans. Ongetwijfeld is dit de reden waarom de Heilige Geest deze drie koningen weg­laat.

Een andere ogenschijnlijke moeilijkheid is die betreffende Jechonia (vers 11), Zerubabel en Séalthiël. De twee laatsten komen voor in de geslachtslijst van Lukas en Zerubabel, als een zoon van Séalthiël wordt in 1 Kron. 3:19 een zoon van Pedaja genoemd.

Wij geven enige wenken die helpen kunnen om een en ander juist te zien. Jojachim wordt dikwijls genoemd bij de naam van zijn zoon Jechonia. Beide namen hebben dezelfde betekenis. Vertaald uit het Hebreeuws willen zij zeggen: Jahweh zal oprichten. Jojachim werd naar Babel gevoerd (2 Kon. 24:15). Hij heeft broers gehad, die Jechonia niet bezat (1Kron. 3:15). Duidelijk is dat Jechonia Jojachim is. In het twaalfde vers vinden wij de naam Je­chonia, de zoon van Jojachim, omdat Séalthiël de zoon van Jechonia is (1 Kron. 3:17). Lees ook Jeremia 22:30.

Op de geslachtslijn van Salomo lag een vloek en Jozef stond met die linie in verbinding. Op de lijn uit Nathan lag geen vloek en in Zijn geboorte uit Maria is Christus dus de ware Zoon van David, maar in de ogen van het volk was Hij de wettige in Jozef.

Als Zerubabel en Séalthiél in het geslachtsregister van Lukas voorkomen, mogen wij hen als verschillende personen beschouwen. De moeilijkheid dat Zerubabel hier de zoon van Séalthiël wordt genoemd; en de zoon van Pedaja in de Kronieken mag beschouwd worden als te zijn ontstaan door de Leviraatswetten. 1)

_______________________

1) In Israël bestond het verplichte huwelijk, als iemand gestorven was, die geen zaad had nagelaten. Een van de nabestaanden (meestal een broer) moest de weduwe huwen en kinderen trachten te verwekken. Een eerste jongen kwam dan in de plaats van de overledene te staan, kreeg diens naam en erfde zijn rechten. Zijn eigenlijke vader kon dus een andere naam dragen. Achternamen bestonden toen nog niet.


Met andere merkwaardige feiten maken wij kennis als wij het geslachtsregister door gaan. Wij zullen er enkele noe­men. Juda wordt genoemd omdat de profetie van Jakob duidelijk aanwees dat de Silo uit hem zou voortkomen (Gen. 49:10). We worden nog aan iets anders herinnerd in de zin “Juda en zijn broeders”, namelijk aan de zonde van Juda en zijn broers in het verkopen van hun eigen broer, en met alles wat daarmee verband houdt.

David alleen wordt als koning betiteld (vers 6). Salomo’s naam wordt ook genoemd, maar er wordt geen koning, schap aan vastgeknoopt. De ongelovige Jood, die de profetieën in betrekking tot de Messias tracht te verwerpen, heeft altijd een sterke stelling gevonden door te zeggen dat de beloften aan David gegeven betreffende een zoon, in Salomo vervuld waren.

Volgens hen is Salomo de koning, want groter dan David is zijn regering en gebied geweest. Treffend, dat de Heilige Geest eenvoudig de naam van Salomo noemt, zonder de bijvoeging: koning; David is koning en niemand anders kan die titel hebben, totdat zijn Zoon komt, die David zijn Heer noemt (Psalm 110:1). Aldus kondigde de engel Hem aan: “De Here zal Hem de troon van Zijn vader David geven en Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn”. In de laatste veertien geslachten beginnende met Zerubabel, komen geen in ‘t oog lopende namen meer voor. Slechts twee van hen worden in het Oude Testament vermeld. Zerubabel betekent: geboren in Babylon en de naam van zijn zoon Abiud betekent: omkomen, ten gronde gaan.

Het meest belangrijke feit is evenwel, dat de namen van vier vouwen genoemd worden in het geslachtsregister. Drie van hen worden in het eerste gedeelte genoemd en de vierde in het tweede. Dat vrouwen in een Oosters ge­slachtsregister voorkomen, is een zeldzaamheid. Er zijn vele edele, vrome, gelovige vrouwen in het Oude Testament: Sa­raï, Rebekka, Debora en “vrouwen die hun doden door op­standing weder verkregen en anderen werden gefolterd, de verlossing niet aannemende” (Hebr. 11:35). Men zou natuurlijk verwachten, dat in een geslachtsregister van Hem die het zaad is van de vrouw dat de slang de kop zou vermorzelen, enige namen van deze vrouwen die in de belofte geloofden, zouden genoemd worden. Men zoekt er evenwel tevergeefs naar. In plaats van hen, ontdekken wij er drie die slechts bekend zijn door hun schande, terwijl de vierde behoort tot een volk dat volgens de wet vervloekt was.



Thamar is de eerste. Haar schandelijke hoererij en overspel wordt in Genesis 38 vermeld. Wat een donkere geschiede­nis is dit, vol van boze daden van het vlees. De zonde in haar diepste zwartheid wordt er in gezien. Maar hoe kwam haar naam dan in het geslachtsregister? Het antwoord is: door haar zonde. Het was haar schandelijke zonde die hier haar naam plaatste in het geslachtsregister van Hem, die gekomen is om het verlorene te redden, de Zaligmaker der mensen. De Heilige Geest plaatst haar naam hier en laat ons zien dat de Heer Jezus Christus de Redder van zondaren is. Hij is gekomen om de onreinste en laagst gezonkene te redden.

De tweede is Rachab. Wie was zij? Een Kananietische. Onrein en verworpen, een hoer, een afschuwelijke. Toch wordt haar naam verbonden met Salmon (betekenend: be­kleed) en Boaz, haar zoon, wiens naam “in Hem is kracht” betekent. Zij had de boodschappers geloofd toen zij bij haar gekomen waren en het scharlaken koord, het teken van haar bevrijding uit de ten oordeel gedoemde stad, uit haar venster gehangen. “Door het geloof kwam Rachab, de hoer, niet om met de ongelovigen, daar zij de ver­spieders met vrede had opgenomen” (Hebr. 11:31). Het was het geloof dat haar een plaats gaf in de geslachts­lijst. Elke Jood kende haar geschiedenis en weet ook dat zij ingekomen is om te delen in Israëls zegeningen. Toch murmureerden de trotse Farizeeën toen Jezus aanzat met tollenaars en zondaars en de verworpenen zich om Hem vergaderden, zij murmureerden omdat Hij de laagstge­zonkenen zocht.



Ruth, de derde vrouw die genoemd wordt, is een uitzon­dering, want op haar gedrag en karakter is niets aan te merken. Zij was een Moabietische. De wet was tegen haar en vervloekte haar. Er staat geschreven: “Een Amonniet of Moabiet zal niet in de gemeente des Heren komen; zelfs hun tiende geslacht zal nimmer in de gemeente des Heren komen” (Deut. 23:3). Maar door het geloof trad zij de vergadering in met haar kinderen en de derde na haar, haar achterkleinzoon, is koning David zelf. De wet, die de vloek had uitgesproken, is in haar geval geheel ter zijde gezet.

De vierde vrouw wordt niet bij name genoemd, slechts aangeduid als die Uria’s vrouw was geweest. Wij weten dat zij Bathséba was met wie koning David overspel bedreef. Hier wordt de zonde gezien in verbinding met de gelovige. Maakte de zonde, door koning David bedreven, dan dat hij ophield een gelovige te zijn? Neen, bij had geloofd en de genade had volle heerschappij over hem, bracht tot inkeer, berouw en herstelling. Welk een wondere tentoon­spreiding van het gehele en volle Evangelie der genade, zoals het is in Christus Jezus onze Heer. We zien de zonde   geloof als het zich vastgrijpt aan de boodschap en red­ding door het geloof   bevrijding van de wet   en in het geval van de gelovige, de zekerheid van de verlossing.

Genade, niets dan genade straalt als nergens anders uit van het geslachtsregister in de vier vrouwen, van wie ten­minste drie van heidense oorsprong zijn. Hanna brak uit in een profetische zang en zei: “Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij de edelen en een erezetel te doen ver­werven” (1 Sam. 2:8). Hoe duidelijk en waar wordt dit gezien bij Thamar, Rachab, Ruth en Bathséba. Welk een troost ligt er in deze feiten voor ons allen!

Hij is de Zoon van Abraham. Door Hem komt de zegen tot de grootste der zondaren, tot degene die zich het diepst bevindt in ellende en nood, zegeningen voor de Heidenen in de nieuwe bedeling der genade.





  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   71


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina